Gedropt in de vrijmetselaarsbibliotheek

 
image
 
Sun Ra
The singles
1954-1982

 

Het dunne, maar sublieme boekje ‘Novecento’ van Alessandro Baricco gaat over een pianist die bij geboorte op een oceaanlijner wordt achtergelaten en nooit aan wal gaat.

Het verhaal dat zich in Sun Ra’s verbeelding afspeelt is – zoals mensen vroeger zeiden – even more far out: tijdens een uit de hand gelopen meditatie werd de man naar Saturnus ontvoerd, en de boodschap ginder luidde: ‘Je bent geboren en getogen Saturniaan, en samen met je zwarte broeders en zusters verkeerdelijk in Amerikaanse getto’s beland. Teleporteer of transmoleculariseer hen terug naar hier, via je muziek.’

De stijl van de pianist op de transatlantische veerboot wordt door Baricco in één zin gevat: ‘Als hij zin heeft speelt hij jazz, maar als hij geen zin heeft speelt hij iets wat klinkt als 10 jazzen bij elkaar’. De beschrijving is volstrekt teleporteerbaar op Sun Ra (né: Herman Poole Blount, officiële documentennaam: Le Sony’r Ra), alleen gebruikte Ra niet altijd een gewone piano.

Worden op de dubbel-cd ‘The singles’ door hem bespeeld: Wurlister, Hammond, Gibson Kalamazoo Orgel, clavioline, Hohner clavinet, Mini-Moog, Rocksichord, synthesizer en het door hulpvaardige aliens op maat gemaakte Solar Sound Instrument.

Voor zover we weten heeft geen enkele van de daaruit voortkomende klanken ooit een mens naar Saturnus opgebeamd. Natuurlijk is Sun Ra keihard uitgelachen.

Herman Poole Blount speelt en componeert vanaf zijn 12e, is de slimste van de klas, wordt in een vrijmetselaarsbibliotheek gedropt, gaat daar met passer, liniaal, schietlood en winkelhaak de hele esoterische en apocriefe literatuur te lijf, zal er ook wel een boek hebben gelezen over tijd- en ruimteverkeer, speelt piano in stripclubs omdat er daar werk is, verdedigt tijdens wereldoorlog II zijn wens om gewetensbezwaarde te zijn met zoveel overtuiging dat hij een jaar in de gevangenis belandt, en begint in 1954 een doowopgroepje (de vroegste A- en B-kanten van deze verzamelaar hebben een hoog doodoodoo- en wopwopwopgehalte).
 

 

Vanaf 1956 zet zich de mogelijk meest spectaculaire koerswijziging in de muziekgeschiedenis in. Samen met tenor sax-sidekick John Gilmore vangt Ra zijn supersonische Saturnus- en free jazzreis aan, die zal leiden tot een discografie met zijn Arkestra zo groot als die van Frank Zappa en tot winstcijfers ter grootte van een bodemlaag kopermuntjes.
 

 

Sommige jazztracks zijn jazz zoals we jazz kennen. Zet de standard ‘My favorite things’ in de versie van John Coltrane op, vergelijk ‘em met die van de naast Ra toeterende John Gilmore, en u moet al van zeer goeie huize zijn om hier meteen zeven kwaliteitsverschillen in aan te kruisen. Een bewijs dat Sun Ra zijn Arkestra tot een uitmuntend niveau kon tillen door in een commune-omgeving werkelijk constant te repeteren, alcohol, drugs én seks te verbieden, en pas dáárna de wat rare fanfaresfeer, bizarre elektronica en Batman-, swing- en nieuwjaarssongs te introduceren.
 

 

Sun Ra is de grootste anything goes-muzikant die ik ken. Soms zitten we een decennium of langer te laat in rock’n’roll of blues, soms lopen ’s mans songs gelijke tred met die van de eveneens in rare kleren rondlopende straatmuzikant Moondog, soms is de uitstekende muziek vooral een vehikel voor Ra’s ‘Jongens & Pseudowetenschap’, wereld waarin amateurs naast professionals musiceren, gekleed in goudsnippers en sterrenstof; Ra zelf steevast met Saturnusbol van papier-maché boven zijn hoofd.
 

