Een metaliger klank

 
image
 
Bob Dylan
Bringing it all back home
1965

 
 
 

Op ‘White riot / I wanna riot / riot of my own’ is het in 1965 nog een decennium en meer wachten. Op ‘It’s like a jungle sometimes it makes me wonder / How I keep from going under’ nóg een paar jaar. Beweren dat Bob Dylan op ‘Bringing it all back home’ in de sublieme opener ‘Subterranean homesick blues’ de originator is van punk en rap is volstrekt overdreven, compleet belachelijk, historisch onjuist (Dylan gaf zelf toe dat er gestolen is uit ‘Too much monkey business’ van punkrapper Chuck Berry) en met absolute zekerheid onvolledig (talkin’ blues, jazzscat, beat poetry en het gelal van onze voorouders bij het kampvuur, het ging allemáál aan Dylan vooraf). En toch! En toch denk ik telkens als ik ‘Bringing it all back home’ opleg: hier spreekt een uitvinder.

Natuurlijk liggen er in de periode voor 1965 ook mythische Dylanmomenten voor het oprapen: de songs ‘Girl from the North Country’ en ‘A hard rain’s a-gonna fall’ bijvoorbeeld. Veel van zijn talkin’ bluessongs zijn grappig. De speech die hij hield toen hij in 1963 van hét officiële Nationale Burgerrechtencomité een award kreeg is ook goed: Dylan maakte grapjes over de leeftijd en de kaalhoofdigheid van de jury, en tot grote consternatie van velen kroop hij in het hoofd van de moordenaar van president Kennedy. De brief die hij daarna ter verontschuldiging schreef bedaarde evenmin de gemoederen: ‘If there’s violence in the times, then there must be violence in me’. De man hangt niet graag de onschuldige goeierd uit.

Maar in maart ’65 ligt dus deze nieuwe lp voor het eerst in de winkel. Op de hoes Dylan zelf met een knap wijf binnen handbereik (het blijkt de vrouw van de manager te zijn) en een kat op schoot, in een herenhuis. Inspirerende platen en een paar signs of the times zijn uitgestald op de schoorsteenmantel en in de ligfauteuil. Sfeer: de bom gaat elk moment vallen, we’re all gonna die.
 
image
 

Fragment uit de hoestekst: ‘I know there’re some people terrified of the bomb, but there are other people terrified t be seen carrying a modern screen magazine’. Dylan schreef in die tijd inderdaad zijn to’s zonder o.

Nog een goeie:’I would rather model harmonica holders than discuss aztec anthropology, english literature or history of the united nations. I accept chaos. I am not sure whether it accepts me.’

De heer en mevrouw Chaos hebben nog geen recensie geschreven over opener ‘Subterranean homesick blues’, maar laat ik uit dit samenraapsel van fragmenten een fragment halen: ‘The man in the coon-skin cap in the pig-pen…’ zou iemand kunnen zijn die achter tralies zit in het politiekantoor met ‘een kap van negerhuid’ over zijn hoofd getrokken. Wat hij wil? ‘He wants 11 dollar bills – you only got 10′. Volstrekt onnodige doordenker: wil hij onbestaande biljetten van elf dollar, of kom je een dollar tekort? In de video staat op een van de cue cards die Dylan weggooit: ’20 dollar bills’. Dát is hier de gehanteerde humorvorm.

De remix is van DJ Google Instant:
 

 

Er valt weinig Dylan te rapen op youtube. Posts worden om de haverklap verwijderd. Tja. Copyrightkwesties zijn dikwijls een wereld van twee maten en twee gewichten. Als het een survival of the fittest is, wint niet de best aangepaste, maar wint gewoon de sterkste… Dat kan allemaal best zijn, maar ik kom op youtube in verband met de industrie rond Bob Dylan een keer te veel het woord ‘fascisme’ tegen. Mensen die zoiets schrijven raad ik – als ze in de buurt van mijn eerste hometown Mechelen wonen – een bezoek aan het museum naast de Dossinkazerne aan. Op drie minuten tijd kunnen ze daar leren wat fascisme écht is. Plus: als er geen Dylan is op youtube, beluister je ‘em elders. Of niet voor mijn part!

