Stadsruïnes

 
image

 
image
 
Joy Division
Closer
1980

 

Joy Divisiontussendoortjes en -achterafjes als ‘Atmosphere’, ‘Autosuggestion’, ‘Dead souls’ en ‘Love will tear us apart’, het zijn allemaal uitstekende songs uw aandacht waard. Zelfs de prille Joy Division is interessant: ‘Novelty’ zit nog vol Sex Pistols (de groep werd aan de toog na het eerste Pistolsconcert in Manchester opgericht), ‘Something must break’ wijst al vooruit naar een Bauhausplaat van niet veel later.

Maar, maar en nog eens maar: zoals er drie Jimi Hendrixplaten zijn en de rest op z’n best wordt bijeengesprokkeld om iets onder de kerstboom te leggen, zo zijn er twee Joy Divisionplaten. Ze heten ‘Unknown pleasures’ en ‘Closer’. Ze staan alle twee in Honderd. ‘Unknown pleasures’ staat op 18, ‘Closer’ op 4.

De songs van ‘Closer’ komen recht uit Schemerland. Ze knippen als kattenogen aan op het moment dat ook de lichtjes in de huisjes worden aangestoken. Ze blazen soms warm en koud. Ze hebben na een tijd op de fiets nog last van bevroren handen en voeten terwijl de rest van het lichaam al aan het zweten is.

Daar is een technische verklaring voor. Sommige danserige synthgeluiden, de drums die een veelheid van ritmes in geduwd worden, de bas die zeker niet minder dan op het debuut ‘Unknown pleasures’ vooraan wil staan en de soms heel afwezige en dan weer harder uithalende gitaar, ze komen meestal veel minder uit de verte en uit de donkerte dan de baritonstem van Ian Curtis, een man die op ‘Closer’ een indrukwekkend curriculum van ontgoochelingen heeft opgebouwd.

Soms schuren die werelden over elkaar als verschuivende aardlagen. In de twee afsluiters vloeien Curtis en groep samen, maar dan aan de Curtiskant van ongevoeligheid voor het laatste beetje optimisme. Curtis horen zingen is je afvragen: ‘Hoeveel Danteske hellekringen heeft die man achter de rug?’ En dat terwijl hij geeneens ‘op het midden van zijn levensweg was aangeland’, zoals Dante Alighieri toen hij aan zijn Inferno begon. Curtis bevond zich wel ‘in een zeer donker woud’ en was ook in zekere zin ‘van het rechte pad afgeweken’.

’t Is in ’s mans teksten niet echt een kwestie van de wagen des doods door de stad weten rijden en het gebeente horen rammelen. De horror zit veel inwendiger. Het boek ‘The atrocity exhibition’ van J.G. Ballard is perfecte inspiratie, en een goeie titel voor de opener van ‘Closer’. Een directeur van een psychiatrische inrichting doet in het Ballardverhaal verslag van zijn eigen mentale instorting. Of doet iemand anders verslag in zijn plaats? Iemand schreef erover: ‘Is dit louter het falen van de in mentale stoornissen gespecialiseerde dokter of eerder dat van de collectieve wereld, die vanaf 1970 permanent aan sensatiebeluste media is blootgesteld?’ Komen veel aan bod: Marilyn Monroe, de Zapruderfilm van de moord op president Kennedy, oorlogsreportages uit Vietnam en de bom op Hiroshima, allemaal beelden waardoor het hoofdpersonage is geobsedeerd, en die worden beschreven als sleutels tot een nachtmerrie waarin we allemaal een rol spelen. Wereldoorlog III is ondertussen een ‘conceptuele act’ geworden, want ‘de beelden zouden weleens een heel andere rol kunnen spelen dan we denken’. En dan zijn we nog maar aan het begin. Ik heb het boek niet uitgelezen, ik heb de film uit 2000 in de DVD-speler gestoken, maar die film volgt het boek zo nauwkeurig in z’n gedeconstrueerde verhaallijnen dat ik opnieuw niet veel kreeg samengepuzzeld. Waar het me om gaat: uitgerekend dat boek stond in de tienerkamer van Ian Curtis.
 
image
 
image
 
Curtis’ tekst is overigens een nog letterlijker Tentoonstelling Van Verschrikkingen: ‘Asylums with doors open wide / Where people had paid to see inside / For entertainment they watch his body twist / Behind his eyes he says, ‘I still exist.’
 

 
De uitwaaierende Can-ritmes van Stephen Morris hebben in ‘Atrocity exhibition’ meteen meer ruimte nodig dan op het debuut ‘Unknown pleasures’, de bas van Peter Hook is solider, de gitaar van Bernard Sumner maakt op die grotere schaal grotere vlekken, de vertraag- en weerkaatseffecten van producer Martin Hannett kruipen veel meer in de muziek dan op het debuut.

Tegelijk is de tweede plaat natuurlijk niet zó verschillend van de eerste. ‘Isolation’ is de dansante partner van ‘She’s lost control’: de synths zijn ogenschijnlijk eenvoudig, de beat die 1’44” ver invalt is nog simpeler, maar noem mij één jaren 80-single van eender welke Grauzone, Gang Of Four of Orchestral Manoeuvres In The Dark die in de buurt komt. Hoe het isolement in de tekst verbeeld wordt? Via ‘Surrendered to self-preservation / From others who care for themselves’. Mogelijk ook via ironie: de tekstschrijver geeft zichzelf aan het eind een prijs.
 

 
Ondertussen dendert de plaat door. ‘Closer’ is zeer zompig in de bas (‘Passover’, ‘A means to an end’), wordt een wriemelende, dichtbevolkte wereldstad van bassen, drums en gitaren (‘Colony’) en loopt vooruit op het hardere geluid van groepen als The Wipers en Hüsker Dü van een paar jaar later (‘Twenty four hours’). De song met ‘Heart and soul / One will burn’ is een meesterwerkje dat op subliéme wijze alle ritmische kanten uit hinkt en struikelt.
 

