Stadsruïnes

 
image

 
image
 
Joy Division
Closer
1980

 

Joy Divisiontussendoortjes en -achterafjes als ‘Atmosphere’, ‘Autosuggestion’, ‘Dead souls’ en ‘Love will tear us apart’, het zijn allemaal uitstekende songs uw aandacht waard. Zelfs de prille Joy Division is interessant: ‘Novelty’ zit nog vol Sex Pistols (de groep werd aan de toog na het eerste Pistolsconcert in Manchester opgericht), ‘Something must break’ wijst al vooruit naar een Bauhausplaat van niet veel later.

Maar, maar en nog eens maar: zoals er drie Jimi Hendrixplaten zijn en de rest op z’n best wordt bijeengesprokkeld om iets onder de kerstboom te leggen, zo zijn er twee Joy Divisionplaten. Ze heten ‘Unknown pleasures’ en ‘Closer’. Ze staan alle twee in Honderd. ‘Unknown pleasures’ staat op 18, ‘Closer’ op 4.

De songs van ‘Closer’ komen recht uit Schemerland. Ze knippen als kattenogen aan op het moment dat ook de lichtjes in de huisjes worden aangestoken. Ze blazen soms warm en koud. Ze hebben na een tijd op de fiets nog last van bevroren handen en voeten terwijl de rest van het lichaam al aan het zweten is.

Daar is een technische verklaring voor. Sommige danserige synthgeluiden, de drums die een veelheid van ritmes in geduwd worden, de bas die zeker niet minder dan op het debuut ‘Unknown pleasures’ vooraan wil staan en de soms heel afwezige en dan weer harder uithalende gitaar, ze komen meestal veel minder uit de verte en uit de donkerte dan de baritonstem van Ian Curtis, een man die op ‘Closer’ een indrukwekkend curriculum van ontgoochelingen heeft opgebouwd.

Soms schuren die werelden over elkaar als verschuivende aardlagen. In de twee afsluiters vloeien Curtis en groep samen, maar dan aan de Curtiskant van ongevoeligheid voor het laatste beetje optimisme. Curtis horen zingen is je afvragen: ‘Hoeveel Danteske hellekringen heeft die man achter de rug?’ En dat terwijl hij geeneens ‘op het midden van zijn levensweg was aangeland’, zoals Dante Alighieri toen hij aan zijn Inferno begon. Curtis bevond zich wel ‘in een zeer donker woud’ en was ook in zekere zin ‘van het rechte pad afgeweken’.

’t Is in ’s mans teksten niet echt een kwestie van de wagen des doods door de stad weten rijden en het gebeente horen rammelen. De horror zit veel inwendiger. Het boek ‘The atrocity exhibition’ van J.G. Ballard is perfecte inspiratie, en een goeie titel voor de opener van ‘Closer’. Een directeur van een psychiatrische inrichting doet in het Ballardverhaal verslag van zijn eigen mentale instorting. Of doet iemand anders verslag in zijn plaats? Iemand schreef erover: ‘Is dit louter het falen van de in mentale stoornissen gespecialiseerde dokter of eerder dat van de collectieve wereld, die vanaf 1970 permanent aan sensatiebeluste media is blootgesteld?’ Komen veel aan bod: Marilyn Monroe, de Zapruderfilm van de moord op president Kennedy, oorlogsreportages uit Vietnam en de bom op Hiroshima, allemaal beelden waardoor het hoofdpersonage is geobsedeerd, en die worden beschreven als sleutels tot een nachtmerrie waarin we allemaal een rol spelen. Wereldoorlog III is ondertussen een ‘conceptuele act’ geworden, want ‘de beelden zouden weleens een heel andere rol kunnen spelen dan we denken’. En dan zijn we nog maar aan het begin. Ik heb het boek niet uitgelezen, ik heb de film uit 2000 in de DVD-speler gestoken, maar die film volgt het boek zo nauwkeurig in z’n gedeconstrueerde verhaallijnen dat ik opnieuw niet veel kreeg samengepuzzeld. Waar het me om gaat: uitgerekend dat boek stond in de tienerkamer van Ian Curtis.
 
image
 
image
 
Curtis’ tekst is overigens een nog letterlijker Tentoonstelling Van Verschrikkingen: ‘Asylums with doors open wide / Where people had paid to see inside / For entertainment they watch his body twist / Behind his eyes he says, ‘I still exist.’
 

 
De uitwaaierende Can-ritmes van Stephen Morris hebben in ‘Atrocity exhibition’ meteen meer ruimte nodig dan op het debuut ‘Unknown pleasures’, de bas van Peter Hook is solider, de gitaar van Bernard Sumner maakt op die grotere schaal grotere vlekken, de vertraag- en weerkaatseffecten van producer Martin Hannett kruipen veel meer in de muziek dan op het debuut.

Tegelijk is de tweede plaat natuurlijk niet zó verschillend van de eerste. ‘Isolation’ is de dansante partner van ‘She’s lost control’: de synths zijn ogenschijnlijk eenvoudig, de beat die 1’44” ver invalt is nog simpeler, maar noem mij één jaren 80-single van eender welke Grauzone, Gang Of Four of Orchestral Manoeuvres In The Dark die in de buurt komt. Hoe het isolement in de tekst verbeeld wordt? Via ‘Surrendered to self-preservation / From others who care for themselves’. Mogelijk ook via ironie: de tekstschrijver geeft zichzelf aan het eind een prijs.
 

 
Ondertussen dendert de plaat door. ‘Closer’ is zeer zompig in de bas (‘Passover’, ‘A means to an end’), wordt een wriemelende, dichtbevolkte wereldstad van bassen, drums en gitaren (‘Colony’) en loopt vooruit op het hardere geluid van groepen als The Wipers en Hüsker Dü van een paar jaar later (‘Twenty four hours’). De song met ‘Heart and soul / One will burn’ is een meesterwerkje dat op subliéme wijze alle ritmische kanten uit hinkt en struikelt.
 

 
En dan is er het deprimerende einde. ‘The eternal’ is een rouwstoet in tekst én klank. Producer Martin Hannett moet hier geroepen hebben: ‘Nóg een pot chrysanten.’ In de tekst gaan geliefden weg en liggen bloemen in de regen. Van achter een hek kijkt de hoofdpersoon – kennelijk versuft door het vreselijke lijden dat hij onderging – naar mensen die als wolken voorbij trekken. Troostelozer dan hier wordt het niet: klinkt alsof heel de groep eerst een week lang verplicht werd non-stop naar ‘Born to be alive’ van Patrick Hernandez te luisteren.