Terug naar ‘Bringing it all back home’. Het is op deze plaat dat Dylan voor het eerst elektrisch gaat. Hij probeert met producer Tom Wilson eerst een paar dingen uit met Fats Dominorock’n’roll, maar Dylan heeft een metaliger klank nodig om uit een beklemmende sfeer te breken. Hij zal het hebben over ‘dat dunne, wilde kwikzilvergeluid’ dat hij najaagt. Kwikzilver doet me aan ‘moeilijk te vatten’ en ‘altijd in beweging’ denken. Het snerpende ‘Maggie’s farm’ is harder metaal en een song die zegt: ‘They say sing while you slave and I just get bored / I am not going to work on Maggie’s farm no more’. Het zou kunnen dat de folkscene zelf een sneer krijgt.

‘Outlaw blues’ jakkert iets gezelliger door en vecht voor het recht op een onnozeler tekst: ‘Well, I wish I was on some Australian mountain range / I got no reason to be there, but I / Imagine it would be some kind of change’.

In ‘On the road again’ stipt Dylan aan wat hij bij een potentiële schoonfamilie opmerkt. Alleen al in strofe 1 vindt hij ’s ochtends kikkers in zijn sokken, verschuilt de moeder van zijn geliefde zich in de koelkast en draagt haar vader een masker van Napoleon: ‘Then you ask why I don’t live here / Honey, do you have to ask?’

In het fenomenale ‘Bob Dylan’s 115th dream’ wordt Amerika opnieuw ontdekt via kapitein Ahab die zijn obsessie voor de grote witte walvis laat varen en op de Mayflower koers zet naar de Nieuwe Wereld, die wat van een surrealistisch schilderij heeft. De Nina, de Pinta, de Santa-Maria en Columbus zelf komen slechts heel even ter sprake aan het eind van dit absurde neoscheppingsverhaal.

In de mooie, rustige songs ‘She belongs to me’ en ‘Love minus zero/No limit’ hoor ik vandaag meer realisme dan ik vroeger een ideële wereld wilde horen.
 

 

De B-kant is een folkplaat. Waarschijnlijk zéér verwarrend voor al wie naar iemand met een elektrische gitaar ‘boe’, ‘judas’ en ‘establishment’ wilde roepen. De folkplaat begint met ‘Hey! Mr. Tambourine Man, play a song for me / I’m not sleepy and there is no place I’m going to’.

Het langgerekte ‘Gates of Eden’ komt moeilijker binnen, zoals ik ook een lange rit als ‘Desolation row’ niet meer uitzit. De Dylan die op platen onmiddellijk na deze dingen zingt als ‘Mona Lisa must have had the highway blues / you can tell by the way she smiles’ en ‘Shakespeare is in the alley / with his pointed shoes and his bells’ heeft ook van zijn pluimen verloren.

Waarom ik het erg lange en even bedoelerige ‘It’s alright ma (I’m only bleeding)’ dan wel een van Dylans allerbeste songs blijf vinden? Ik zou er een tekstfragment kunnen bijsleuren, in eigen vertaling dan nog: ‘Zoiets te verstaan, je weet meteen / ’t Heeft zelfs geen zin het te proberen’. Maar ik weet het wel.

Het zijn de watervallen van medelijden die je ziet brullen, de drang tot jammeren die je voelt, maar anders dan vroeger ontdek je dat je gewoon één persoon meer zou zijn die huilt tussen al de huilers.

Het is de reclame die je bedriegt / je doet denken dat jíj degene bent / die kan doen wat nog niet is gedaan / die kan winnen wat nog niet is gewonnen / terwijl het leven ondertussen overal om je heen doorgaat.

Het is al de rest tot aan de laatste zin: ‘It’s alright, Ma / it’s life and life only’.
 

 

Afsluiter ‘It’s all over now, baby blue’ zou volgens kenners samen twéé afscheidsliedjes zijn: één aan een ex-vriendin en één aan die vermaledijde politieke folkscene. Straks ga ik nog geloven dat er een in het geheim opererende folkdictatuur bestond, met knokploegen en strafkampen.

Ik kan twee Dylanplaten bedenken die ik beter vind dan ‘Bringing it all back home’. Dat zijn er geen zeven.
 