 
En dan is er het deprimerende einde. ‘The eternal’ is een rouwstoet in tekst én klank. Producer Martin Hannett moet hier geroepen hebben: ‘Nóg een pot chrysanten.’ In de tekst gaan geliefden weg en liggen bloemen in de regen. Van achter een hek kijkt de hoofdpersoon – kennelijk versuft door het vreselijke lijden dat hij onderging – naar mensen die als wolken voorbij trekken. Troostelozer dan hier wordt het niet: klinkt alsof heel de groep eerst een week lang verplicht werd non-stop naar ‘Born to be alive’ van Patrick Hernandez te luisteren.

Afsluiter ‘Decades’ is de mooiste Echternachprocessie uit de popmuziek: ‘Watched from the wings as the scenes were replaying / We saw ourselves now as we never had seen’ klinkt als een inzicht dat te laat komt, maar vooral als een laatste zicht op Schemerland van hoog in de lucht. Van hier af wordt het echt donker.
 

 
Kijk, ik wil het best hebben over de prachtige versregels vol uitgestuurde S.O.S.-jes die beginnen met ‘Existence well what does it matter?’ of ‘I never realised the lengths I’d have to go’. Natúúrlijk heeft de tweede Joy Division een graftombe op de hoes. Natúúrlijk heet hij ‘Closer’, en dat kan ‘dichterbij’ betekenen, maar ook ‘afsluiter’. Omdat de zanger zich ophing aan z’n droogrek kennen we ‘Closer’ vooral als ‘afsluiter’, en het eightiesdecennium als één dat begon met een eindsalvo.

De man die de foto voor de hoes had gekozen dacht pas ná de zelfmoord van de jonge marmeren gigant: ‘Fuck!’ Peter Hook was de eerste die eerlijk zei: ‘Wij hebben nooit naar de teksten geluisterd.’ Deze mensen hadden gewoon een tweede plaat gemaakt, en die was uitstekend, en iedereen stond stijf van de ambitie, en Curtis hing zich op, precies op de avond voor de groep naar Amerika zou vliegen. Iemand daarover: ‘We were only 24 hours from Tulsa’.

image

Beste zelfmoordprofetie-of-toch-niet-tekst: ‘The past is now part of my future / The present is well out of hand’.

Odes aan Joy Division? Massa’s. De invloed op wat na hen komt is immens, en zit overal in de kleinste kieren en gaten: in de graphic novel ‘The crow’, in de baslijnen van R.E.M., in motto’s voorin poëziebundels, …

New Ordersingles (‘Blue monday’, ‘Everything’s gone green’, het geweldige ‘Crystal’), The Cure op ‘Pornography’, flarden Interpol… ze blijven al bij al beleefde receptiebabbels vergeleken met het Joy Divisionorigineel, dat meer op een gesprek met een goeie vriend lijkt, ter hoogte van pint 4 en sigaret 3, en nog een paar uur te gaan voor de laatste trein.

Dit groepje uit de nieuwe lichting, dat soms meer als The Sound en Siouxsie and the Banshees klinkt dan als Joy Division, raakt wel een snaar. De intro is er bijvoorbeeld al boenk op:
 

 
Een raar moment is ‘The overload’, de afsluiter van Talking Heads’ ‘Remain in light’. ‘Gemaakt zonder Joy Division gehoord te hebben, afgaande op de recensies in de Britse pers’, liet de groep noteren. Ofwel compleet gelogen, ofwel is de Britse pers geniaal, want ‘The overload’ klinkt helemaal als Joy Divisions
‘I remember nothing’ uit de debuutplaat. Nu ik erover nadenk: als er niet is gelogen, is dat geen bewijs dat de Britse pers geniaal is. Het kan bovendien zijn dat er gelogen is door Talking Heads en dat de Britse pers toch geniaal is. Waarschijnlijk zijn er nog mogelijkheden.

Een heel mooie ode aan Joy Division is van het in hedendaagse klassieke muziek gespecialiseerde ECM-label, en komt van de verpakkingsafdeling. Het gaat over het Mc Donald’s-doosje (de hoes) en zelfs niet meer over de groenten en de sauzen bij de hamburger (de producer), en dus helemaal niet meer over de essentie, namelijk wat er in het vlees en het broodje wordt gedraaid (de kwaliteit van de songs).

Soit, mag ik alsnog de mensen van ECM proficiat wensen voor de grijstinten en de esthetiek die niet zomaar aan hoezen van Joy Division doen denken? ECM gebruikt in z’n logo iets dat lijkt het lettertype van ‘Unknown pleasures’, en
onderlijnt op dezelfde manier. Eens iets anders.

image

De zelfmoordmotieven van Ian Curtis zullen we uiteraard nooit kennen. Er was het drama van een man die niet kon kiezen tussen girl next door (Curtis’ vrouw met wie hij al op z’n 18e trouwde) en iemand van de jeunesse dorée (Curtis’ Belgische vriendin). De zanger werd door zijn platenfirma aan Amerika ook beloofd als een Jim Morrisonachtige sjamaan. Dat terwijl de man zich van het ene epileptische insult naar het andere sleepte, waardoor hij mogelijk niet altijd evenveel zin had in Morrisons break on through to the other side. Voor zover ik het verhaal een beetje gevolgd heb, had Curtis niet echt plannen om een grote rockcarrière uit te bouwen.