Afsluiter ‘Decades’ is de mooiste Echternachprocessie uit de popmuziek: ‘Watched from the wings as the scenes were replaying / We saw ourselves now as we never had seen’ klinkt als een inzicht dat te laat komt, maar vooral als een laatste zicht op Schemerland van hoog in de lucht. Van hier af wordt het echt donker.
 

 
Kijk, ik wil het best hebben over de prachtige versregels vol uitgestuurde S.O.S.-jes die beginnen met ‘Existence well what does it matter?’ of ‘I never realised the lengths I’d have to go’. Natúúrlijk heeft de tweede Joy Division een graftombe op de hoes. Natúúrlijk heet hij ‘Closer’, en dat kan ‘dichterbij’ betekenen, maar ook ‘afsluiter’. Omdat de zanger zich ophing aan z’n droogrek kennen we ‘Closer’ vooral als ‘afsluiter’, en het eightiesdecennium als één dat begon met een eindsalvo.

De man die de foto voor de hoes had gekozen dacht pas ná de zelfmoord van de jonge marmeren gigant: ‘Fuck!’ Peter Hook was de eerste die eerlijk zei: ‘Wij hebben nooit naar de teksten geluisterd.’ Deze mensen hadden gewoon een tweede plaat gemaakt, en die was uitstekend, en iedereen stond stijf van de ambitie, en Curtis hing zich op, precies op de avond voor de groep naar Amerika zou vliegen. Iemand daarover: ‘We were only 24 hours from Tulsa’.

image

Beste zelfmoordprofetie-of-toch-niet-tekst: ‘The past is now part of my future / The present is well out of hand’.

Odes aan Joy Division? Massa’s. De invloed op wat na hen komt is immens, en zit overal in de kleinste kieren en gaten: in de graphic novel ‘The crow’, in de baslijnen van R.E.M., in motto’s voorin poëziebundels, …

New Ordersingles (‘Blue monday’, ‘Everything’s gone green’, het geweldige ‘Crystal’), The Cure op ‘Pornography’, flarden Interpol… ze blijven al bij al beleefde receptiebabbels vergeleken met het Joy Divisionorigineel, dat meer op een gesprek met een goeie vriend lijkt, ter hoogte van pint 4 en sigaret 3, en nog een paar uur te gaan voor de laatste trein.

Dit groepje uit de nieuwe lichting, dat soms meer als The Sound en Siouxsie and the Banshees klinkt dan als Joy Division, raakt wel een snaar. De intro is er bijvoorbeeld al boenk op:
 

 
Een raar moment is ‘The overload’, de afsluiter van Talking Heads’ ‘Remain in light’. ‘Gemaakt zonder Joy Division gehoord te hebben, afgaande op de recensies in de Britse pers’, liet de groep noteren. Ofwel compleet gelogen, ofwel is de Britse pers geniaal, want ‘The overload’ klinkt helemaal als Joy Divisions
‘I remember nothing’ uit de debuutplaat. Nu ik erover nadenk: als er niet is gelogen, is dat geen bewijs dat de Britse pers geniaal is. Het kan bovendien zijn dat er gelogen is door Talking Heads en dat de Britse pers toch geniaal is. Waarschijnlijk zijn er nog mogelijkheden.

Een heel mooie ode aan Joy Division is van het in hedendaagse klassieke muziek gespecialiseerde ECM-label, en komt van de verpakkingsafdeling. Het gaat over het Mc Donald’s-doosje (de hoes) en zelfs niet meer over de groenten en de sauzen bij de hamburger (de producer), en dus helemaal niet meer over de essentie, namelijk wat er in het vlees en het broodje wordt gedraaid (de kwaliteit van de songs).

Soit, mag ik alsnog de mensen van ECM proficiat wensen voor de grijstinten en de esthetiek die niet zomaar aan hoezen van Joy Division doen denken? ECM gebruikt in z’n logo iets dat lijkt het lettertype van ‘Unknown pleasures’, en
onderlijnt op dezelfde manier. Eens iets anders.

image

De zelfmoordmotieven van Ian Curtis zullen we uiteraard nooit kennen. Er was het drama van een man die niet kon kiezen tussen girl next door (Curtis’ vrouw met wie hij al op z’n 18e trouwde) en iemand van de jeunesse dorée (Curtis’ Belgische vriendin). De zanger werd door zijn platenfirma aan Amerika ook beloofd als een Jim Morrisonachtige sjamaan. Dat terwijl de man zich van het ene epileptische insult naar het andere sleepte, waardoor hij mogelijk niet altijd evenveel zin had in Morrisons break on through to the other side. Voor zover ik het verhaal een beetje gevolgd heb, had Curtis niet echt plannen om een grote rockcarrière uit te bouwen.

Begin 14e eeuw schrijft Dante over ‘iemand die plotseling neervalt maar niet weet waardoor’: ‘Wordt hij door een duivelse kracht op de grond gegooid of is het een lichamelijke aandoening die mensen overvalt?’ Maar laat ik het een beetje logisch houden: de allerbeste ode aan Curtis kan moeilijk uit de 14e eeuw komen. Ik kies dus voor fellow Mancunian en bizarre grappenmaker Mark E. Smith van The Fall, die twee jaar na Curtis’ dood in de eindejaarsvraagjes van een Brits muziekblad gepolst wordt naar zijn favoriete stand up comedians, en antwoordt: ‘Ian Curtis-imitatoren’.

Twee films zijn er. Anton Corbijns ‘Control’ focust in die mate op het liefdesdrama dat ik aan het eind begon over de handigheid van een droogrek dat je kan optrekken. ‘Moeten we in investeren’, zei mijn vrouw, waarna het toch nog gezellig werd.

De documentaire van Grant Gee (die ook ‘Meeting People Is Easy’ maakte over Radiohead) is veel beter. Aan het begin zegt Tony Wilson, de man die Joy Division tekende op zijn Factory Records: ‘Manchester in de mid-seventies voelde als een stuk geschiedenis dat was uitgespuwd. Het was een van dé plekken geweest waar de industriële revolutie was uitgevonden, en dus ook de uitwassen ervan. A grimy, dirty old town.’