 

Gedropt in de vrijmetselaarsbibliotheek

 
image
 
Sun Ra
The singles
1954-1982

 

Het dunne, maar sublieme boekje ‘Novecento’ van Alessandro Baricco gaat over een pianist die bij geboorte op een oceaanlijner wordt achtergelaten en nooit aan wal gaat.

Het verhaal dat zich in Sun Ra’s verbeelding afspeelt is – zoals mensen vroeger zeiden – even more far out: tijdens een uit de hand gelopen meditatie werd de man naar Saturnus ontvoerd, en de boodschap ginder luidde: ‘Je bent geboren en getogen Saturniaan, en samen met je zwarte broeders en zusters verkeerdelijk in Amerikaanse getto’s beland. Teleporteer of transmoleculariseer hen terug naar hier, via je muziek.’

De stijl van de pianist op de transatlantische veerboot wordt door Baricco in één zin gevat: ‘Als hij zin heeft speelt hij jazz, maar als hij geen zin heeft speelt hij iets wat klinkt als 10 jazzen bij elkaar’. De beschrijving is volstrekt teleporteerbaar op Sun Ra (né: Herman Poole Blount, officiële documentennaam: Le Sony’r Ra), alleen gebruikte Ra niet altijd een gewone piano.

Worden op de dubbel-cd ‘The singles’ door hem bespeeld: Wurlister, Hammond, Gibson Kalamazoo Orgel, clavioline, Hohner clavinet, Mini-Moog, Rocksichord, synthesizer en het door hulpvaardige aliens op maat gemaakte Solar Sound Instrument.

Voor zover we weten heeft geen enkele van de daaruit voortkomende klanken ooit een mens naar Saturnus opgebeamd. Natuurlijk is Sun Ra keihard uitgelachen.

Herman Poole Blount speelt en componeert vanaf zijn 12e, is de slimste van de klas, wordt in een vrijmetselaarsbibliotheek gedropt, gaat daar met passer, liniaal, schietlood en winkelhaak de hele esoterische en apocriefe literatuur te lijf, zal er ook wel een boek hebben gelezen over tijd- en ruimteverkeer, speelt piano in stripclubs omdat er daar werk is, verdedigt tijdens wereldoorlog II zijn wens om gewetensbezwaarde te zijn met zoveel overtuiging dat hij een jaar in de gevangenis belandt, en begint in 1954 een doowopgroepje (de vroegste A- en B-kanten van deze verzamelaar hebben een hoog doodoodoo- en wopwopwopgehalte).
 

 

Vanaf 1956 zet zich de mogelijk meest spectaculaire koerswijziging in de muziekgeschiedenis in. Samen met tenor sax-sidekick John Gilmore vangt Ra zijn supersonische Saturnus- en free jazzreis aan, die zal leiden tot een discografie met zijn Arkestra zo groot als die van Frank Zappa en tot winstcijfers ter grootte van een bodemlaag kopermuntjes.
 

 

Sommige jazztracks zijn jazz zoals we jazz kennen. Zet de standard ‘My favorite things’ in de versie van John Coltrane op, vergelijk ‘em met die van de naast Ra toeterende John Gilmore, en u moet al van zeer goeie huize zijn om hier meteen zeven kwaliteitsverschillen in aan te kruisen. Een bewijs dat Sun Ra zijn Arkestra tot een uitmuntend niveau kon tillen door in een commune-omgeving werkelijk constant te repeteren, alcohol, drugs én seks te verbieden, en pas dáárna de wat rare fanfaresfeer, bizarre elektronica en Batman-, swing- en nieuwjaarssongs te introduceren.
 

 

Sun Ra is de grootste anything goes-muzikant die ik ken. Soms zitten we een decennium of langer te laat in rock’n’roll of blues, soms lopen ’s mans songs gelijke tred met die van de eveneens in rare kleren rondlopende straatmuzikant Moondog, soms is de uitstekende muziek vooral een vehikel voor Ra’s ‘Jongens & Pseudowetenschap’, wereld waarin amateurs naast professionals musiceren, gekleed in goudsnippers en sterrenstof; Ra zelf steevast met Saturnusbol van papier-maché boven zijn hoofd.
 