Begin 14e eeuw schrijft Dante over ‘iemand die plotseling neervalt maar niet weet waardoor’: ‘Wordt hij door een duivelse kracht op de grond gegooid of is het een lichamelijke aandoening die mensen overvalt?’ Maar laat ik het een beetje logisch houden: de allerbeste ode aan Curtis kan moeilijk uit de 14e eeuw komen. Ik kies dus voor fellow Mancunian en bizarre grappenmaker Mark E. Smith van The Fall, die twee jaar na Curtis’ dood in de eindejaarsvraagjes van een Brits muziekblad gepolst wordt naar zijn favoriete stand up comedians, en antwoordt: ‘Ian Curtis-imitatoren’.

Twee films zijn er. Anton Corbijns ‘Control’ focust in die mate op het liefdesdrama dat ik aan het eind begon over de handigheid van een droogrek dat je kan optrekken. ‘Moeten we in investeren’, zei mijn vrouw, waarna het toch nog gezellig werd.

De documentaire van Grant Gee (die ook ‘Meeting People Is Easy’ maakte over Radiohead) is veel beter. Aan het begin zegt Tony Wilson, de man die Joy Division tekende op zijn Factory Records: ‘Manchester in de mid-seventies voelde als een stuk geschiedenis dat was uitgespuwd. Het was een van dé plekken geweest waar de industriële revolutie was uitgevonden, en dus ook de uitwassen ervan. A grimy, dirty old town.’

Ik ga van Wilson geen heilige maken: de man is een haai uit de muziekindustrie zoals zovele anderen. Plus: het verband dat hij trekt tussen de big bang van Joy Division en zijn Factorylabel enerzijds en de ravescene rond Happy Mondays en de Haciendaclub van bijna 10 jaar later zou je evengoed kunnen torpederen via het verhaal van het door de stad en door Factory uitgespuwde The Stone Roses. Als u ooit één documentaire wil zien waarin de wereld van gewoon schrijnend vervaagt in In de gloria-schrijnend, en u nooit zal weten waar de grens ligt, moet u dat verhaal eens bekijken. Zeer kort samengevat: The Stone Roses werden opgelicht door een kapper. Maar The Roses waren wel dé inspiratie voor dé biggies van Manchester, Oasis, lieden die van Joy Division niet veel moeten weten, en van de boeken van Oscar Wilde die de zanger van The Smiths las nog minder.

Dus: aan de hand van popmuziek geschiedenis willen schrijven, het is en blijft een kwestie van standing on shakey ground. En toch! De documentaire van Grant Gee begint met beelden van de industriële verpaupering in Manchester, en dus van kinderen die in het gruis spelen. Bernard Sumner zegt: ‘Ik denk niet dat ik een boom heb gezien voor ik 9 was.’

Een moderner vergezicht staat voor de heropstanding van de stad. Op het scherm verschijnt: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world, and at the same time that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’

Ik laat niks meer etteren, dus ik zoek het op. De man van de quote blijkt Marshall Berman te zijn, een in 2013 gestorven New Yorkse stadsantropoloog met een zicht op de frontlinie van The South Bronx. Een film over hem toont de uitgebrande huizen van de Bronx in jaren 70. Het ooit zeer leefbare stadsdeel was in twee gesneden door de aanleg van een stadsautostrade en metrowerken. Huiseigenaars verwaarloosden hun eigendom, de middenklasse vluchtte naar de buitenwijken. Bermans stelling: ‘De gebouwen branden aan de ene kant van de straat, de kids proberen iets te maken aan de andere kant. Net uit dát halfvernielde stadsdeel komt een boodschap voor de rest van New York in de vorm van graffiti. Op die grijze, totaal vervallen metrostellen schilderen mensen exuberante letters, namen, motto’s en reliëfs. Vandaag zijn er al die films van toen. Alles is grijs. De huizenblokken zijn uitgebrand. En dan rijdt er een trein over een brug, en die ziet eruit als een regenboog. Dat is aangrijpend. De volgende incarnatie wordt rap. Het begint bij een jongen met kleine speakers en een drumtrack in de subway. Nu is het de belangrijkste vorm van wereldmuziek. Het is goed om te onthouden dat het allemaal van daar komt. Het is een parabel voor een wijk die een ruïne was geworden, maar die opnieuw opveerde.’
 

 
Ik vlucht van de parabels over de seventiesruïnes van Manchester en New York naar de realiteit van mijn lijst, want uitgerekend dié geboorte van hiphop – die inderdaad eerst via kleur kwam, en dan via klank – is in de tweede helft van de jaren 70 echt beleefd in de South Bronx, door twee neefjes die als zeer jonge knaapjes helemaal van de andere kant van de grote appel naar de block parties afreisden. Eenmaal groot en tougher than the rest maakten ze een plaat die zich naar nummer 3 elleboogt.

Besluit: de wedstrijd om de derde plaats tussen Manchester en New York was zeer spannend. New York heeft uiteindelijk brons gehaald.

image

image

 

 

D-Es-C-H

 
image
 
Dmitri Sjostakovitsj
Strijkkwartet n° 8
1960

 
 
 

Wat heb ik ter hoogte van nummer 28 en de zeer succesvolle Leningradsymfonie uit 1941 geleerd? Dat Dmitri Shostakovich een kop heeft die aan vijf bladzijden straf doet denken en dat je zijn familienaam ook als Sjostakovitsj mag schrijven, bijvoorbeeld.

Wat moet ik hiér eerst vertellen? Dat wereldoorlog II voor de Russische componist heeft geduurd van 1936 tot 1953. 1936 omdat vanaf dan elk nachtelijk moment dat van de klop op de deur kan zijn – voor een paar miljoen Sovjets de weg naar de Goelageindhalte. 1953 omdat in dat jaar de paranoïde dictator Jozef Stalin, aanrichter van al die ellende, sterft.

