Niemand meer in de zaal

 
image
 
Swans
The seer
2012

 

Er is een foto van Michael Gira waarop hij een bord vasthoudt met ‘I am not insane. I am reactivating Swans’.

Als u zich daarbij een reünie à la The Stooges voorstelt – vervanging zoeken voor wie dood is, oude hits koppelen aan een nieuwe, een beetje tegenvallende plaat: het sinds 2010 heropgerichte Swans doet daar niet aan mee, en niet alleen omdat ze geen hits hebben.

Gira’s vorige carrières liggen compleet in de as, meestal wordt de feniks die eruit herrijst snel de nek omgewrongen, heel af en toe mag het gevleugelde fabeldier een overschotje of een afleggertje van vroeger doen… en die dreun of dat ritme wordt onmiddellijk van zijn oorsprong losgerukt en krijgt een waterkans om in de met de geluidsmuur flirtende, erg lichamelijke liveoptredens te overleven als riff, als productie-idee, als structuur. Dát en niks meer. Swans doet wel en ziet nooit meer om. Swans herhaalt soms minutenlang dezelfde noot, hetzelfde akkoord, hetzelfde 1-2-3-4-5-6-bwaangggggg, dat wel. Maar Swans herhaalt zichzelf niet.

Wat voorafging? Kort door de bocht: twee carrières. De eerste was er één in de industrial: in het geval van Swans minder een rek-je-strek-je met stroboscooplicht en camouflagenet, en meer een onverbiddelijk raderwerk van lawaai en gedreun dat voortstuwde naar volslagen onzichtbaarheid en nihilisme. Ik herinner me de maxisingle ‘Time is money (bastard)’: de vraag ‘Waarom in mijn vrije tijd luisteren naar de geluiden van de fabrieken (Marie Thumas, Mechelen en Danone, Rotselaar) waar ik vakantiewerk had gedaan?’ kwam geregeld op. Sonic Youth toerde ooit met hen. Ze wilden altijd eerst spelen, omdat er na Swans niemand meer in de zaal stond.

Er is ook altijd een andere Swans geweest, één die achteloos een schitterende trage song achterliet, één die opgetekend lijkt door de dóde Johnny Cash en naar de periode 80-90 werd opgestuurd. De playlist onderaan begint op die manier. Omdat je zo pas écht hoort hoe goed Swans vandaag zijn.

Maar we hadden nog een tweede carrière beloofd: die van The Angels Of Light begin deze eeuw. Noise op fluistertoon, met hier en daar handclaps, mondharmonica en – wie ooit het meer dan één fatsoensgrens overschrijdende vroege werk van Swans had ondergaan geloofde het pas bij een tweede beluistering – een koortje vol fa-fa-fa-fa’s. Gira schreef zijn songs nu voltijds op akoestische gitaar. Akkoord, Bon Iver zou hij nooit worden, maar er zat een folk- en countryman in hem. Hij hield er een nieuwe cowboyhoed, een huis op het platteland en een job als producer / do it yourselfplatenbaas / administratief hulpje (van zichzelf!) aan over, evenals het respect van jongere, op de minder platgetreden paden reizende muzikanten.

 
image
 

Het recente ‘The seer’ is de tweede plaat van de tweede Swans. Mag het kort? Ik hoor de jaren 90 toen de groep ter hoogte van ‘White light in the mouth of infinity’ en ‘Love of life’ al eens bijna-traditioneel-psychedelisch kleurde. Er is een riff die twijfelt tussen The Jesus Lizard en Captain Beefheart. Een doedelzak. Andere invloeden zijn de Axiomlabel-gelegenheidsgroepen zoals Material die koppig hun geheel eigen soort wereldmuziek maakten, The Doors van ‘The end’ en Pink Floyd die Eugene nog eens waarschuwen voorzichtig te zijn met die bijl. Karen O. van Yeah Yeah Yeahs doet mee. Stop!