 

Op ‘The singles’ staan songs waarin een slang prachtig uit een mand wordt getoeterd naast houteriger improvisaties waarin Ra in een raket stapt in een Ed Wooddecor. Een tearjerker wordt onderbroken door een afstandelijke commentaarstem, een van de drie swingversies van ‘The sun one’ door een dronken indiaan (een andere door een misthoorn). In het wondermooie ‘Blues on planet Mars’ laat Ra een clavinet als een Marc Ribotgitaar klinken, ‘Saturn moon’ is uit dezelfde periode van de zeer goeie ‘Atlantis’-plaat en is melancholischer dan het beste uit Brazilië. De hardere geluiden van ‘The bridge’ zijn dan weer een planeet op zich.

Veel van de verzamelde singles zijn trouwens in eigen beheer uitgebracht en werden verkocht na optredens. De hoezen zijn meestal zelf geschilderd.

 

 

Carimcaskill op Youtube: ‘I’m still not sure if he was totally insane or ahead of the curve.’ De man heeft een ongelooflijk synthetisch vermogen om stijlen naar zijn hand te zetten; daarin was hij alvast ahead of the curve.

Er zit een scène in de bizarre, maar ook vrij goeie lowbudgetfilm ‘Space is the place’ die mij doet denken dat Ra alles behalve gek is. In Saturnuspak flitst hij een inner city-jeugdhonk in het Oakland van de seventies binnen, waar een Black Panther-gang aan het biljarten is. Een meisje vraagt: ‘Hoe weten we dat jij geen hippie bent? Hoe weten we eigenlijk dat jij echt bent?’ Waarop Ra: ‘Ik kom uit een droom. Ik ben niet echt. Maar jullie ook niet. Anders zouden jullie niet om gelijke rechten moeten vechten… You’re not real. If you were, you’d have some status amongst the nations of the world. So we’re both myths’. Zelfs wat hij daarna tegen de zwarte jeugd over ruimtereizen vertelt houdt – als metafoor – steek.

Ik dacht mij tegen Ra’s krankzinnigheden te verdedigen met de stelling dat ik de zijne niet moet aanvaarden, en ook niet verplicht ben er een alternatief tegen te verzinnen waar ook de nonsens van afdruipt, maar misschien is het Saturnus van Ra gewoon een betere plek dan die waar de stedelijke onderklasse vandaag in overleeft.
 

 

De treeplank van het Ed Woodruimteschip wordt uitgeklapt. Ik krijg voor ik van boord ga van de in plasticzakken gehulde stewardessen een lijst van passagiers met de meeste Sun Ra Space Miles. De golden card travellers die ik ken: Archie Shepp, Thelonious Monk, Wayne Kramer, Thurston Moore, John Coltrane, The Beastie Boys, Yo La Tengo.

In het Archestragastenboek schrijf ik: ‘Vrij naar die gesamplede vrouwenstem in ‘Dansplaat’ van Brainpower: ‘Oow, op deze plaatje kan ik de hele nacht wel zo zot als een achterdeur worden.’

 

 

In brand vliegende strijkstokken

 
image
 
John Adams
On the transmigration of souls
2002

 

Twee waarschuwingen:

1. Met de zeer goeie DVD-serie over John Adams, de 2e president van de Verenigde Staten, heeft ‘On the transmigration of souls’ niks te maken.
 
image
 
2. Spoiler alert! Ik verklap veel, om niet te zeggen alles, over ‘On the transmigration of souls’ van de componist John Adams.

Aan het begin horen we straatlawaai. Ik heb amper x keer in de VS geslapen, maar de sirenes in de verte klinken onmiskenbaar als wat je in een Amerikaanse stad hoort, en die stad is hier Manhattan.

‘Missing’, ‘Missing’, ‘Missing’ klinkt het op het ritme van een hartslag. Oogleden worden al zwaarder. De intercomvrouwenstem doet denken aan de opera’s van Philip Glass en de stemexperimenten van Laurie Anderson.

Strijkers zijn nog aan het opwarmen. Een koor begint heel stil. Een mannenstem noemt John Florio, Christina Flannery en Lucy Fishman zachtjes bij naam. John Florio wordt nog eens vermeld. Richard Fitzsimmons komt erbij. Opnieuw: ‘Missing’.