 

Op ‘The singles’ staan songs waarin een slang prachtig uit een mand wordt getoeterd naast houteriger improvisaties waarin Ra in een raket stapt in een Ed Wooddecor. Een tearjerker wordt onderbroken door een afstandelijke commentaarstem, een van de drie swingversies van ‘The sun one’ door een dronken indiaan (een andere door een misthoorn). In het wondermooie ‘Blues on planet Mars’ laat Ra een clavinet als een Marc Ribotgitaar klinken, ‘Saturn moon’ is uit dezelfde periode van de zeer goeie ‘Atlantis’-plaat en is melancholischer dan het beste uit Brazilië. De hardere geluiden van ‘The bridge’ zijn dan weer een planeet op zich.

Veel van de verzamelde singles zijn trouwens in eigen beheer uitgebracht en werden verkocht na optredens. De hoezen zijn meestal zelf geschilderd.

 

 

Carimcaskill op Youtube: ‘I’m still not sure if he was totally insane or ahead of the curve.’ De man heeft een ongelooflijk synthetisch vermogen om stijlen naar zijn hand te zetten; daarin was hij alvast ahead of the curve.

Er zit een scène in de bizarre, maar ook vrij goeie lowbudgetfilm ‘Space is the place’ die mij doet denken dat Ra alles behalve gek is. In Saturnuspak flitst hij een inner city-jeugdhonk in het Oakland van de seventies binnen, waar een Black Panther-gang aan het biljarten is. Een meisje vraagt: ‘Hoe weten we dat jij geen hippie bent? Hoe weten we eigenlijk dat jij echt bent?’ Waarop Ra: ‘Ik kom uit een droom. Ik ben niet echt. Maar jullie ook niet. Anders zouden jullie niet om gelijke rechten moeten vechten… You’re not real. If you were, you’d have some status amongst the nations of the world. So we’re both myths’. Zelfs wat hij daarna tegen de zwarte jeugd over ruimtereizen vertelt houdt – als metafoor – steek.

Ik dacht mij tegen Ra’s krankzinnigheden te verdedigen met de stelling dat ik de zijne niet moet aanvaarden, en ook niet verplicht ben er een alternatief tegen te verzinnen waar ook de nonsens van afdruipt, maar misschien is het Saturnus van Ra gewoon een betere plek dan die waar de stedelijke onderklasse vandaag in overleeft.
 

 

De treeplank van het Ed Woodruimteschip wordt uitgeklapt. Ik krijg voor ik van boord ga van de in plasticzakken gehulde stewardessen een lijst van passagiers met de meeste Sun Ra Space Miles. De golden card travellers die ik ken: Archie Shepp, Thelonious Monk, Wayne Kramer, Thurston Moore, John Coltrane, The Beastie Boys, Yo La Tengo.

In het Archestragastenboek schrijf ik: ‘Vrij naar die gesamplede vrouwenstem in ‘Dansplaat’ van Brainpower: ‘Oow, op deze plaatje kan ik de hele nacht wel zo zot als een achterdeur worden.’

 

 

In brand vliegende strijkstokken

 
image
 
John Adams
On the transmigration of souls
2002

 

Twee waarschuwingen:

1. Met de zeer goeie DVD-serie over John Adams, de 2e president van de Verenigde Staten, heeft ‘On the transmigration of souls’ niks te maken.
 
image
 
2. Spoiler alert! Ik verklap veel, om niet te zeggen alles, over ‘On the transmigration of souls’ van de componist John Adams.

Aan het begin horen we straatlawaai. Ik heb amper x keer in de VS geslapen, maar de sirenes in de verte klinken onmiskenbaar als wat je in een Amerikaanse stad hoort, en die stad is hier Manhattan.