Maar terug naar het begin van de jaren 40. Sjostakovitsj is populair. Hitlers Blitzkrieg stoot op serieus Russisch weerwerk. Er wordt van de componist een 8e symfonie verwacht. In 1943 komt die er.

De fenomenale motorritmes van het Allegro non troppo uit die 8e, da’s wat mij 10 jaar geleden naar Sjostakovitsj heeft getrokken.
 

 
Er zit nóg veel wrangs in de zeer knappe 8e – droge trommelslagen bijvoorbeeld die je doen denken: zo klinken kogels echt, of een fenomenale hoornsolo na oorlogsgedreun – maar ik tel nul heroïsche momenten, de grondtoon is somber en contemplatief. Het Sovjetbewind kon er in 1943, jaar waarin de kansen voor de Ruskis begonnen te keren, en de wanhoop eindelijk omsloeg in koppige vastberadenheid, vanuit propaganda-oogpunt volstrekt niks mee, en voerde ze af. Als het regime op dat moment van haar superster zegt: ‘Zijn 8e is een overpeinzing, geen inspirerende aanmoediging’, heeft het regime gelijk. Het is tenslotte 1943, en de oorlog is nog lang niet gedaan.

En dan plots wel. Stalin is overwinnaar geworden. Hij denkt: mijn bloedeigen Beethoven zit aan pompeuze overwinningssymfonie nummer 9 te werken: heroïek, tanks, hamer, sikkel, ‘tot nut van ’t algemeen’ dat rijmt op ‘één voor allen en allen voor één’.

The great dictator ziet zichzelf al in de loge zitten op de grote internationale première. Uiteraard zal hij boven het gewoel staan. Links vliegen al vanaf minuut één de strijkstokken de lucht in, rechts wiegen blazers als de Georgische graanvelden uit zijn jeugd.

Stalin oefent wat hij tegen zijn buurman zal zeggen: ‘Zó’n groot koor had nu ook niet gehoeven’. Hij droomt weg en ziet aan het eind van de rit de paukenist zweten, en voelt de finale in slow motion als papiersnippers over zich heen komen, waarna de staande ovatie natuurlijk voor hem en voor hem alleen is.

Maar vooralsnog is dit een loopje met de waarheid. Er is geen grote première van dit stuk geweest. De muziek was daarvoor te strijkkwartetklein. Als er al een solo-instrument tussen zit, is het een klein blazertje. De symfonie klokt af op 27 minuten, en is vooral gezellig. ’t Is eigenlijk een wuft tafereeltje. Een rococobriesje. Jan Klaassen is piccolospeler geworden in het leger van de gekke prins Stalin, en marcheert gezwind door speelgoedland.

De muziek van Sjostakovitsj’ 9e zal ik wellicht nooit goed vinden. Het is wel de grootste mij bekende uppercut die een kunstenaar ooit aan een dictator heeft verkocht.

Natuurlijk is Sjostakovitsj er zwaar voor gestraft, tot aan Stalins dood in 1953. Het is vooral een mirakel dat hij de dictator heeft overleefd. Om het in de stijl van de artiest droog, nuchter, cynisch en gelaten te zeggen, misschien omdat Stalin een heel klein beetje respect begon te krijgen voor zijn tegenstander.

Hoé de componist werd gestraft? Via de beproefde methode van naambekladding. Eerst mag Sjostakovitsj nog lesgeven, daarna niet meer. Hij moet, om te overleven, een loflied schrijven op Stalins herbebossingspolitiek. Als op een congres in de States een artikel in de Pravda ter sprake komt waarin Stravinsky en Schönberg ‘lakeien van het imperialistische kapitalisme’ worden genoemd, zegt Sjostakovitsj (van wie geweten is dat hij Stravinsky op handen draagt): ‘Ik ben het met de in de Pravda weergegeven mening volkomen eens’. Eerst zijn alleen zijn populaire 5e en 7e symfonie nog toegelaten werk, maar ook daarop storten zich beoordelingscommissies: een waar schervengericht zijn ze, compleet met collega’s die bereid gevonden worden om de man zelfs in die vrij patriottisch klinkende werken af te doen als formalist, ideologisch ondermijner, bourgeois en decadent kunstenaar die niet in de volksaard past.

Tussen 1945 en 1953 componeert Sjostakovitsj – naast filmmuziek vol suikerzoete, alles-gaat-prima-in-de-beste-der-wereldenpropaganda – een paar goeie strijkkwartetten. Er is ook ’24 preludes en fuga’s’, wonderlijke klanken die in de ruimte oplossen, een Das Wohltemperierte Klavier voor een wereld die gewend is geraakt aan muziek bij stomme films en tramgeluiden. Glenn Gould zonder geneurie mag ook. Sjostakovitsj’ verzet zit in die jaren in kleine dingen.

In 1948 wordt de componist samen met onder andere Prokofjev en Chatsjatoerjan officieel verketterd omdat ze ‘om de vorm’ schrijven en niet ten dienste van het communistische ideaal. De Sovjet-Unie wordt in dat jaar ook geteisterd door zéér, zéér ernstige antisemitische directieven van de partijtop. Sjostakovitsj bewerkt uitgerekend in dat jaar joodse volksliederen, een werk dat hij moet wegstoppen in de lade en dat pas in 1955 voor het eerst zal worden opgevoerd.

Dus: de man is eerder een overgevoelige ziel dan de Sophie Scholl van het anti-Stalinisme. Tja. Als hij dát soort verzet had uitgeprobeerd, was zijn laatste uur al in 1936 geslagen. Sjostakovitsj overleeft. Hij zetelt zelf in die akelige beoordelingscommissies. Hij weet dat hij soms een beetje de toeter van de dictator moet zijn, en daarna weer kans maakt in ongenade te vallen.