Onregelmatig vallen namen na en door mekaar, de vrouwen- en de mannenstem worden willekeurig afgewisseld. De laag die erbij komt is die van de boodschappen ‘Remember me, please don’t ever forget me’ en ‘It was a beautiful day’.

Na vier minuten laat John Adams een trompet ‘The unanswered question’ van Charles Ives stelen, schaamtelozer dan Interpol van Joy Division jatte. Natuurlijk heet een sample hier een ode. Het koor zingt voluit ‘We will miss you. We all love you’. Nog meer mensen worden verzocht op het appél te verschijnen, maar superdringend is het kennelijk niet. Lagen lawaai hopen zich op. Het koor gaat ritmisch verder: ‘She. Looks. So. Full. Of. Life. In. That. Picture.’ Engelenstemmen vechten tegen oprukkende chaos tot het een paar seconden stil wordt, en één boodschap alle aandacht krijgt: ‘Eye color: hazel. Hair colour: brown. Date of birth: July ninth, 1963. Weight: 180.’

Meer namen volgen. ‘Jeff was my uncle’ ook. Het koor zingt: ‘The mother says: ‘He used to call me every day. I’m just waiting’. En ook: ‘The man’s wife says: ‘I loved him from the start. I wanted to dig him out. I know just where he is. ‘

In verband met de muzikale uitbarsting die volgt: denk een operaclimax, of iets van Glenn Branca. Denk John Adams’ eigen ‘Shaker loops’. Denk in brand vliegende strijkstokken.

Waarna alles eindelijk stil wordt, zoals in het hoofd van iemand die 30 keer na mekaar ‘Koyaanisquatsi’ zegt, of zoals in ‘Central park in the dark’ van – daar is hij weer – Charles Ives. Alleen is het niet donker en bevinden we ons niet in het mooiste stadspark ter wereld. We zijn afgezakt naar ergens diep downtown in Manhattan, en staren in een immer met spots verlichte immense krater, een gat geslagen tussen hoge kantoorgebouwen. Nog meer namen rollen uit de speakers. Het zijn natuurlijk de namen van mensen die hun graf vonden in Ground Zero, op 9/11/2001.
 
image
 

John Adams is in 2002 een man met een deadline: de première met de New York Philharmonic vindt in Brooklyn plaats op 9/19/2002. Net als iedereen heeft hij de meest herhaalde beelden uit de geschiedenis van het beeld bekeken. Hij focust op berichten van nabestaanden, herdenkings- of vermisttekstjes die overal rond Ground Zero ophangen. Die berichten zijn nergens ingewikkeld: ‘You will never be forgotten’, ‘I love you’, ‘Louis, come home’… Geconfronteerd met essentie reageert een mens kort, direct en to the point. Adams denkt aan de kantoorpapieren die – dit is trouwens echt gebeurd – naar beneden dwarrelden bij de eerste inslag, en ziet de berichten beneden als een soort neerslag ervan. Mooie gedachte.
 

 

In 2001 woon ik korte tijd in de Lemonnierlaan in Brussel, niet ver van het Zuidstation. Als ik op 11 september naar de nachtwinkel ga, staan een paar jonge gasten hun down USA-feestje te vieren. In een snackbar luister ik in die dagen bij een sandwich-Merguez een filosofische conversatie af die gaat over martelaren. Het pitarestaurant op 100 meter van ons appartement, waar we kort daarvoor nog zijn gaan eten, wordt verzegeld: er is genoeg zwavel en oplosmiddel gevonden voor een krachtige bom. Op amper 30 meter blijkt een man met de bedenkelijke geuzennaam Shoebomber een kamer te hebben gehuurd.

Eind oktober 2001 reis ik voor een paar dagen naar Manhattan, om De La Soul te interviewen. In mijn hotelkamer ligt een brief van de burgemeester: ‘Your trip to New York is part of a healing proces’. Ik bezoek de memory space rond Ground Zero met de ‘I miss you’-berichten, en ik wil vooral ramptoerisme, sensatie en sentiment zien. Ik werp waarschijnlijk een keer te veel op dat de Amerikaanse invasie in Panama van 1989 meer doden heeft geëist. Ik ben het eens met een 26-jarige inwoner van Macedonië die zegt: ‘Als zij iemand bombarderen, kraait er geen haan naar, maar als zij geraakt worden, moeten wij allemaal huilen.’