Ik ga van Wilson geen heilige maken: de man is een haai uit de muziekindustrie zoals zovele anderen. Plus: het verband dat hij trekt tussen de big bang van Joy Division en zijn Factorylabel enerzijds en de ravescene rond Happy Mondays en de Haciendaclub van bijna 10 jaar later zou je evengoed kunnen torpederen via het verhaal van het door de stad en door Factory uitgespuwde The Stone Roses. Als u ooit één documentaire wil zien waarin de wereld van gewoon schrijnend vervaagt in In de gloria-schrijnend, en u nooit zal weten waar de grens ligt, moet u dat verhaal eens bekijken. Zeer kort samengevat: The Stone Roses werden opgelicht door een kapper. Maar The Roses waren wel dé inspiratie voor dé biggies van Manchester, Oasis, lieden die van Joy Division niet veel moeten weten, en van de boeken van Oscar Wilde die de zanger van The Smiths las nog minder.

Dus: aan de hand van popmuziek geschiedenis willen schrijven, het is en blijft een kwestie van standing on shakey ground. En toch! De documentaire van Grant Gee begint met beelden van de industriële verpaupering in Manchester, en dus van kinderen die in het gruis spelen. Bernard Sumner zegt: ‘Ik denk niet dat ik een boom heb gezien voor ik 9 was.’

Een moderner vergezicht staat voor de heropstanding van de stad. Op het scherm verschijnt: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world, and at the same time that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’

Ik laat niks meer etteren, dus ik zoek het op. De man van de quote blijkt Marshall Berman te zijn, een in 2013 gestorven New Yorkse stadsantropoloog met een zicht op de frontlinie van The South Bronx. Een film over hem toont de uitgebrande huizen van de Bronx in jaren 70. Het ooit zeer leefbare stadsdeel was in twee gesneden door de aanleg van een stadsautostrade en metrowerken. Huiseigenaars verwaarloosden hun eigendom, de middenklasse vluchtte naar de buitenwijken. Bermans stelling: ‘De gebouwen branden aan de ene kant van de straat, de kids proberen iets te maken aan de andere kant. Net uit dát halfvernielde stadsdeel komt een boodschap voor de rest van New York in de vorm van graffiti. Op die grijze, totaal vervallen metrostellen schilderen mensen exuberante letters, namen, motto’s en reliëfs. Vandaag zijn er al die films van toen. Alles is grijs. De huizenblokken zijn uitgebrand. En dan rijdt er een trein over een brug, en die ziet eruit als een regenboog. Dat is aangrijpend. De volgende incarnatie wordt rap. Het begint bij een jongen met kleine speakers en een drumtrack in de subway. Nu is het de belangrijkste vorm van wereldmuziek. Het is goed om te onthouden dat het allemaal van daar komt. Het is een parabel voor een wijk die een ruïne was geworden, maar die opnieuw opveerde.’
 

 
Ik vlucht van de parabels over de seventiesruïnes van Manchester en New York naar de realiteit van mijn lijst, want uitgerekend dié geboorte van hiphop – die inderdaad eerst via kleur kwam, en dan via klank – is in de tweede helft van de jaren 70 echt beleefd in de South Bronx, door twee neefjes die als zeer jonge knaapjes helemaal van de andere kant van de grote appel naar de block parties afreisden. Eenmaal groot en tougher than the rest maakten ze een plaat die zich naar nummer 3 elleboogt.

Besluit: de wedstrijd om de derde plaats tussen Manchester en New York was zeer spannend. New York heeft uiteindelijk brons gehaald.

image

image

 

 

The wire

 
image
 
GZA/Genius
Liquid swords
1995

 

In de zomer van 1977 is Gary Grice – beter bekend als GZA – bijna 12 jaar oud. Robert Fitzgerald Diggs, die we als RZA kennen, is er dan bijna acht. Ze wonen in Staten Island. Af en toe reizen ze naar de Bronx, om jams mee te maken. Het is een heenreis van twee uur. Bus. Ferry. Trein. Bus. 1977 is de zomer van de black outs van 13 en 14 juli: bijna heel de stad zit zonder elektriciteit.

Er heerst ook paniek omdat seriemoordenaar Son Of Sam nog niet is ingerekend. Pas later dat jaar zal de gek die moordde in opdracht van de hond van zijn buren gevat worden. De buurt waar RZA en GZA naartoe reizen heet Sound View. Daar, in het park bij de blokken, vinden de meeste jams plaats. Benodigdheden: twee draaitafels, een mengtafel en Cerwin Vega-speakers.

Bij hoge uitzondering is er een tekstleverancier bij. Rap stelt nog geen hol voor, en de mensen komen om te dansen; een enkeling maakt bij de breaks die worden ingeritst achterwaartse salto’s of staat op zijn hoofd. De terugreis is voor de twee kereltjes een zaak van kicking rhymes back and forth. Bij thuiskomst wacht moeder met de deegrol.

Hoe ik dat allemaal weet? Voor een groot deel omdat ik naar deze tekenfilm uit 2012 heb zitten kijken:
 

 
De plaat ‘Liquid swords’ begint met een lange sample: ‘When I was little, my father was famous. He was the greatest samurai in the empire and he was the shogun’s decapitator. He cut off the heads of 131 lords.’ Het is het begin van ‘Shogun assassin’, een van de vele Aziatische martial artsfilms die RZA, GZA en Ol’ Dirty Bastard van de Wu-Tang Clan in hun tienerjaren gaan bekijken in een morsig krot van een cinemazaal op 42nd street – een straat waar in die tijd voor de rest alleen porno draait.

Wat ik eigenlijk tot zowat een jaar geleden van martial arts wist? Concreet? Niks. Verder? Dat veel oosterse vechtsporten iets met samoeraimoed, -trouw en -zelfopoffering te maken hebben. Tot lang na 1867, als de laatste shogunkeizer is afgezet (en samoeraikrijgers niet meer nodig zijn) blijven ze een inspiratie voor soldaten, zeemannen, kamikazepliloten en Wu-rappers. Een samoerai leeft volgens een code: hij maakt zijn familie niet te schande door te liegen, te stelen of weg te rennen tijdens een gevecht, hij zet altijd een stootplaat op zijn zwaard om te voorkomen dat hij zijn hand verwondt, hij leert vooruit te denken en zijn tegenstander te snel af te zijn via traditionele bordspellen, en als hij gewond is en er geen dokter in de buurt is, dept hij zijn wonden met opgewarmde urine. Voor u mij beschuldigt dit netjes uit Wikipedia te hebben gekalkeerd, dat is volstrekt niet waar. Bronvermelding: ‘Wees blij dat je geen samoerai bent!’ Ondertitel: ‘Een levensgevaarlijke loopbaan die je beter niet volgt’. Tekst: Fiona Macdonald. Illustraties: David Antram. Oorspronkelijke titel: ‘You Wouldn’t Want to Be a Samurai!’ Plaats in de bibliotheekrekken: weetjesboeken voor de jeugd die naar de basisschool gaat.