Hij moet zich, al kettingrokend en zijn neus optrekkend om zijn bril op te houden, hebben afgevraagd wat er ging komen in 1953, toen Stalin stierf, maar niet te lang, want symfonie nummer 10, die in dat kanteljaar zelf zó snel wordt gecomponeerd dat ze op z’n minst al in z’n hoofd moet hebben gezeten, is opnieuw een kopstoot. Hoe hij laat horen dat zijn ruggengraat niet is gebroken: door de dictatuur in z’n hardheid en ellende te toonzetten, en aan het eind van deel 3 eerst schuchter, maar in het afsluitende vierde deel zeer nadrukkelijk zijn handtekening te zetten. Letterlijk, dan. Het in de eindsprint triomfantelijk doorklinkende DSCH-motief bestaat uit de noten D-Es-C-B die in het Duits als D-Es-C-H geschreven worden (D. Sch. is ook de Duitse spelling van zijn initialen).

Deze man zegt in zijn 10e symfonie twee dingen: 1. De tiran is dood 2. ‘I am somebody’. In de finale van de 10e zit de eerste D-Es-C-H verstopt op 2’20”, net voor de pauken. De blazers spelen er één op 2’56”, op 3’15” en op 3’41”. Daarna volgen er nog een paar, en aan het eind zit een half leger van die rakkers.
 

 
Een paar jaar later volgt het voor Mstislav Rostropovitsj geschreven, fenomenale eerste celloconcert uit 1959. Opnieuw dat DSCH-monogram, dit keer meteen van bij de start:
 

 
Ook het 7e strijkkwartet uit 1960 is knap: twee nerveuze buitendelen en een diep nadenkend middenstuk dat bij momenten klinkt als minimal music avant la lettre.
 

 
’t Zijn meesterwerken die doen vermoeden dat het met Sjostakovitsj goed gaat en dat ook de dooi onder partijleider Nikita Chroesjtsjov hem artistieke vrijheid schenkt. Dat lijkt alleen zo. Ook Chroesjtsjov verplicht Sovjetkunstenaars het Sociaal Realisme te omarmen. Ai!

Een andere zware klap: in 1960 wordt hij verplicht lid te worden van de communistische partij, volgens een van zijn kinderen een van de zwartste momenten in zijn leven. Een wereld van congressen lonkt daardoor, dat wel, maar in de Pravda verschijnen bijvoorbeeld plots door hem gesigneerde stukken die hij nooit heeft geschreven.

Zijn tweede huwelijk loopt ook op de klippen, en hij mist zijn zes jaar eerder overleden eerste vrouw, een belangrijker muze. Zijn hand schiet al eens in een kramp, het heeft met een ziekte te maken die later erger zal worden, maar dat weet hij nog niet.

Hij bezoekt Dresden, waar een film gedraaid wordt die hij van muziek moet voorzien. Als u over het door de geallieerden gebombardeerde Dresden ooit kernwoorden moet verzamelen om zoveel mogelijk seconden over te houden, zeg dan snel na mekaar ‘luguber afschrikkingsexperiment’, ‘brisantbommen’ ‘tapijtbombardementen’, ‘vuurstorm’, Bomber Harris en Kurt Vonneguts meesterlijke roman ‘Slachthuis vijf’. In dat Dresden komt Sjostakovitsj het 8e strijkkwartet aanwaaien, dat hij in drie dagen schrijft.

Een canon van D-Es-C-H-handtekeningen klimt vanuit de cello naar boven en fragmenteert. Dit is niet meer de van zelfvertrouwen glimmende componist van de 10e symfonie. Deze man vraagt zich af: wie is die D-Es-C-H of D.Sch. eigenlijk? Hij doet het voor de spiegel, met een open scheermes in de hand.

Wat hoor ik als die somberte in het opgejaagd tempo van de allegretti overgaat? Ook prachtig bijna-samenspel met af en toe echte solomomenten voor cello en eerste viool, en één keer de spots op de altviool. Meedogenloze accenten. In deel 2: dat ik een metalplaat op 2 heb gezet. In deel 3: Joodse folk met een grote J. Overal: muzikale citaten die snel en strak in de mix gegooid worden. ’t Is vooral eigen werk dat Sjostakovitsj inlast. En hij citeert werken die hem veel applaus opleverden, zoals de 1e en 5e symfonie en de Lady Macbeth-opera.

’t Zou kunnen zijn dat hij denkt: waarom mocht ik niet gewoon topcomponist zijn? ’t Zou, in het citeren van eigen werk, om een pastiche kunnen gaan. ’t Zou verdriet over zijn dode ex-vrouw kunnen zijn, zelfhaat vanwege die partijlidkaart, melancholie na het zien van de vernielingen van het bombardement van Dresden, terugdenkend aan Stalin- én Hitlerellende.

In een brief aan een vriend schrijft hij: ‘Niemand gaat een eerbetoon aan mij maken, daarom doe ik het zelf.’ Mensen hebben daar een zelfmoordbrief in gelezen. Misschien! Al van droge humor gehoord? Van één ding ben ik zeker: het 8e is een autobiografisch kwartet.

Deel 3 loopt in een drone van de eerste viool over naar deel 4, waarin de andere instrumenten brutaal een hakbijl planten. Je kan er een KGB-klop op de deur in horen, de Hitleraanval op Leningrad, een brisantbom op Dresden, …

Hét terugkerende conflict tussen componist en regime is altijd geweest dat muziek die open was voor interpretatie verdacht was. Het regime vroeg steevast een ideeënschets, een tekst, een opdracht voor in het programmaboekje.