Want het is 22 juni 2013 en ik sta op rij 7 voor podium 2 in recreatiepark Beekse Bergen en ik zie Michael Gira een uur lang soundchecken en predirigeren en orders geven, en hij zou nog een uur langer voorbereidingstijd willen, want de gong en gitaren en vibrafoon en klarinet en hammered dulcimer (wordt die eigenlijk altijd met strijkstokken bespeeld?) moeten in de juiste balans gebracht worden… en dan zijn ze daar allemaal: een drummer die een goeie drummer én een gediplomeerd sportkotter moet zijn, anders haalt hij het einde niet; een percussionist/dulcimer- en klarinetspeler die ergens in het diepe een Nibelungenring bewaakt; op tweede gitaar Clint Eastwood die aan twee pakjes kauwgom per dag zit; een bassist van een generatie jonger die waarschijnlijk via Godspeed You! Black Emperor zijn vuisten als antennes richting hemel heeft leren steken; een man die twee lap steels afwisselend doet klinken als een orgel en een in een wolfsklem gesukkeld dier; en Gira zelf die na een intro die al luider klinkt dan de rest van het deelnemersveld teken doet dat het onweer mag losbarsten.

Waarna een mens eerst zijn ingewanden opnieuw op de juiste plaats propt en ‘Wat geweest is, is geweest’ prevelt, en dan pas vaststelt dat vooral nieuwe ideeën uitgeprobeerd worden die op de volgende Swansplaat zullen staan. Van ‘The seer’ kan ik alleen stukken thuisbrengen: de plaat is in de beste Swanstraditie duidelijk niet meer dan een wegwijzer naar weer iets anders: naar nóg meer licht, zo blijkt uit het in 2014 uitgebrachte ‘To be kind’, dat op 25 september in de AB het vertrekpunt zal zijn. ‘See you in a year or so’, zei Gira dus terecht aan het eind van dat overdonderende 2013-optreden dat ik niet verder kan of wil beschrijven.

‘Oordopjes zijn aan te raden’, waarschuwt Gira in een interview. ‘Aarsdop op maat niet verplicht’. Die grap alleen al herleidt een pak succesvolle groepen met een kleffe synthesizer te veel – moét Depeche Mode echt heel de tijd de referentiegroep zijn? – tot kunstenaars die hun cd’s in een groot Kindersurprise-ei zouden moeten verkopen.

Bruce Springsteen over een geslaagd optreden: ‘For an adult, the world is constantly trying to clamp down on itself. Routine, responsibility, decay of institutions, corruption: this is all the world closing in. Music, when it’s really great, pries that shit back open and lets people back in, it lets light in, and air in, and energy in, and sends people home with that and sends me back to the hotel with it. People carry that with them sometimes for a very long period of time.’

Ik denk dat ik het Swansoptreden dat ik in een nokvolle tent meemaak op het Best Kept Secret-festival – voor de groep een zoveelste ‘uitverkocht’ op rij, en wat dit soort concerten anders maakt dan vroeger: veel vrouwen en geen gecrepeerde spinnenkoppen in het publiek – dat ik die gebeurtenis voor een héél lange periode met me zal meedragen. Waarvoor oprecht dank.

 

 
 

 

Extreemrechtse knokploegen

 
image
 
The Specials
The Specials
1979

 

Op het eerste belangrijke concert dat ik meemaak (Mechelen, Oude Stadsfeestzaal, februari 1980) speelt Raymond van het Groenewoud niet Cherie, AC/DC of Bakske vol met stro, maar wel ‘A message to you, Rudy’ van The Specials – dat ging ik zeggen, maar het is natuurlijk niet zo: het heet oorspronkelijk ‘Rudy, a message to you’ en is van Dandy Livingstone.

Is er eigenlijk iets van The Specials zelf? De single ‘Gangsters’ is ‘Al Capone’ van Prince Buster, die ook ‘Too hot’ schreef. ‘Stupid marriage’ pikt van Busters ‘Judge dread’ tot in de verste kieren en spleten tot ene Judge Roughneck hier zittend rechter wordt, en het eigenlijk gewoon een cover is. Lloyd Chambers’ ‘Birth control’ is een woordpuzzel voor de nummer 1-hit ‘Too much too young’, die alleen met woorden moest gevuld worden, en die woorden gaan bij The Specials óók over geboortebeperking.
 

 

‘Monkey man’ blijkt van Toots and The Maytals, ‘You’re wondering now’ van Andy & Joey, maar care I do not. Ik ken ondertussen de pioniers van de meer laid back klinkende sixtiesska, en ik heb flarden van latere skarevivals meegemaakt, en toch brandt voor mij de lamp hier, bij dit door Elvis Costello geproducet plaatje dat binnen het genre als eerste harde punkgitaren op de voorgrond mixte. De lamp brandt trouwens in die mate dat ik gewoon de man zou kunnen zijn die ergens op Youtube schreef: ‘Fuck me, I’m nearly 50 and I still love this’.