Wu-Tang Clan biedt in 2002 ook al geen hulp: ‘Mr. Bush, step down / We’re in charge of the war’ klinkt nogal warrig; wellicht hebben ze een clanoorlog met Shaolin kung fuzwaarden tijdens de Zhoudynastie onder controle. Bruce Springsteens ‘The rising’ is te beleefd, betuttelend en opvoederig, Jonathan Safran Foers ‘Extreem luid en ongelooflijk dichtbij’ te klef. John Adams’ werk is het eerste 9/11-kunstwerk dat me diep heeft geraakt. Het heeft me doen inzien dat mijn eerste lezing een beperkte, bijna-extremistische lezing van de feiten is.

Iets anders. Mijn compagnon de route op mijn trip naar het Manhattan van oktober 2001 was Ivo Victoria, die in die tijd op het punt stond naar Amsterdam te emigreren en ondertussen een man van een paar romans is. Hij deed ook verslag van onze reis. Dat verslag in z’n geheel is langs hier.

Een fragment eruit:

‘We wandelden helemaal om Ground Zero heen. We zagen steeds minder mensen, steeds minder toeristen, steeds minder posters en bloemen. Aan de noordzijde van de crashsite liepen we alleen op straat. Het was koud. Iets verderop zagen we een grote poort in de hekken. Vrachtwagens reden af en aan en voor iedere vrachtwagen werd de poort door werkmannen zo snel mogelijk open en weer dicht gedaan. We namen positie in aan de overkant van de straat en we wachtten. Na een minuut of tien ging de poort open. Gedurende enkele seconden kregen we vrij zicht op het monster. Het lag roerloos te slapen in de mist, grijs in grijs.’

Ik had die wandeling en dat zicht op het monster volledig verdrongen. Maar na Victoria’s verslag kwam het terug. Het heeft me op een hoger level doen inzien dat mijn eerste lezing van 9/11 een beperkte, zéér extremistische lezing van de feiten was. En één met bijzonder weinig aandacht en empathie voor de slachtoffers.

Ik zet ‘Transmigration’ nog eens op en bekijk google-afbeeldingen van Ground Zero. Een zwart-witfoto trekt mijn aandacht. De bedrijvigheid in de krater is vergelijkbaar met die op de andere foto’s, maar de auto’s zijn niet van deze tijd. Op dit beeld worden funderingen gelegd: de WTC-torens worden opgetrokken.

De vanuit toren één naar beneden waaiende papieren die Adams op muziek zet komen hier en nu op de koptelefoon voorbij: ik beeld me contracten, dienstnota’s, vakantieregelingen, facturen, te doen-lijstjes, kindertekeningen en handleidingen van brandblusapparaten in.

Ik kom ongevraagd uit bij het omgekeerde, een feestbeeld dat New York ooit beroemd maakte, een huldeblijk die een prinses of astronaut te beurt viel in de vorm van een tickertapeparade; oorspronkelijk een regen van smalle stroken papier die in de telegrafie werden gebruikt. Dit plaatje doet zijn werk, ook als aan het eind John Cages favoriete geluid opnieuw opduikt: het New Yorkse straatverkeer.

Wikipediafeit: van de 2974 personen die bij de aanslagen omkwamen, heeft men er slechts 1586 op basis van gevonden menselijke resten kunnen identificeren. Ik ben onvolledig: onlangs is een 1587e lichaam geïdentificeerd.

Ander feit: in de periode na 2001 zijn er lange tijd veel, veel minder aanvallen door haaien in het nieuws geweest.

Voor wie geen Spotify heeft knip ik het volledige ‘Transmigration’ uit youtube. Het beeld blijft roerloos slapen, donkerzwart in donkerzwart:
 

 

De playlist onderaan gaat na ‘Transmigration’ over in een andere favoriet van Adams en komt bij Lou Harrison uit, een Amerikaan die z’n geheel eigen gamelan speelt. Gamelan komt uit wat nu de Indonesië-archipel is. Indonesië is het grootste moslimland ter wereld.

Peace!