Maar een tijd geleden besluit ik dus ‘Shogun assassin’ voor het eerst te bekijken. Goeie film, eigenlijk. Waarom waren die Hong Kong flicks een jas die de jonge hiphoppers als gegoten paste? Speciaal willen doen? Zal er voor iets tussen zitten. Escapisme? Geen volledig antwoord. RZA en GZA vertellen dat er in de wereld waarin ze opgroeiden op school en in films en boeken alleen Amerikaanse geschiedenis was, en dat de zwarte geschiedenis daarin begon in het ruim van een slavenschip, tijdens een enkele reis naar de States. Het enige dat ze buiten dat blanke Europees-Amerikaanse verhaal als slimme geeks/verzamelaars ter beschikking hadden waren mythen, de bijbel en de koran. Plots speelden daar oneindig veel niet-blanke acteurs, in een decor dat ze nog nooit hadden gezien, in een tijdskader van eeuwen voor de Verenigde Staten werden opgericht, en ze leerden hen via vecht- en denksport nog weerstand te ontwikkelen ook.
 

 
Dus! GZA en RZA gaan op 42nd Street naar kung fu flicks kijken. Via de zeer grappige film ‘Drunken master’ (waarin iemand in dronken toestand op topniveau leert boksen), leerden ze ook omgaan met hun bizarre neef Ol’ Dirty Bastard, die ondermeer hun beatboxer was. U weet wel: ‘Pv zk pv pv zk pv zk kz zk pv pv pv zk pv zk zk pzk pzk pvzkpkzvpvzk kkkkkk bsch’. Maar de man kan ook een behoorlijk stukje rappen, zij het vaak met één ding in gedachten: een bubble butt ter grootte van een paar watermeloenen. Volgens mij bestreed Dirty op de duur elke nieuwe katerdag van zijn korte leven met een ‘Drunken master’-imitatie. Zijn leven moet zijn voorbijgeflitst als de wu-wu-wu-wind van het zwiepen van het zwaard dat op 13 november 2004 zijn nek raakte.

In 1995 is het Wu-Tangdebuut twee jaar oud. ‘Protect ya neck’ komt eruit. Zowat iedereen heeft een strofe afgedwongen als RZA een level hoger rapt (‘My clan will increase like black unemployment’) en aan GZA vraagt: ‘Take us the fuck outta here’. Eenmaal voorbij die rode loper begint GZA over platenlabels die slechte rappers naar voren schuiven, zwarten tegen mekaar opzetten, schimmige deals sluiten (‘they money’s getting stuck to the gum under the table’) en artiesten arm achterlaten met ‘short arms and deep pockets’: een typevoorbeeld van de beknopte stijl die GZA ook huldigt als hij elders rapt: ‘Make it brief son, half short and twice strong’. In ‘Protect ya neck’ maakt hij van een terloopse vraag (‘Wie is je A&R-man?’) de essentie: ‘A mountain climber who plays electric guitar’; een beetje straffer dan gewoon whitey zeggen. Ik stel me die blanke A&R-bergbeklimmer trouwens met een paardenstaart voor.
 

 
Geïnspireerd door George Clinton (die twee groepen had, Funkadelic en Parliament) en Prince (met al zijn nevenprojecten stijl The Time en Vanity 6) sluit RZA voor alle Wu-soloplaten afzonderlijke deals. Ze komen allemaal bij een andere firma uit, en binnen al die firma’s droppen ze hun eigen mannetjes, die geen bergbeklimmers zijn met een elektrische gitaar. Op al die soloplaten doet vervolgens de hele Clan mee. Ol’ Dirty en Method Man hebben op die manier al succes. ‘Only built for Cuban linx’ van Raekwon (de titel betekent ‘Alleen bestemd voor wie Raekwon én Ghostface begrijpt’) is een rapschijf waarop de maffioso wordt uitgehangen, een stijl die zeer invloedrijk zal worden. Brengt me naadloos bij volgende vergelijking: ‘Only built’ is ‘The Sopranos’ van het genre, ‘Liquid swords’ het 1000 keer betere ‘The wire’.

De serie ‘The wire’ heeft een prachtige openingsscène die ik eerst niet begreep. Een stroom bloed op het beton kleurt zwaailichtblauw. Er ligt een lijk. Kinderen (wier ouders zich waarschijnlijk ver buiten camerabeeld bevinden) kijken toe; ze zijn alles behalve verbaasd. De blanke – sorry, Ierse – detective zit op de trappen van een leegstaande, dichtgetimmerde woning – een ideale stapelplaats voor lijken, zullen we veel later leren. Naast detective McNulty zit een zwarte kerel die de flikken informatie zou kunnen geven, maar als er één ding is dat hij zich niet kan permitteren is het klikken. De detective weet dat. Hij is good pooo-lice! En hij krijgt uiteindelijk een kleine snottepiet losgepeuterd. De vermoorde kerel bleek bij een dobbelspel altijd te wachten tot er veel geld op de grond lag, en ging er dan mee lopen. Hij heette Snotty, of Snotboogie. Als Snotty ermee weg kwam, was het geld van hem. Meestal kreeg hij een pak slaag. Maar nu heeft iemand Snotty gemold. De jongen vindt dat niet correct. Maar klikken is nog minder correct. In zijn hoofd zit een universele morele code, een ‘gij zult niet doden’. Om te overleven moet hij de code van de straat belangrijker vinden: ‘gij zult niet klikken’. Het hoofdpersonage van ‘The wire’ is the game, en bij uitbreiding de hele parallelle misdaadeconomie – inclusief witwasserij en corrupte flikken, politici en zakenmensen. Dat de eerste toonaangevende minuten die game verbeelden via een simpel dobbelspel is van een genialiteit… en zet de toon voor een DVD-serie die… enfin, als u er een betere kent, laat het me weten.
 
image
 
Op een verwante manier is het begin van ‘Liquid swords’ het DNA van de hele plaat. Het kind uit de ‘Shogun assassin’-film vertelt dat zijn moeder wordt vermoord door de ninjas van een paranoïde shogun, en dat zijn vader – die nu samoerai áf is, en transformeert in een op wraak beluste moordenaar – moet vluchten. Het kind gaat mee, zit in een karretje en leert tellen aan de hand van de moorden die zijn door ninjas op de hielen gezeten vader pleegt.