‘Missing’, ‘Missing’, ‘Missing’ klinkt het op het ritme van een hartslag. Oogleden worden al zwaarder. De intercomvrouwenstem doet denken aan de opera’s van Philip Glass en de stemexperimenten van Laurie Anderson.

Strijkers zijn nog aan het opwarmen. Een koor begint heel stil. Een mannenstem noemt John Florio, Christina Flannery en Lucy Fishman zachtjes bij naam. John Florio wordt nog eens vermeld. Richard Fitzsimmons komt erbij. Opnieuw: ‘Missing’.

Onregelmatig vallen namen na en door mekaar, de vrouwen- en de mannenstem worden willekeurig afgewisseld. De laag die erbij komt is die van de boodschappen ‘Remember me, please don’t ever forget me’ en ‘It was a beautiful day’.

Na vier minuten laat John Adams een trompet ‘The unanswered question’ van Charles Ives stelen, schaamtelozer dan Interpol van Joy Division jatte. Natuurlijk heet een sample hier een ode. Het koor zingt voluit ‘We will miss you. We all love you’. Nog meer mensen worden verzocht op het appél te verschijnen, maar superdringend is het kennelijk niet. Lagen lawaai hopen zich op. Het koor gaat ritmisch verder: ‘She. Looks. So. Full. Of. Life. In. That. Picture.’ Engelenstemmen vechten tegen oprukkende chaos tot het een paar seconden stil wordt, en één boodschap alle aandacht krijgt: ‘Eye color: hazel. Hair colour: brown. Date of birth: July ninth, 1963. Weight: 180.’

Meer namen volgen. ‘Jeff was my uncle’ ook. Het koor zingt: ‘The mother says: ‘He used to call me every day. I’m just waiting’. En ook: ‘The man’s wife says: ‘I loved him from the start. I wanted to dig him out. I know just where he is. ‘

In verband met de muzikale uitbarsting die volgt: denk een operaclimax, of iets van Glenn Branca. Denk John Adams’ eigen ‘Shaker loops’. Denk in brand vliegende strijkstokken.

Waarna alles eindelijk stil wordt, zoals in het hoofd van iemand die 30 keer na mekaar ‘Koyaanisquatsi’ zegt, of zoals in ‘Central park in the dark’ van – daar is hij weer – Charles Ives. Alleen is het niet donker en bevinden we ons niet in het mooiste stadspark ter wereld. We zijn afgezakt naar ergens diep downtown in Manhattan, en staren in een immer met spots verlichte immense krater, een gat geslagen tussen hoge kantoorgebouwen. Nog meer namen rollen uit de speakers. Het zijn natuurlijk de namen van mensen die hun graf vonden in Ground Zero, op 9/11/2001.
 
image
 

John Adams is in 2002 een man met een deadline: de première met de New York Philharmonic vindt in Brooklyn plaats op 9/19/2002. Net als iedereen heeft hij de meest herhaalde beelden uit de geschiedenis van het beeld bekeken. Hij focust op berichten van nabestaanden, herdenkings- of vermisttekstjes die overal rond Ground Zero ophangen. Die berichten zijn nergens ingewikkeld: ‘You will never be forgotten’, ‘I love you’, ‘Louis, come home’… Geconfronteerd met essentie reageert een mens kort, direct en to the point. Adams denkt aan de kantoorpapieren die – dit is trouwens echt gebeurd – naar beneden dwarrelden bij de eerste inslag, en ziet de berichten beneden als een soort neerslag ervan. Mooie gedachte.
 

 

In 2001 woon ik korte tijd in de Lemonnierlaan in Brussel, niet ver van het Zuidstation. Als ik op 11 september naar de nachtwinkel ga, staan een paar jonge gasten hun down USA-feestje te vieren. In een snackbar luister ik in die dagen bij een sandwich-Merguez een filosofische conversatie af die gaat over martelaren. Het pitarestaurant op 100 meter van ons appartement, waar we kort daarvoor nog zijn gaan eten, wordt verzegeld: er is genoeg zwavel en oplosmiddel gevonden voor een krachtige bom. Op amper 30 meter blijkt een man met de bedenkelijke geuzennaam Shoebomber een kamer te hebben gehuurd.