De beste song van ‘The Specials’ is wel van hen, of beter: van de hand van gitarist Roddy Radiation. Het is ‘Concrete jungle’. De immer nukkige Terry Hall zingt: ‘I have to carry a knife / Because there’s people threatening my life / I can’t dress just the way I want / I get chased by the National Front’.

The Clash en Tom Robinson hadden het in die dagen ook over extreemrechtse knokploegen die door de straten stiefelden. The Jam schreef het prachtige ‘Down in the tube station at midnight’. Paul Weller is in de song met een takeaway curry op weg naar zijn vrouw, die de wijnglazen aan het opblinken is en elk moment de fles gaat ontkurken, als hij in de metro een klap en een trap krijgt. Over de daders: ‘They smelt of pubs… and too many right wing meetings’.

Tijden veranderen, want de klootzakken die mij in 2010 van een Brusselse roltrap kloppen en stampen, en de preventiesecurity die beneden aan de trap staat en niks doet (wat zeg ik: die mij integendeel schoffeert), ze zijn mogelijk alle vijf extreemrechts; ze zijn alvast niet blank.

 

 

 

 

Scheuren in het stucwerk

image

Rage Against The Machine
Rage Against The Machine
1992

 

We moeten eerst even langs de Afdeling Uiterlijkheden en Trivia: Rage Against The Machine gebruikt lettertype Typemachine Trixie Plain: MTV en vele anderen kleurden er in de jaren 90 onze dag mee.

image

Rage hing ook opnieuw het portret van Che Guevara op. Omdat ik wist wie Che was (en ook dat Billy Bragg ooit zong: ‘The revolution is just a t-shirt away’), toonde ik voor een krantenartikel in een jongerencafé het Che-prentje aan 10 minderjarige Ragefans. Ze wisten alle 10 dat de groep de foto gebruikte. Amper drie kenden Che Guevara bij naam. Slechts één die wist dat hij naast Fidel Castro had gevochten in Cuba en daarna in Bolivië was gesneuveld. Vandaag weten meer tieners iets over Che. Hangt er ouderwetse revolutie in de lucht? In de verste verten niet. ‘The motorcycle diaries’ is op tv geweest.

Sony Music, niet meteen de minst kapitalistische platenfirma, bracht ‘Rage Against The Machine’ in 1993 uit. In 1995 interview ik do it yourselfpunker Mike Watt die met ‘Ball-hog or tugboat’ zijn eerste grote firmaplaat maakt: ‘Ik stond in de lift in de Sonykantoren in L.A. en ik hoorde marketingmanagers over mijn plaat praten. Ze konden het net zo goed over mijn sokken hebben. Als communisme hip was, zouden ze dát verkopen.’ In 1996 ga ik Rage in home town L.A. interviewen en neem ik in de kantoren van Sony dezelfde lift als Mike Watt. Ik leer dat inleidingen van interviews zich soms vanzelf schrijven, want dat communisme in die dagen gewoon écht hip was geworden, omdat het vervolg op het Rode Boekje op cd stond: ‘Evil empire’ was de een beetje tegenvallende tweede Rageplaat.

Ergens in 1993 rapt Zack De La Rocha: ‘You know they murdered X / and tried to blame it on Islam’. Op de vraag of Malcolm X door de C.I.A. dan wel door radicale elementen binnen de Nation Of Islam-beweging is vermoord, kan en wil ik geen sluitend antwoord geven. De La Rocha natuurlijk wel. Hij mist die overtuiging niet. Hij is een echte guerrillero, één met twee r-ren en twee l-len. Geen grap: de man deed echt praktijkervaring op bij de Zapatistas.

Toen ik bassist Timmy C. interviewde, kwam eruit dat die van Rage niet de beste vrienden waren, en dat elk z’n eigen gangetje ging. De beste omschrijving was ‘een microcosmosversie van L.A.’: intens leven, af en toe spanningen, veel liefde, maar toch ook: ze hadden net bij wijze van spreken hun bloedeigen L.A. Riots achter de rug.

Timmy C. bood een interessante blik op de groep. ‘Gitarist Tom Morello en Zack De La Rocha zijn opgevoed in een eenoudergezin’, zei hij. ‘Ze kennen de problemen en de pijn van dichterbij’. Hij vertelde dat hij jazz had leren spelen, maar die werd er door de anderen uit gekieperd; niet functioneel genoeg. Toen ik vroeg of de muziek voor sommige groepsleden een vehikel was voor de revolutie, knikte hij kort, want het met zoveel woorden zeggen mocht hij niet. En toen begon hij te vertellen dat hij een AK-47 had gekocht, waarmee hij dagelijks oefende, en dat elke Amerikaanse president van de tweede helft van de 20e eeuw een oorlogsmisdadiger is die voor zijn daden opgehangen zou moeten worden.