Geheel terzijde: moeder dood, vader en zoon in een zeer precaire situatie, waar heb ik dat nog gelezen en gezien? ‘The road’ van Cormac McCarthy, dat ook uitstekend verfilmd is.
 
image
 
image
 
Er zit dit keer geen met trillend geluid zingende viool boven de vocale martial artssample, en ook geen met een slide bespeelde gitaar. Er is geen gepitchte gospelstem, geen brekend glas, geen geluidje uit een Atari-game, geen musique concrète. De demonisch ronddwalende synth komt gewoon uit de film zelf. Er is door RZA gewoon wat geknipt en verplakt, en een beetje Wu-ruis toegevoegd. RZA rapt dat er terug wordt geflitst naar de bron, het moment ‘when the mc’s came to live out their name’.

Als GZA met hem het refrein inzet, wordt RZA’s favoriet gesampled: Willie Mitchells ‘Groovin’. Mitchell maakte een paar uitstekende singles, werd baas van Hi records en schonk ons vanop de producersbank ooit Al Greens geweldige lp ‘Let’s stay together’: dat is niet niks. De fantastische groove is nu gelegd. Het moment waarop het estafettestokje aan GZA kan worden doorgegeven zoals het Coltrane Quartet het aan de wondersaxofonist doorgeeft, is aangebroken. Een uitstekend moment om de plaat van A tot Z te beluisteren, en dat kan hieronder.
 
http://www.dailymotion.com/video/xzobfj_gza-liquid-swords-1995-full-album_music
 
GZA’s trein is amper vertrokken, en de hiphopconcurrentie gaat er meteen aan: dat iedereen oud en out is als een soort sneakers rijmt op ‘their lyrics are weak like clock radio speakers’. GZA’s sound trekt je door een trechter, en die ‘funnel’ rijmt op ‘So deep it’s picked up on radios in tunnels’.

Uitmuntende braggadocio, maar GZA heeft blijkbaar weinig zin om in zijn eigen songs te blijven verschijnen. Hij wil zelfs niet gewoon een stadsscan maken, maar het over geglobaliseerde misdaad hebben. Ook de samoeraifantasie is prachtig. De kruipende baby uit ‘Shogun assassin’ moet kiezen tussen bal (dood naast de moeder achterblijven) en zwaard (met vader meegaan op een zakenreis waar veel doden zullen vallen): ‘You don’t understand my words, but you must choose. So… come boy, choose life or death’. Daarna begint ‘4th chamber’, de meest met rock gelijklopende song.
 

 
En toch is die martial arts slechts een soort schaduwwereld, niet de echte wereld waarin gasten crack verkopen, met een prothese vol drugs door de douane raken, als dealers on them corners hun territorium afpissen. In ‘Gold’ staat zo’n dealer onder een brug te wachten tot de trein die eroverheen gaat genoeg lawaai maakt om een indringer van de concurrentie om te leggen. Hij weet dat de flikken hem afluisteren, en hij weet zelfs waar en hoe: ze hebben de microfoon opgesteld onder de dekens van de dakloze op de bank. ‘The wire’? ‘The wire’!

Dus. Stad: New York. Genre: hiphop. Sfeer: Grimmig. Hoekig. Kort. Gevat. GZA over oosterse vechtfilms: ‘Het gaat ‘m om details, niet om de allesoverheersende actie. In goeie kungfufilms gebruiken acteurs amper hun fysieke kracht, en toch blijft het boeiend. Omdat het vooral strategische gevechten zijn. In rap draait het ook om dat klein beetje ruimte dat je krijgt en waarin je een sterke indruk moet nalaten.’

GZA krijgt overal net genoeg ruimte in met RZA-samples volgeflipte tracks. Hoe ‘Trouble, heartaches and sadness’ van Ann Peebles hier ergens valt, en songs van Baby Huey en Donny Hathaway tussenkomen, hoe in ‘Shadowboxin’ via ‘You know my steez’ en ‘Loungin, son’ Gang Starr wordt geëerd. RZA is hier op de top van zijn kunnen én van zijn willen.

Veel plaatsen delict op ‘Liquid swords’. Veel geel afzettingslint ook. Zeer weinig fuck hier en bitch daar. Er komt een ‘bitch’ voorbij als Inspectah Deck kleine drugdealers beschrijft: ‘Building lobbies are graveyards for small-timers / Bitches caught in airports, kis in they vaginas’. Kis, dat zijn kilo’s cocaïne. Een vagina is een opening waar een baby doorheen kan, dus kan er ook een zak drugs in.

De context waarin de tweede ‘bitch’ valt, is als een gangster wil uitleggen dat hij een nieuw drugcontact heeft om nog meer miljoenen te scheppen: ‘To catch more mil’s / Than ho-bitches got birth control pills’.

Weinig ‘fuck’ ook, al doet Method Man hier en daar mee en die kan moeilijk zonder dat woord: ‘I don’t give a cotton-pickin’ fuck’ is een zeer goeie Method-bal. Eentje van GZA: ‘Nigga missed a wedding, late a fuckin’ half hour’. Uitleg: voor de maffiaman die een half uur te laat komt op een trouwfeest is het leven eigenlijk al afgelopen. Een uitleg die ik via rapgenius.com rechtsreeks van GZA zelf heb; hij vult overal de commentaren op zijn teksten aan.

Onthou ook dat Inspectah Deck hier ergens een waarheid rapt: ‘Life is a script, I’m not an actor but the author / of a modern day opera, where the main character / is presidential papers, the dominant factor’. Presidential papers? Papier met presidentenhoofden op. Dollars is inderdaad het correcte antwoord.

De skit die ‘Killah Hills 10304′ inleidt gaat over een verklikker, in de song wordt in Thailand geladen, via Costa Rica witgewassen. Er worden ook rechters gechanteerd door hen niet alleen foto’s van hun in bad zittende vrouwen toe te sturen, maar ook een koffer geld met daarbij de boodschap ‘Aannemen of zelfmoord plegen’: het idee is uit het echte leven van de schurk Pablo Escobar gepikt.

In datzelfde ‘Killah Hills’ verzint GZA een Pakistaan die op z’n 11e geïnitieerd wordt als terrorist, en die bommen in kurken van champagneflessen monteert. Het woord ‘champagne’ rijmt op ‘when niggas popped the cork, niggas lost half their brain’. Het is feest, en net dan knalt de champagnekurk iemands kop eraf: da’s bijna zo straf als die filmscènes met een kettingzaag bij de douche en een paardenkop in bed. De song krijgt in de haven een open einde: ‘Four hundred barrels of ether / two hundred pounds of reefer / and 50 immigrants with fake visas’. The saga continues indeed!