Eind oktober 2001 reis ik voor een paar dagen naar Manhattan, om De La Soul te interviewen. In mijn hotelkamer ligt een brief van de burgemeester: ‘Your trip to New York is part of a healing proces’. Ik bezoek de memory space rond Ground Zero met de ‘I miss you’-berichten, en ik wil vooral ramptoerisme, sensatie en sentiment zien. Ik werp waarschijnlijk een keer te veel op dat de Amerikaanse invasie in Panama van 1989 meer doden heeft geëist. Ik ben het eens met een 26-jarige inwoner van Macedonië die zegt: ‘Als zij iemand bombarderen, kraait er geen haan naar, maar als zij geraakt worden, moeten wij allemaal huilen.’

Wu-Tang Clan biedt in 2002 ook al geen hulp: ‘Mr. Bush, step down / We’re in charge of the war’ klinkt nogal warrig; wellicht hebben ze een clanoorlog met Shaolin kung fuzwaarden tijdens de Zhoudynastie onder controle. Bruce Springsteens ‘The rising’ is te beleefd, betuttelend en opvoederig, Jonathan Safran Foers ‘Extreem luid en ongelooflijk dichtbij’ te klef. John Adams’ werk is het eerste 9/11-kunstwerk dat me diep heeft geraakt. Het heeft me doen inzien dat mijn eerste lezing een beperkte, bijna-extremistische lezing van de feiten is.

Iets anders. Mijn compagnon de route op mijn trip naar het Manhattan van oktober 2001 was Ivo Victoria, die in die tijd op het punt stond naar Amsterdam te emigreren en ondertussen een man van een paar romans is. Hij deed ook verslag van onze reis. Dat verslag in z’n geheel is langs hier.

Een fragment eruit:

‘We wandelden helemaal om Ground Zero heen. We zagen steeds minder mensen, steeds minder toeristen, steeds minder posters en bloemen. Aan de noordzijde van de crashsite liepen we alleen op straat. Het was koud. Iets verderop zagen we een grote poort in de hekken. Vrachtwagens reden af en aan en voor iedere vrachtwagen werd de poort door werkmannen zo snel mogelijk open en weer dicht gedaan. We namen positie in aan de overkant van de straat en we wachtten. Na een minuut of tien ging de poort open. Gedurende enkele seconden kregen we vrij zicht op het monster. Het lag roerloos te slapen in de mist, grijs in grijs.’

Ik had die wandeling en dat zicht op het monster volledig verdrongen. Maar na Victoria’s verslag kwam het terug. Het heeft me op een hoger level doen inzien dat mijn eerste lezing van 9/11 een beperkte, zéér extremistische lezing van de feiten was. En één met bijzonder weinig aandacht en empathie voor de slachtoffers.

Ik zet ‘Transmigration’ nog eens op en bekijk google-afbeeldingen van Ground Zero. Een zwart-witfoto trekt mijn aandacht. De bedrijvigheid in de krater is vergelijkbaar met die op de andere foto’s, maar de auto’s zijn niet van deze tijd. Op dit beeld worden funderingen gelegd: de WTC-torens worden opgetrokken.

De vanuit toren één naar beneden waaiende papieren die Adams op muziek zet komen hier en nu op de koptelefoon voorbij: ik beeld me contracten, dienstnota’s, vakantieregelingen, facturen, te doen-lijstjes, kindertekeningen en handleidingen van brandblusapparaten in.