Wat vandaag het meest opvalt aan ‘Rage Against The Machine’? Niet de onmiskenbaar enthousiast slappende bas in ‘Take the power back’. Niet dat alle 10 tracks zich als bombtracks present geven. Niet dat De La Rocha een elitesoldaat is met een overgave en een loyauteit die we sinds 1993 nergens meer gehoord hebben in de categorie Meer Dan 500.000 cd’s Verkocht. Niet dat de ritmesectie Brad Wilk-Timmy C. telkens schitterend werk levert in de stilte-voor-de-slotstormmomenten. Nee, de man die vandaag mijn aandacht heeft is gitarist Tom Morello. Op de cd staat ‘No samples, keyboards or synthesizers used in the making of this recording’, en dat staat daar omdat je denkt dat al die geluiden die Morello maakt niet uit een gitaar kúnnen komen. Akkoord, als een stukje ‘Kashmir’ van Led Zeppelin nodig is, speelt Morello het gewoon. Maar met pedaaltjes, hendel en wat rode verf waarmee hij ‘Arm the homeless’ op zijn machine kladt, laat hij dat ding rond zijn nek achtereenvolgens ook klinken als een modem, een synthesizer, een sirene, de Vietnamvliegtuigjes van Hendrix, een cirkelzaag, een speelautomaat, een paar orgels tegelijk, de fuuuuuuu van Public Enemy, de piiiing van House Of Pain, de iiiiiiiiii van Cypress Hill en een pie-tie-wietvogel.

Hoogtepunt van ‘Rage Against The Machine’: de ‘Motherfucker’ na de laatste ‘Fuck you, I won’t do what you tell me’. Hoogtepunt op de schaal van Richter: ‘Bullet in the head’ vanaf 4’04”. Hoogtepunt der Hoogtepunten: het als iets uit de hoogdagen van Fugazi aanzettende en in de stijl van Rollins Band hoger klimmende ‘Settle for nothing’, waarin – beeld ik me in – de 16-jarige Zack de La Rocha nadenkt over afkomst en keuzes, zelfmoord en genocide, determinisme en karakter. Hij trapt tegen steentjes en blikjes, raapt onderweg een boekje over marxisme op, en vindt z’n roeping. Mooiste zin uit zijn revolutionaire motorfietsdagboek: ‘If ignorance is bliss / Then knock the smile off my face’. Met heel even een Minutemengitaartje; van Morello natuurlijk.

Rage na deze plaat? Het vol Helmetachtige gaten zittende ‘Vietnow’ (heel straf) en de revolutionaire immunoglobuline van ‘Sleep now in the fire’ (nog straffer) zijn de enige twee momenten die het niveau van 1993 halen. Ook de coverplaat ‘Renegades’ uit 2000 is dat ietsje te oud om nog echt laaiend loeiend kwaad te zijn op kapitalistische bloedzuigers en op al wie in de media en op café over die schurken gematigder denkt dan Noam Chomsky en Peter Mertens.

Beste cover: ‘Microphone fiend’ van Eric B. en Rakim. Geen wonder dat die song wordt gecoverd: als Rage z’n crossover eventjes stiller zet en De La Rocha quasi a capella begint aan ‘Music orientated so when hip-hop originated / Fitted like pieces of puzzles, complicated’, en die zin een paar keer herhaalt, zit ik geen klein beetje saliverend in de woonkamer, want de bas en de drums tergen en dreigen al, de typische Ragefinale komt eraan, gaat nu elk moment losbarsten, en godverdomme: die finale is in het geval van ‘Microphone fiend’ even waanzinnig goed als die van – ik pik er een knaller uit – ‘Fistful of steel’. Zack de la Rocha met schuim op de lippen en Charles Mansonoogjes echt kwaad? Check! Gitarist Tom Morello een Marc Ribot voor de massa? Yep! Oké dan. Lichte paniek mag nu uitbreken. Tafels en stoelen zullen bewegen. Voorwerpen vallen al om. Klokken blijven stilstaan. Fuck, er zitten dit keer na afloop zelfs scheuren in het stucwerk. Deze mannen woonden in de earthquake state, dát is wat ik zocht.

Venceremos!