Op oudejaarsavond begint een indrukwekkend snipergevecht in ‘Cold world’ (‘It was the night before New Year and all through the fuckin’ projects / not a handgun was silent, not even a Tech’) waarvan ik ondertussen de zichtlijnen ken zoals mensen die met kleine soldaatjes in de weer zijn het belegerde gebied van de slag bij de Somme kennen.

Het landschap van ‘Cold world’ is de indrukwekkendste uit samples opgetrokken RZA-wereld. Komen voorbij: een lyric van Stevie Wonder, een detail van Frank Zappa, een strijkje uit de soundtrack van ‘The ten commandments’ en dramatische percussie van na een regenintro van The Dramatics. Aan het eind zit – net voor Stevie Wonder weer invalt – een sublieme vocal van DeBarge.

De battle of Brooklyn die via een nieuwsuitzending de song ‘Investigative reports’ inleidt, is er één uit 1777 (!) met Hessische huurlingen die aan de kant van de Britten vochten en die in de slag van Long Island 3000 doden maakten. Gebeurde bij wat nu Prospect Park is, plek waar een aantal Wu-leden hun wieg hadden staan. Indrukwekkend hoe dat metalige reportagestemmetje eerst zegt: ‘Soldiers killed 3,000 men, much of the fighting took place in what is now…’, waarna U-God als reporter ter plaatse bericht over de oorlog die in 1995 in Prospect Park woedt: ‘Crack patients / dime smokers… / burnt buildings / save the children / investigative reports’.

Ook in al de rest worden de zenuwen van hiphop blootgelegd, wordt vanbinnen iets uit de hengsels gelicht, wordt aan de buitenkant ook de achterkant van de big apple geschilderd; nu zit ik hier zelfs Paul Cézanne te samplen.

image

Ach, GZA/Genius. Ook zijn latere raps geven, net als die van BZA van ’t Hof van Commerce (een ode uit Izegem), stroomstoten van onderdduz’nd ampère. Alleen zijn RZA’s beats, overzicht en samples er dan niet meer bij, en dat scheelt een slok op de borrel. In een solomeesterwerkje van 2001 zit het stemmetje van GZA’s zoon in de intro: een Chinese jonk bracht zijn zwaardvechtende vader GZA in de zomer van 1977 van Shaolin naar de plek ‘where many say this art form started’. Op de boot werd de tong, het zwaard van de rapper, gescherpt door te oefenen met bevriende MC’s, ‘preparing for the battles that were soon to come’. Top!

Legendarische momenten met de hele Clan volgen ook. In 1997 is de fantastische beginstrofe van ‘Reunited’ van GZA. In ‘Protect ya neck (The Jump Off)’ van 2000 heeft hij het in de laatste 100 meter over de zwarte atleet Jesse Owens, die voor de ogen van Hitler in het Berlijn van 1936 vier keer olympisch goud haalde, ook op de 4 x 100 meter estafette: ‘Run on the track like Jesse Owens / Broke the record flowin, without any knowin / That my wordplay run the 400 meter relay / It’s on once I grab the baton from the DJ’. GZA pocht hier dat hij de job van Owens vervolmaakt door met zijn dream team ook de 4 x 400 te winnen. En ik moet ‘em slechts brons overhandigen.
 
image
 
Wu-Tang Clan! ‘Lyrical sorcerors right here, the fathers, the cream of the crop, son’. Absoluut, maar ik val in herhaling. En het ging trouwens over GZA. In ‘I gotcha’ back’ rapt hij: ‘My lifestyle was so far from well / Coulda wrote a book with a title ‘Age 12 and goin’ through hell’. Boodschapje doorgekregen via een neef, wiens vader toen in de bak zat. Twee andere neefjes deden mee in de video. Ze weten ondertussen zelf wat een gevangenis is. Tot dat soort ‘kleinigheden’ had GZA/Genius zich kunnen beperken. Zijn hart, ambitie en talent mikten veel, veel hoger, waardoor hij in deze Honderd brons haalt. Ik zou hem proficiat kunnen wensen, maar ik wil de man vooral bedanken.

Wat! Een! Plaat!
 

 

 

D-Es-C-H

 
image
 
Dmitri Sjostakovitsj
Strijkkwartet n° 8
1960

 
 
 

Wat heb ik ter hoogte van nummer 28 en de zeer succesvolle Leningradsymfonie uit 1941 geleerd? Dat Dmitri Shostakovich een kop heeft die aan vijf bladzijden straf doet denken en dat je zijn familienaam ook als Sjostakovitsj mag schrijven, bijvoorbeeld.

Wat moet ik hiér eerst vertellen? Dat wereldoorlog II voor de Russische componist heeft geduurd van 1936 tot 1953. 1936 omdat vanaf dan elk nachtelijk moment dat van de klop op de deur kan zijn – voor een paar miljoen Sovjets de weg naar de Goelageindhalte. 1953 omdat in dat jaar de paranoïde dictator Jozef Stalin, aanrichter van al die ellende, sterft.

Maar terug naar het begin van de jaren 40. Sjostakovitsj is populair. Hitlers Blitzkrieg stoot op serieus Russisch weerwerk. Er wordt van de componist een 8e symfonie verwacht. In 1943 komt die er.

De fenomenale motorritmes van het Allegro non troppo uit die 8e, da’s wat mij 10 jaar geleden naar Sjostakovitsj heeft getrokken.
 

 
Er zit nóg veel wrangs in de zeer knappe 8e – droge trommelslagen bijvoorbeeld die je doen denken: zo klinken kogels echt, of een fenomenale hoornsolo na oorlogsgedreun – maar ik tel nul heroïsche momenten, de grondtoon is somber en contemplatief. Het Sovjetbewind kon er in 1943, jaar waarin de kansen voor de Ruskis begonnen te keren, en de wanhoop eindelijk omsloeg in koppige vastberadenheid, vanuit propaganda-oogpunt volstrekt niks mee, en voerde ze af. Als het regime op dat moment van haar superster zegt: ‘Zijn 8e is een overpeinzing, geen inspirerende aanmoediging’, heeft het regime gelijk. Het is tenslotte 1943, en de oorlog is nog lang niet gedaan.