Ik kom ongevraagd uit bij het omgekeerde, een feestbeeld dat New York ooit beroemd maakte, een huldeblijk die een prinses of astronaut te beurt viel in de vorm van een tickertapeparade; oorspronkelijk een regen van smalle stroken papier die in de telegrafie werden gebruikt. Dit plaatje doet zijn werk, ook als aan het eind John Cages favoriete geluid opnieuw opduikt: het New Yorkse straatverkeer.

Wikipediafeit: van de 2974 personen die bij de aanslagen omkwamen, heeft men er slechts 1586 op basis van gevonden menselijke resten kunnen identificeren. Ik ben onvolledig: onlangs is een 1587e lichaam geïdentificeerd.

Ander feit: in de periode na 2001 zijn er lange tijd veel, veel minder aanvallen door haaien in het nieuws geweest.

Voor wie geen Spotify heeft knip ik het volledige ‘Transmigration’ uit youtube. Het beeld blijft roerloos slapen, donkerzwart in donkerzwart:
 

 

De playlist onderaan gaat na ‘Transmigration’ over in een andere favoriet van Adams en komt bij Lou Harrison uit, een Amerikaan die z’n geheel eigen gamelan speelt. Gamelan komt uit wat nu de Indonesië-archipel is. Indonesië is het grootste moslimland ter wereld.

Peace!

 

 

‘vrinnn Vrinnn VRINNN!’

 

image
 
Eminem
The Marshall Mathers LP
2000

 
 

Bestsellers vergelijk je best met andere bestsellers.

Neem nu het veel verkochte prentenboek ‘Wij gaan op berenjacht’. Een vader, vier kinderen en een hond zitten in een hachelijke situatie: ze kunnen nergens bovenover, ze kunnen nergens onderdoor, ze moeten overal dwars doorheen! Ze moeten doorheen lang, wuivend gras en een diepe, koude rivier, ze wurmen zich door dikke, slikkerige modder en trotseren zelfs een jagende, zwiepende sneeuwstorm om in een nauwe, donkere grot te belanden. De vertaler van het (prachtige) boek van Helen Oxenbury houdt er de aandacht in via ritme en alliteraties. Zwieperdezwiep! Plenserdeplons! Flapperdeflop! Struikeldestruik!
 
image
 

Michael Jackson zit in de eerste kilometer van ‘Thriller’ met een gelijkaardig gevoel. In opener ‘Wanna be startin’ somethin’ zingt hij: ‘Too high to get over / too low to get under / you’re stuck in the middle / and the pain is thunder’ en trekt de plaat op gang met een vettige, claustrofobische funk-soul-disco-floorfiller die ontaardt in de fe-no-me-nale oeralliteratie Mama-se, mama-sa, ma-ma-kos-sa.

En wat doet Eminem in het uur van de waarheid, als alle ogen in de aanloop naar zijn tweede grote plaat gericht zijn op het hoge koord waar hij 10 tegen 1 gaat afvallen – tenminste, dat hopen al zijn vijanden, die keurig in subgroepen zijn onder te verdelen?

1. De bezeten fans die geen handtekening krijgen als ze hem lastig vallen terwijl hij z’n dochter buitenshuis te eten geeft.

2. de undergroundrappers die hem op ‘The Slim Shady LP’ nog goed vonden en hem nu jennen omdat hij niet meer kan rappen over blut zijn.

3. de neven en tantes en halfbroers die overal opduiken omdat er geld te rapen valt.

4. de Amerikaanse mainstreammedia die na Marilyn Manson opnieuw een zondebok hebben voor alles wat de jeugd verkeerd doet: fuck zeggen, op de rugleuning van een bank zitten, lachen om ‘South Park’ en iedereen op school doodschieten.

Wat Eminem doet?

1. Wachten tot het einde van another public service announcement, dat de intro van de vorige plaat spiegelt: ‘Slim Shady is fed up with your shit…and he’s going to kill you’.

2. Een slok spraakwater nemen.

3. In strofe 1 van song 1, de gedroomde opener die ‘Kill you’ heet, er dwars doorheen gaan. Eminem gaat op berenjacht.

Eminem is niet bang voor het scepticisme van de critici: ‘They said I can’t rap about being broke no more / They ain’t say I can’t rap about coke no more’.