Neem nu het overbekende bolero-achtige begin van de 7e (oorlogs)symfonie. Zelfs daar zijn beoordelingscommissies zich jaren later kritisch over gaan buigen. Sjostakovitsj heeft zelf nooit de bezwerende beginmars aan de fascistische belegering van Leningrad toebedeeld. Het regime wel. Net daarom vonden ze de tragische vertwijfeling van de rest van het werk maar niks: ze hadden liever Russische heroïek gehoord. Hun kritiek: ‘Krachten die tegenover die fascistische apenmars worden gesteld, zijn er niet. Sjostakovitsj had melodieën van de USSR-volkeren moeten samensmelten om weerwerk te bieden. Nu blinkt het werk vooral uit door de onheilspellende gestalte van het fascisme te verbeelden.’ Terwijl de vraag is: Waarom had Sjostakovitsj gemoeten? En wat?

Ik hoor in de 7e symfonie van 1941 een volk dat al kapot is van Stalins waanzin en Hitler die het alleen nog veel erger komt maken. En ik hoor in het 8e strijkkwartet persoonlijker verdriet, een man die uitgeput is door de harde gevangenschap, tired of the same old blues. Waarom dan een energiek, soms vrolijk tussenstuk? Ik moet iets zeggen dat ik al eens gezegd heb: zijn grote talent is: de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen.

Aan het eind belandt het 8e kwartet trouwens opnieuw op de bodem, en gaat het diminuendo over in een soort ‘Gloomy Sunday’. U mag van mij natuurlijk aan het eind ook gewoon zachter gespeelde strijkers horen. En er nu een biertje bij nemen. Want hier is hij dan, in zijn geheel, mijn nummer 2:
 

 
Hoe het komt dat dit persoonlijke en alles behalve sociaal-realistische strijkkwartet in die jaren kon verschijnen en succesvol worden? Omdat het regime er ‘Voor de slachtoffers van fascisme en oorlog’ boven zette. In volle koude oorlog – de muur rond Berlijn komt eraan, de oude vijand Duitsland is lid van de NATO en hun minister voor defensie Franz-Josef Strauss niet meteen een vredesduif – wordt de componist opnieuw voor de kar van de Sovjetpropaganda gespannen, als om te zeggen: ‘Wij zijn de goeien’. Dat Sjostakovitsj als componist embedded was, is een verhaaltje dat in het westen jarenlang door iedereen is geloofd, en dat is niemands fout.

Sjostakovitsj komt in de jaren die volgen ietwat tegemoet aan het regime, maar op de maten van zijn 13e (joodse) symfonie slaan die fuckin’ apparatsjikpoppen opnieuw wild aan het dansen.

Dmtri Sjostakovitsj verdient een paar minuten applaus, waarbij uiteraard mag worden rechtgestaan. Ik geef de man ondertussen zijn welverdiende zilveren medaille. En hij heeft nog een kort bisnummer zitten.
 

 

 

Soulsville U.S.A.

image

image

Otis Redding
‘The ultimate live Otis Redding show’
1963-1967

Let niet te veel op de cd-titel. ‘The ultimate live Otis Redding show’ bestaat écht als commercieel product, maar met ‘The ultimate live Otis Redding show’ bedoel ik vooral: ‘Van Alles Wat van Otis Redding live’, en eigenlijk zelfs ‘Om Het Even Wat van Otis Redding live’. Ik bedoel dus: als het maar Otis Redding is, en als het maar live is.

Ik moet eerst even in herhaling vallen. Het stuk over mijn nummer 100 – ‘Live At The Apollo’ van James Brown – begint met ‘Sweet soul music’ van Arthur Conley. Met die song begint ook deze ‘Otis Zingt’. Nummer 100 is dus verwant met nummer 1: misschien is Honderd een kwestie van ‘En Ons Einde Is Bepaald Door Ons Begin’.

Dus! Arthur Conley zet in de tekst van ‘Sweet soul music’ eerst de spots op Lou Rawls, Sam and Dave en Wilson Pickett, en daarna op Otis Redding: ‘Singing fa fa fa fa fa fa fa fa / Fa fa fa fa fa fa fa fa’.

In de laatste strofe, die Conley in 1967 nota bene vaak bracht in het voorprogramma van Otis Redding op de Stax/Volt Revue-avonden, zingt de man: ‘Spotlight on James Brown now / He’s the king of them all, yeah’. Op nummer 100 schreef ik: ‘James Brown is de koning, laat dat duidelijk zijn’.

Maar hoe zit dat dan? De king of soul slechts op 100, en een liveplaat van Otis Redding op nummer 1?

Vooreerst, ik durf het James Brown in het eventuele hiernamaals niet te gaan vertellen. Maar Arthur Conley’s song eindigt op ‘Otis Redding got the feeling / James Brown got the feeling’, en dat zijn alle twee waarheden en niks-dan-de-waarheden.

Otis Redding kan lang niet zo ‘mooi’ zingen als Sam Cooke, al probeert hij het wel op zijn prachtige eerste single ‘These arms of mine’. Hij heeft ook veel minder mieren in z’n broek zitten dan James Brown; Redding danst eigenlijk als een zeer houterige speelgoedman. En toch is Otis Redding voor mij ‘the king of them all, yeah’.

Arthur Conley en Otis Redding delen op de Stax/Volt Revue-avonden eenzelfde begeleidingsband: Booker T. and the MG’s. Organist Booker T. Jones en drummer Al Jackson zijn zwart, gitarist Steve Cropper en bassist Lewie Steinberg (vanaf 1965: Donald Dunn) zijn blank. Begin jaren 60 nergens een evidentie, maar zeker niet in Memphis. Afro-Amerikanen uit noordelijker steden, bijvoorbeeld de businessmensen van Atlantic Records die met de Staxplatenfirma gelieerd zijn, spreken over een bezoek aan Memphis als over een reis van minstens 15 jaar terug in de tijd. Rassenscheiding (concreet: aparte scholen, aparte openbare toiletten, aparte restaurantruimtes) wordt er pas opgeheven met De Wet Op De Burgerrechten van 1964. En het is niet vanzelf gegaan.

image

Hoe Stax records is begonnen? Een blanke broer en zus kopen een theatertje op en in het huis ernaast richten ze een platenwinkel in. Eigenlijk willen ze country opnemen en verkopen, maar omdat het een moeilijke wijk is, en de deur voor iedereen open staat (‘We didn’t see colour, we just saw talent’), wordt het een favoriete hangout, een oase en een melting pot.