En dan plots wel. Stalin is overwinnaar geworden. Hij denkt: mijn bloedeigen Beethoven zit aan pompeuze overwinningssymfonie nummer 9 te werken: heroïek, tanks, hamer, sikkel, ‘tot nut van ’t algemeen’ dat rijmt op ‘één voor allen en allen voor één’.

The great dictator ziet zichzelf al in de loge zitten op de grote internationale première. Uiteraard zal hij boven het gewoel staan. Links vliegen al vanaf minuut één de strijkstokken de lucht in, rechts wiegen blazers als de Georgische graanvelden uit zijn jeugd.

Stalin oefent wat hij tegen zijn buurman zal zeggen: ‘Zó’n groot koor had nu ook niet gehoeven’. Hij droomt weg en ziet aan het eind van de rit de paukenist zweten, en voelt de finale in slow motion als papiersnippers over zich heen komen, waarna de staande ovatie natuurlijk voor hem en voor hem alleen is.

Maar vooralsnog is dit een loopje met de waarheid. Er is geen grote première van dit stuk geweest. De muziek was daarvoor te strijkkwartetklein. Als er al een solo-instrument tussen zit, is het een klein blazertje. De symfonie klokt af op 27 minuten, en is vooral gezellig. ’t Is eigenlijk een wuft tafereeltje. Een rococobriesje. Jan Klaassen is piccolospeler geworden in het leger van de gekke prins Stalin, en marcheert gezwind door speelgoedland.

De muziek van Sjostakovitsj’ 9e zal ik wellicht nooit goed vinden. Het is wel de grootste mij bekende uppercut die een kunstenaar ooit aan een dictator heeft verkocht.

Natuurlijk is Sjostakovitsj er zwaar voor gestraft, tot aan Stalins dood in 1953. Het is vooral een mirakel dat hij de dictator heeft overleefd. Om het in de stijl van de artiest droog, nuchter, cynisch en gelaten te zeggen, misschien omdat Stalin een heel klein beetje respect begon te krijgen voor zijn tegenstander.

Hoé de componist werd gestraft? Via de beproefde methode van naambekladding. Eerst mag Sjostakovitsj nog lesgeven, daarna niet meer. Hij moet, om te overleven, een loflied schrijven op Stalins herbebossingspolitiek. Als op een congres in de States een artikel in de Pravda ter sprake komt waarin Stravinsky en Schönberg ‘lakeien van het imperialistische kapitalisme’ worden genoemd, zegt Sjostakovitsj (van wie geweten is dat hij Stravinsky op handen draagt): ‘Ik ben het met de in de Pravda weergegeven mening volkomen eens’. Eerst zijn alleen zijn populaire 5e en 7e symfonie nog toegelaten werk, maar ook daarop storten zich beoordelingscommissies: een waar schervengericht zijn ze, compleet met collega’s die bereid gevonden worden om de man zelfs in die vrij patriottisch klinkende werken af te doen als formalist, ideologisch ondermijner, bourgeois en decadent kunstenaar die niet in de volksaard past.

Tussen 1945 en 1953 componeert Sjostakovitsj – naast filmmuziek vol suikerzoete, alles-gaat-prima-in-de-beste-der-wereldenpropaganda – een paar goeie strijkkwartetten. Er is ook ’24 preludes en fuga’s’, wonderlijke klanken die in de ruimte oplossen, een Das Wohltemperierte Klavier voor een wereld die gewend is geraakt aan muziek bij stomme films en tramgeluiden. Glenn Gould zonder geneurie mag ook. Sjostakovitsj’ verzet zit in die jaren in kleine dingen.

In 1948 wordt de componist samen met onder andere Prokofjev en Chatsjatoerjan officieel verketterd omdat ze ‘om de vorm’ schrijven en niet ten dienste van het communistische ideaal. De Sovjet-Unie wordt in dat jaar ook geteisterd door zéér, zéér ernstige antisemitische directieven van de partijtop. Sjostakovitsj bewerkt uitgerekend in dat jaar joodse volksliederen, een werk dat hij moet wegstoppen in de lade en dat pas in 1955 voor het eerst zal worden opgevoerd.

Dus: de man is eerder een overgevoelige ziel dan de Sophie Scholl van het anti-Stalinisme. Tja. Als hij dát soort verzet had uitgeprobeerd, was zijn laatste uur al in 1936 geslagen. Sjostakovitsj overleeft. Hij zetelt zelf in die akelige beoordelingscommissies. Hij weet dat hij soms een beetje de toeter van de dictator moet zijn, en daarna weer kans maakt in ongenade te vallen.

Hij moet zich, al kettingrokend en zijn neus optrekkend om zijn bril op te houden, hebben afgevraagd wat er ging komen in 1953, toen Stalin stierf, maar niet te lang, want symfonie nummer 10, die in dat kanteljaar zelf zó snel wordt gecomponeerd dat ze op z’n minst al in z’n hoofd moet hebben gezeten, is opnieuw een kopstoot. Hoe hij laat horen dat zijn ruggengraat niet is gebroken: door de dictatuur in z’n hardheid en ellende te toonzetten, en aan het eind van deel 3 eerst schuchter, maar in het afsluitende vierde deel zeer nadrukkelijk zijn handtekening te zetten. Letterlijk, dan. Het in de eindsprint triomfantelijk doorklinkende DSCH-motief bestaat uit de noten D-Es-C-B die in het Duits als D-Es-C-H geschreven worden (D. Sch. is ook de Duitse spelling van zijn initialen).

Deze man zegt in zijn 10e symfonie twee dingen: 1. De tiran is dood 2. ‘I am somebody’. In de finale van de 10e zit de eerste D-Es-C-H verstopt op 2’20”, net voor de pauken. De blazers spelen er één op 2’56”, op 3’15” en op 3’41”. Daarna volgen er nog een paar, en aan het eind zit een half leger van die rakkers.
 

 
Een paar jaar later volgt het voor Mstislav Rostropovitsj geschreven, fenomenale eerste celloconcert uit 1959. Opnieuw dat DSCH-monogram, dit keer meteen van bij de start:
 

 
Ook het 7e strijkkwartet uit 1960 is knap: twee nerveuze buitendelen en een diep nadenkend middenstuk dat bij momenten klinkt als minimal music avant la lettre.
 

 
’t Zijn meesterwerken die doen vermoeden dat het met Sjostakovitsj goed gaat en dat ook de dooi onder partijleider Nikita Chroesjtsjov hem artistieke vrijheid schenkt. Dat lijkt alleen zo. Ook Chroesjtsjov verplicht Sovjetkunstenaars het Sociaal Realisme te omarmen. Ai!