De een of andere slet wordt gebrutaliseerd terwijl binnenrijmen verder worden geperfectioneerd in ‘Slut, you think I won’t choke no whore / ‘til the vocal cords don’t work in her throat no more?!’

Geen greintje angst blijft over voor zijn eigen Slim Shady-vermomming: het krankzinnige alter ego stelt zelf de rare vragen (‘Just bend over and take it like a slut / OK Ma?’) en is tegelijk die van de critici voor (‘Oh, now he’s raping his own mother / abusing a whore / snorting coke / and we gave him the Rolling Stone cover?’)

Het is 2000 en de bitch heeft groot gelijk, beweert Eminem, want hij is niet meer tegen te houden: now it’s too late rijmt op I’m triple platinum and tragedies happen in two states: Eminem heeft het over 3 miljoen verkochte cd’s en de rampen op Columbine High School en Westside Middle School die respectievelijk in de staten Colorado en Arkansas plaatsvonden. Vandaag staat de teller van verkochte platen op een veelvoud van triple platinum, en ook de zotten die hun medeleerlingen neerschieten zijn helaas vermenigvuldigd; ze zien er soms Fins of Koreaans uit.

Wacht, de strofe is nog niet gedaan. Eminem is klaar voor het alliteratieve hoogtepunt van ‘The Marshall Mathers LP’: ‘I invented violence, you vile venomous volatile bitches / vain Vicadin, vrinnn Vrinnn VRINNN!’. Vain Vicadin betekent dat een pijnstiller nutteloos is bij kettingzaaggeweld. Maar vooral: dit noemen wij het strafste stafrijm sinds dat van die Zeven Zaventemse Zotten, zie: zeven alliterende v’s plus drie vrinnn’s van de kettingzaag die daarna echt invalt. Bijna zo goed als Mama-se, mama-sa, ma-ma-kos-sa.
 

 
‘Kill you’ is nog niet voorbij, en is hier geeneens een van de beste vijf songs. U kent de brievenroman met in de hoofdrol de psychopatische Stan. ‘The way I Am’ en ‘The Real Slim Shady’ zijn geweldig. ‘Who knew’, ‘Marshall Mathers’ en ‘Criminal’ ook. ‘Kim’ is niet gewoon een spannende film met een vleugje horror, maar grove, ongenuanceerde splatter waarin de omgeving rood geverfd achterblijft. Als u dat wilt kan u alle teksten onder de loep leggen op het indrukwekkende archief rapgenius.com. Ook handig voor als u, zoals ik, bent vergeten wie Fred Durst is. Ergens heeft Eminem het over een man die dode elanden bespringt, en ik weet nu wie dat is. Nee, het is niet Fred Durst van jawel, Limp Bizkit. Een middelmatig popkwisser ben ik.
 

 

Ik ben blij dat Eminem, met een beetje hulp van Marshall Mathers (die de geweldcultuur glashelder analyseert en zich daartegen wapent met volgekribbelde rijmwoordenschriftjes), de cartooneske afsplitsing Slim Shady (die dit keer alle duivels ontbindt) en de homoseksueel Ken Kaniff (die in een tussenstuk een blowjob krijgt van de leden van Insane Clown Posse, kwaad wordt omdat ze hem net voor het hoogtepunt Eminem noemen, en zijn lul terugvraagt) dat die meervoudige persoonlijkheden genaamd Eminem zich collectief hebben beijverd om al wat op hen af kwam – en dat was in die tijd een hoop – in overdreven karikaturale vorm terug te blazen in het gezicht van alleman, ter lering en ter vermaak. Dat is meesterlijk gelukt.
 