Het begint met The Veltones en Rufus en Carla Thomas. Daarna is Stax een bescheiden hitfabriek, één die het commercieel tegen het Detroitse Motownlabel moet afleggen. Maar vooral: al die namen van die Staxartiesten, zeg! Ik kan ze gewoon niet onthouden. Laat ik in één moeite door ook toegeven: ik weet niet wanneer The Mar-Keys veranderen in The MG’s, evenmin of The Mar-Keys later louter de blazerssectie worden, ik vraag me nergens af waar en wanneer er één dan wel twee tenorsaxofonisten meespelen, ik heb er geen flauw benul van wie meedeed in Reddings latere begeleidingsband The Bar-Kays, het woord Kays dit keer niet met een ‘e’ maar met een ‘a’.

image

Wat ik wel weet: Stax-huisorkest The Mar-Keys heeft – onder de naam Booker T. and the MG’s – begin jaren 60 al een hit met ‘Green onions’ als op een dag een lange, struis gebouwde zwarte chauffeur/roadie van een groepje uit Georgia na de opnamen vraagt of hij ook iets mag zingen: ‘These arms of mine’ wordt de eerste Otis Reddinghit.

De meeste Staxsingles van Redding zullen hits worden. Naar Staxsingles van onbekender gebleven anderen luisteren is een paar keer jezelf de vraag horen stellen: ‘Hoezo, géén hit geweest?’

Het land dat als eerste compleet plat gaat voor de traan in Otis Reddings stem is Groot-Brittannië. De naar a deeper shade of soul verlangende anorakjes-op-Vespas die we Mods noemen zijn de schuldigen. Een groter blank tienerpubliek volgt: het koopt in bruin kaftpapier gestoken singletjes waar, behalve titel en uitvoerder, niks op staat. Als er een lp verschijnt is het er één met een blonde vrouw op de hoes. Men weet in Europa gewoon niet hoe Otis Redding eruit ziet.

Voor Redding en gevolg, die – als ze in 1963 en 1964 in het kleine-clubcircuit door de States toeren – op sommige plekken in gescheiden ruimtes hebben moeten eten, worden aan de Londense luchthaven limousines voorgereden: geschenkje van The Beatles. Ook de rest van Europa behandelt hen als sterren. Op Youtube staat een heel concert van de Stax/Volt revue in Noorwegen dat switcht van aandoenlijk naar fenomenaal. Er is op youtube ook een respectvol Parijs in zwartwit, en Londense Otismania in kleur. Voor wie aan vinyl of cd wil blijven plakken: de neerslag op lp die ‘Live in Europe’ heet is zéér goed.

De op nummer 1 belande ‘Ultimate live Otis Redding show’ zit als laatste van vier cd’s in een box die ‘Otis! The definitive Otis Redding’ heet. Ik moet nog iets bekennen: het is zeer lang geleden dat ik nog eens naar de drie cd’s met de studiohits heb geluisterd.

Nog eens: u moet niet per se op zoek naar dié ultieme live-cd in dié box. ‘Ultimate live’ is gewoon een samenraapsel van verschillende optredens. Het plukt uit ‘Live in Europe’, maar evengoed uit 1964- en 1966-concerten in de States. Op ‘Ultimate live’ loopt een songversie uit 1964 over in een bindtekst van 1967. Veel van mijn favoriete opnamen zijn blijkbaar in de Whisky A Go Go gemaakt, in het L.A. van 1966. ‘Otis Redding in person live at the Whisky A Go Go’ is een zéér, zéér goeie plaat. Op Spotify heet een variant erop ‘Live on the Sunset Strip’.

image

Met de vinnige pre-breakbeat en uitdrijvingsmuziek van James Brown heeft Reddings soul niet veel te maken. De tragere songs zijn gospels die met de voetjes op de grond beginnen en trapje voor trapje waanzinniger en waanzinniger worden. Trouwens, snel of traag, als Redding mij nog maar gewoon heel even aanspoort met ‘One more time a little louder’ of ‘Keep it goin, don’t stop’ heeft hij al gewonnen van al de rest. Ik ben dus nogal te vinden voor deze man.

Reddings versies van ‘Daytripper’ van The Beatles en ‘Satisfaction’ van de Stones, die niet meteen overlopen van respect voor de teksten van de originals, zijn voorbeelden van snelle songs. ‘Can’t turn you loose’ is een waanzinnige sprint van ‘Bullet Otis’ die bij wijze van spreken binnen de 10 seconden fotofinisht.

De break van ‘Can’t turn you loose’ is heel kort, Otis zegt erin: ‘I know you think I’m a gonna stop now / ain’t gonna stop / ain’t no stop / we’re goin’ one more time’, als zit hij gevangen tussen complete uitputting en de drang om plichtbewust voort te maken waarmee hij nu eenmaal is geboren… en daarna gaan we opnieuw een gang. Thát’s entertainment!

Meest voorkomende woorden in de sprintsongs: ‘Gotta-gotta-gotta’. Meest opduikende slagzin: ‘Sock it to me’. Op deze cd staan 22 songs, terwijl Redding er op één avond nooit meer dan 10 heeft gedaan. De hele zwik in één keer beluisteren is alleen mogelijk voor wie traint voor een belangrijke bokswedstrijd.

Reddings bindteksten zijn veel meer dan rustmomenten. Ze zijn niet alleen onderhoudend, maar ook essentieel. ‘Let your hair down!’ ‘Get Soulful! Get your shoes on off!’ ‘Just holler loud as you wanna!’ De raarste: ‘We’re gonna eat next week’.

Je hoort ook dat optreden een waar plezier is. Na ‘Right now I’d like to introduce you to a ballad song / a song that what we call Soul’ laat iemand in het publiek een ‘Yeaah’ horen die van heel diep komt en moet Redding lachen. ‘Chained and bound’ wordt ergens aangekondigd met ‘We’re gonna do a song that you’ve never heard before’. Iemand moet terugroepen: ‘Says who?’, want Redding antwoordt ‘Says me’, en lacht opnieuw. Aan het eind van de song zegt Otis: ‘See how hard we have to work to eat?’

Redding heeft zich altijd eerlijk ge-out als entertainer, en als niks meer dan entertainer. Als er één artiest in Honderd staat voor wie ontegensprekelijk geldt wat Tröckener Kecks ooit zongen, namelijk ‘Hij doet het / 1 voor het geld / 2 voor de show / en 3 voor het publiek’, is hij het.

Dat wil niet zeggen dat het geen pijn doet: ‘Just one more day’, in de versie van 9 april 1966 in de Whisky A Go Go, doet enórm veel pijn. Zie ook: ‘I’ve been loving you too long(to stop now)’ en ‘Pain in my heart’.

‘Try a little tenderness’ is in 1967 op veel plaatsen terecht de concertafsluiter. Als het pijn doet in de stem, doet het ook pijn in de blazers van eh, The Mar-Keys, met wie de zanger het meest in gesprek is.

Over die blazers! The MG’s zijn geweldig, Reddings stem ook, maar zonder de blazers stond Redding niet op 1. Mijn argumentatie, kort: de beste blazers ter wereld zijn de blazers van het Staxlabel en dat zijn The Mar-Keys. De beste Staxsingles zijn die van Otis Redding. De beste Reddingblazers zijn die van zijn liveplaten.

Redding & Co zijn in 1967 de enigen die een kostuum dragen op het hippiefestival Monterey: een ware triomf, hoewel de groep de set moet inkorten.

Redding belandt onmiddellijk na dat concert thuis in de sofa, in zijn ranch; Redding is a southern man. Hij heeft serieuze stemproblemen, is in de war van de love crowd, luistert naar ‘Sgt. Pepper’s lonely hearts club band’ van The Beatles en schrijft ‘(Sittin’ on) The dock of the bay’, een klein wonder en een muzikale koerswijziging die niet door iedereen bij Stax records wordt toegejuicht.

Redding stort – samen met zijn begeleidingsgroep The Bar-Kays – neer met z’n privé-propellervliegtuig, en staat overal postuum op 1: ‘Watching the ships roll in / Then I watch ‘em roll away again, yeah’. En ook: ‘Sittin’ here resting my bones / and this loneliness won’t leave me alone / it’s two thousand miles I roamed / Just to make this dock my home’. De door dpfreddy12’s geposte lyric-video is wat dat moet zijn. In het Engels: ‘Excellent job!’

Voor Stax is Reddings dood niet de enige ramp. In de deal met Atlantic records zijn de kleine lettertjes niet goed gelezen. Uitgerekend in het met Staxgeld gerunde Lorraine hotel, een hangout voor de zwarte bovenklasse, wordt Martin Luther King, die naar Memphis afzakt om stakende vuilnismannen een hart onder de riem te steken, doodgeschoten. Een slagschaduw valt over de grote steden. Stax krijgt in de steeds gevaarlijker wordende slechte wijk zeer concrete doodsbedreigingen en moet zware gangsters aanspreken om artiesten te beschermen.

De Staxmuziek wordt ook anders: protodisco op z’n Johnnie Taylors, gepimp à la Isaac Hayes. Het singletje ‘Mr. Big stuff’ van Jean Knight is geweldig: vleugje seventiesfunk, een typisch Staxritme en daarboven die blazers, simpel en toch rauwer en spannender dan heel Motown samen. Memphis, dat Soulsville U.S.A. heet, leeft heel even op en wint nog één keer van Hitsville U.S.A., de Detroitse assemblagelijn die we als Motown kennen.

Maar het gaat verder bergaf: excessen met dure auto’s, bontjassen en veel te veel cash geld leiden tot bankroet. Het is gedaan.

image

Ik ben zo blank als een biggetje, maar met een nummmer 1 als deze moet ik Mos Def wel gelijk geven als hij rapt: ‘When I want some rock and roll / I go to Otis Redding to get some soul’.

Ik had hier nog iets in gedachten met de Memphis Horns die met iedereen hebben gespeeld (als je Elvis Presley, Peter Gabriel, Robert Cray, U2, Rod Stewart én Primal Scream samen op je cv hebt staan, mag je iedereen zeggen), met Sharon Jones, Charles Bradley en vele anderen die de soul uit Soulsville naspelen en ook in de livevorm als Stax/Volt-Revue uit de poppenkast komen, met Elvis Costello die ooit zei dat de Staxsound dé grote soulinspiratie was voor zijn Attractions, met RZA van Wu-Tang Clan die Staxsingles plundert met de pink omhoog terwijl de sample van Jay-Z en Kayne West in ‘Otis’ te veel all over the place is, …

… maar het is gedaan. Es ist aus. Bedankt om te lezen, te luisteren, te reageren, te delen ook. Mijn excuses aan de mensen die – omdat ze in huis een probleem hadden – ‘scheuren in het stucwerk’ googleden en op mijn Rage Against The Machinebericht met die titel zijn beland.

Keep on rockin’ in the free world! ThankYouGoodnight.

image