Een andere zware klap: in 1960 wordt hij verplicht lid te worden van de communistische partij, volgens een van zijn kinderen een van de zwartste momenten in zijn leven. Een wereld van congressen lonkt daardoor, dat wel, maar in de Pravda verschijnen bijvoorbeeld plots door hem gesigneerde stukken die hij nooit heeft geschreven.

Zijn tweede huwelijk loopt ook op de klippen, en hij mist zijn zes jaar eerder overleden eerste vrouw, een belangrijker muze. Zijn hand schiet al eens in een kramp, het heeft met een ziekte te maken die later erger zal worden, maar dat weet hij nog niet.

Hij bezoekt Dresden, waar een film gedraaid wordt die hij van muziek moet voorzien. Als u over het door de geallieerden gebombardeerde Dresden ooit kernwoorden moet verzamelen om zoveel mogelijk seconden over te houden, zeg dan snel na mekaar ‘luguber afschrikkingsexperiment’, ‘brisantbommen’ ‘tapijtbombardementen’, ‘vuurstorm’, Bomber Harris en Kurt Vonneguts meesterlijke roman ‘Slachthuis vijf’. In dat Dresden komt Sjostakovitsj het 8e strijkkwartet aanwaaien, dat hij in drie dagen schrijft.

Een canon van D-Es-C-H-handtekeningen klimt vanuit de cello naar boven en fragmenteert. Dit is niet meer de van zelfvertrouwen glimmende componist van de 10e symfonie. Deze man vraagt zich af: wie is die D-Es-C-H of D.Sch. eigenlijk? Hij doet het voor de spiegel, met een open scheermes in de hand.

Wat hoor ik als die somberte in het opgejaagd tempo van de allegretti overgaat? Ook prachtig bijna-samenspel met af en toe echte solomomenten voor cello en eerste viool, en één keer de spots op de altviool. Meedogenloze accenten. In deel 2: dat ik een metalplaat op 2 heb gezet. In deel 3: Joodse folk met een grote J. Overal: muzikale citaten die snel en strak in de mix gegooid worden. ’t Is vooral eigen werk dat Sjostakovitsj inlast. En hij citeert werken die hem veel applaus opleverden, zoals de 1e en 5e symfonie en de Lady Macbeth-opera.

’t Zou kunnen zijn dat hij denkt: waarom mocht ik niet gewoon topcomponist zijn? ’t Zou, in het citeren van eigen werk, om een pastiche kunnen gaan. ’t Zou verdriet over zijn dode ex-vrouw kunnen zijn, zelfhaat vanwege die partijlidkaart, melancholie na het zien van de vernielingen van het bombardement van Dresden, terugdenkend aan Stalin- én Hitlerellende.

In een brief aan een vriend schrijft hij: ‘Niemand gaat een eerbetoon aan mij maken, daarom doe ik het zelf.’ Mensen hebben daar een zelfmoordbrief in gelezen. Misschien! Al van droge humor gehoord? Van één ding ben ik zeker: het 8e is een autobiografisch kwartet.

Deel 3 loopt in een drone van de eerste viool over naar deel 4, waarin de andere instrumenten brutaal een hakbijl planten. Je kan er een KGB-klop op de deur in horen, de Hitleraanval op Leningrad, een brisantbom op Dresden, …

Hét terugkerende conflict tussen componist en regime is altijd geweest dat muziek die open was voor interpretatie verdacht was. Het regime vroeg steevast een ideeënschets, een tekst, een opdracht voor in het programmaboekje.

Neem nu het overbekende bolero-achtige begin van de 7e (oorlogs)symfonie. Zelfs daar zijn beoordelingscommissies zich jaren later kritisch over gaan buigen. Sjostakovitsj heeft zelf nooit de bezwerende beginmars aan de fascistische belegering van Leningrad toebedeeld. Het regime wel. Net daarom vonden ze de tragische vertwijfeling van de rest van het werk maar niks: ze hadden liever Russische heroïek gehoord. Hun kritiek: ‘Krachten die tegenover die fascistische apenmars worden gesteld, zijn er niet. Sjostakovitsj had melodieën van de USSR-volkeren moeten samensmelten om weerwerk te bieden. Nu blinkt het werk vooral uit door de onheilspellende gestalte van het fascisme te verbeelden.’ Terwijl de vraag is: Waarom had Sjostakovitsj gemoeten? En wat?

Ik hoor in de 7e symfonie van 1941 een volk dat al kapot is van Stalins waanzin en Hitler die het alleen nog veel erger komt maken. En ik hoor in het 8e strijkkwartet persoonlijker verdriet, een man die uitgeput is door de harde gevangenschap, tired of the same old blues. Waarom dan een energiek, soms vrolijk tussenstuk? Ik moet iets zeggen dat ik al eens gezegd heb: zijn grote talent is: de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen.

Aan het eind belandt het 8e kwartet trouwens opnieuw op de bodem, en gaat het diminuendo over in een soort ‘Gloomy Sunday’. U mag van mij natuurlijk aan het eind ook gewoon zachter gespeelde strijkers horen. En er nu een biertje bij nemen. Want hier is hij dan, in zijn geheel, mijn nummer 2:
 

 
Hoe het komt dat dit persoonlijke en alles behalve sociaal-realistische strijkkwartet in die jaren kon verschijnen en succesvol worden? Omdat het regime er ‘Voor de slachtoffers van fascisme en oorlog’ boven zette. In volle koude oorlog – de muur rond Berlijn komt eraan, de oude vijand Duitsland is lid van de NATO en hun minister voor defensie Franz-Josef Strauss niet meteen een vredesduif – wordt de componist opnieuw voor de kar van de Sovjetpropaganda gespannen, als om te zeggen: ‘Wij zijn de goeien’. Dat Sjostakovitsj als componist embedded was, is een verhaaltje dat in het westen jarenlang door iedereen is geloofd, en dat is niemands fout.

Sjostakovitsj komt in de jaren die volgen ietwat tegemoet aan het regime, maar op de maten van zijn 13e (joodse) symfonie slaan die fuckin’ apparatsjikpoppen opnieuw wild aan het dansen.

Dmtri Sjostakovitsj verdient een paar minuten applaus, waarbij uiteraard mag worden rechtgestaan. Ik geef de man ondertussen zijn welverdiende zilveren medaille. En hij heeft nog een kort bisnummer zitten.