 

Eminem! Uitleggen dat hij behalve een heel goeie rapper ook een groot comedian is, is makkelijk: gewoon de eerste grap die je van hem vindt vertellen. Zodus: niet zolang geleden is hij samen met de (zwarte) pionierende MC LL Cool J te gast in een Britse talkshow. ‘Hearing him rap’, zegt Em, ‘actually made me wanna rap. That’s what did it for me… I think when The Beastie Boys came out, then I felt like: Oh, it’s possible‘.
 
image
 
Ik ga eruit met een reeks diss tracks. Iemand dissen is iemand publiekelijk beledigen. ‘Diss’ is natuurlijk ook ‘disrespect’ met twee lettergrepen minder.

De eerste die volgens mij die disses in een historisch perspectief plaatst – en meteen duidelijk maakt hoe belangrijk ze zijn voor hiphop – is Nas in de song ‘Represent’ vanop de cd ‘Illmatic’ van 1994. Nas introduceert de hiphoptijdrekening. De klok tikt bij hem niet langer van presidentswissel naar sporttornooi, nee, een punt wordt in de geschiedenis geplaatst net voor KRS-One beef had met MC Shan (1985) of toen een publieke en op vinyl geperste over-en-weer-battle begon tussen – ondermeer – Roxanne Shanté en The Real Roxanne (1984).

We hebben meteen de twee allerbelangrijke disses beet.

1. The Roxanne Wars. De Full Force-crew noemt een meisje uit een rivaliserende bende Roxanne, naar de prostituee uit de song van The Police. Het antwoord komt snel, en is van de vrouw zelf. Het wordt zelfs een beetje raar: plots zijn er veel Roxannes, bijvoorbeeld een Roxanne Shanté en een Real Roxanne. Radiostations hebben stuff om te draaien, mensen spul om over te roddelen. In het licht van wat gaat komen zijn de Roxanne Wars allemaal sympathieke, ja zelfs aandoenlijke Knopenoorlogen.

2. The Bridge Wars. KRS-One vertegenwoordigt met Boogie Down Productions de South Bronx. Marley Marls Juice Crew represent dan weer Queensbridge. The Bridge Wars is ernstiger getackle. Hoofdthema in dit tegensprekelijke debat: ‘Waar is hiphop uitgevonden?’ In de eerste helft van de jaren 80 bestaat de Hiphop Pro League voornamelijk uit New Yorkse teams. Een wedstrijd South Bronx-Queensbridge is in die dagen iets als Anderlecht tegen Standard. Wat die vraag ‘Waar staat de wieg van hiphop?’ betreft: de South Bronx heeft de beste argumenten, en in 1985 met KRS-One ook de beste rapper. Maar in Queens warmt Rakim zich op.

Fast forward naar midden jaren 90. Net als 2Pac een eerste keer is beschoten brengt The Notorious B.I.G. ‘Who shot ya’ uit. Pac denkt dat het over hem gaat en haalt zwaar uit. Van het een komt het ander. Omdat heel de westkust met heel de oostkust slaag raakt gaat het niet meer om crews en gangs; hier staan echte legers tegenover mekaar. Voor Pac en B.I.G. loopt het slecht af.

Het duel met Jay-Z en Nas is een harde, maar mooie wedstrijd, die Nas trouwens opnieuw op de top van zijn kunnen brengt.

Rap Mafia daagt aan het eind nog de Mannschaft van Kendrick Lamar uit, maar verliest met 1-7.

Aan het begin van de playlist een diss in het Nederlands. Osdorp Posse vindt dat met de rapper Extince ‘de Vanilla Ice van Nederland is opgestaan’. Extince zet de hardcorerappers in de hoek, wat rijmt op billenkoek.

Helemaal vooraan Lee Scratch Perry, die in 1969 breekt met partner/producer Coxsone Dodd en hem in ‘Run for cover’ boven een naar palmbomen ruikend deuntje afdreigt met ‘a right to the head / and a left to the cheek’.

Maar eerst via Youtube Ja Rule die Eminems dochter erbij betrekt. Geen goed idee. Hij krijgt Eminems Oscarbeeldje in zijn gat: