Kostbare nachttijd

 
image
 
Burial
Truant / Rough sleeper
2012

 

In collecties van zijn oudere broers ontdekte de Londenaar Burial jungle- en garageplaten als ze al lang uit de mode waren.

Wanneer waren ook nieuwe tunes goed? a) als ze donker klonken b) als ze Burials hoofd niet wilden verlaten c) als hij weinig of niets wist over de makers d) als hij ze in ideale omstandigheden kon ondergaan: achteraan in de club, om niets tussen de tune en zichzelf te laten komen e) als drums en bassen rond een vocale sample cirkelden.

Dié drums wilde hij nadoen, als zó’n tune in zijn hoofd zat, dat was voor hem telkens opnieuw het laatste fuckin’ geheim in de muziek dat moest en zou ontrafeld worden. Omdat zijn software ondermaats was, kreeg hij nooit de goeie hoeveelheid drums opgenomen, dus klonken ze niet zwaar genoeg, en dus begon hij ze in gekraak te begraven. Het gekraak van vinyl evengoed als dat van een slecht ontvangen piratenradio, en daar kwamen geluiden van een aansteker bij, of van sleutels, of van regen en vuur. Quote: ‘Ik heb opnames van regen en vuur gemaakt die sommige elektronicaproducers het schaamrood op de wangen brengen’.
 

 

Ik ben hier de twee, drie interviews aan het samenvatten die je met Burial terugvindt. Ze zijn niet toevallig allemaal van 2007. Hij moest toen z’n identiteitskaart tonen omdat de Britse critici hem op handen droegen en hij prijzen begon te winnen. Hij dacht: ik leg het één keer uit, en dan nooit meer.

Burial zei toen: ‘Ik zit te wachten tot het nacht wordt. Ik ga het liefst de stad in als iedereen slaapt. Voelt aan als overwinteren. Soms zie ik mensen rond me wakker worden. Dan word ik een beetje kregelig, want ze stappen zomaar mijn kostbare nachttijd binnen. Ik hou ervan in de regen, in de storm te lopen, de rilling te voelen aan de rand van mijn brein, de sfeer waarin ik eindelijk kan inloggen in dat trieste, verre geluid, dat soms dichterbij komt. Die schreeuw die van ver komt moet ik hebben.’
 

 

Op de beginplaten ‘Burial’ en ‘Untrue’ zijn de referenties ingehouden house en de kop ingedrukte jungle (uitgevoerd, zo lijkt het, op twee metalen staafjes). Prachttracks als ‘Archangel’, ‘Untrue’ en ‘Nite train’ klinken soms een heel klein beetje als Massive Attack, en vonden mee dubstep uit. De muziek was – zeker in zijn geval – geen fuifgeknal, de sfeer was eerder die van de minicab of de nachtbus naar huis.
 

 

Op de ep’s die daarna mondjesmaat verschijnen zijn de dubstep- en minicabreferenties gewoon op. De in 2012 verschenen parels ‘Kindred EP’ en ‘Truant / Rough sleeper’ gaan te voet. Voor mijn part had er naast het Hyperdub-logo op het ‘Truant / Rough sleeper’-vinyl mogen staan: side a. Een blik op hoe de wereld aan het worden is, side b. Een blik op de mutaties die die toekomst weer opheffen.
 

 

Ik hoor ‘Loner’, met ‘Kindred’ het halfdansbare 2/3 van ‘Kindred EP’, eindigen met een weet ik veel waar vandaan gehaalde sample: ‘When you’re alone / hold on / When you’re feeling cold… / hold on’. Wat daarna komt, da’s een boldly going where no man et cetera-kwestie.

Haperingen door beschadigd digitaal signaal hip? Burial last stiltes in die klinken als stadsstroom die uitvalt. Een staande bas, koeienbellen, een fuif die vanuit het toilet lijkt opgenomen, een sax die door een tunnel wordt getrokken, een echo van een popsingle die snel vervliegt, de flarden tekst ‘May you stay forever young’ en ‘The lights surrounding you’: ze kunnen allemaal naar een bijna-rave leiden, maar voor hetzelfde geld staat alles opnieuw lang stil. Een track die ik voor de zoveelste keer beluister gaat na acht minuten een richting uit die ik die track nog nooit heb horen uitgaan.

Burials muziek draaft nooit ter plekke door, maar twijfelt en zoekt. De samples komen uit werelden die nooit de mijne zijn geweest (R&B van het nieuwe millennium, games, een serie als ‘Sons of anarchy’), maar ze kleuren allemaal de mooiste en donkerste tot leven komende stadssoundtrack sinds… even wikken, … wegen … sinds Martin Hannett Joy Division producete.

Fans vullen posts op Youtube met een treinrit doorheen Tokio, met stukken uit een ‘Memento’-achtige film waarin iemand in slaap valt met het boek ‘De idioot’ op schoot, met een zwart-wittekenfilm van een jongen zonder armen:
 

 

Mooie reactie van een liefhebber: ‘Ik woon niet in de stad, ik kom er zelfs niet graag, maar dit klinkt als een goeie omschrijving ervan.’ Ik zweef voor een zoveelste keer met deze muziek over Zuid-Londen. Lichtjes in de verte. Nog meer lichtjes in de verte. Er is in wezen eigenlijk nooit iets veranderd in Burials muziek: hij maakt tunes die moeten klinken zoals zijn favoriete tunes vroeger klonken, en die hoorde hij in afzondering, dus maakt hij ze in afzondering.

Hoogtepunt: vandaag de bas die aan het eind van ‘Truant’ vanop de jungle-, dubstep- en elekronica-oprit sierlijk inritst op de snelweg van de toekomst. Volgende keer weer wat anders, mogelijk de indrukwekkende Aziatische pingpong in de tweede helft van b-kant ‘Rough sleeper’. Iemand is hieronder zo lief de EP om te draaien, want laat op Spotify net ‘Truant/Rough sleeper’ de grote afwezige zijn.
 

 
Ik heb heel lang moeten wachten doorheen Kruder, Dorfmeister, Fennesz, Boards Of Canada, Four Tet e tutti quanti vooraleer ik in de elektronica iemand hoorde die evenveel piept, krakt, knort, herhaalt, varieert, voortzet, kruist en opnieuw dwarst als Aphex Twin, en om het nog beter te maken: voor wie Aphex Twin waarschijnlijk amper een invloed is. Ondertussen hebben we er nog steeds het raden naar wie Burial is. De man dj’t zelfs nooit. In een tijd waarin iedereen dag na dag, ochtend na ochtend, avond aan avond wil weten wie het gedaan heeft, is deze man in de kantlijn verdwenen. Vind ik leuk.

 

 

Zee(zoog)dieren groot en klein

 
image
 
Robert Wyatt
Rock bottom
1974

 

Internetboodschap in verband met de artiest die op 50 is beland: ‘Kunden, die Titel von Henryk Mikolaj Górecki (1933-2010) gekauft haben, haben auch Titel von diesen Künstlern gekauft: Castelnuovo-Tedesco, Mario (1895-1968), Lopes-Graca, Fernando (1908-1993), Schwarz-Schilling, Reinhard (1904-1985), Maxwell Davies, Peter (geb. 1934).’ Kan evengoed een grap zijn, want nooit, maar dan ook nooit von diesen Künstlern gehört. Van ene Wyatt, Robert (geb. 1945) daarentegen! Hij staat op 49 met zijn tweede soloplaat ‘Rock bottom’.

Bizarro mundo, dit plaatje!

Ik moet altijd opnieuw denken aan de kleurenblinde kunstenaar uit Oliver Sacks’ boek ‘An anthropologist on Mars’. Een abstract schilder gespecialiseerd in kleuren (een man die kleuren natuurlijk ook tot in de kleinste details kan ordenen) wordt na een auto-ongeval zo kleurenblind dat hij de hele wereld in zwart-wit ziet. Op zich al een zeer zeldzame aandoening, maar meestal heb je ze van bij geboorte; ’t is ook geen netvlies- maar een hersenkwestie. Dat deze plotse verandering een met kleuren jonglerende professional moet overkomen is van een verbijsterende toevalligheid. Na een zeer moeilijke periode – op een dag ziet de kunstenaar een gitzwarte zon opkomen, de fruitschaal die hij maakt om te laten zien hoe hij fruit ziet wil je niet eens bekijken, de man walgt als hij in de spiegel kijkt, ziet ook andere mensen als – jawel – ratkleurig, en gaat alleen ’s nachts de wereld in omdat hij daar alles veel beter ziet – na dié hel vindt hij uiteindelijk een schilderstijl die hem meer voldoening geeft dan ooit tevoren, én meer succes. Als een specialist hem vertelt dat het theoretisch mogelijk is om hem zijn kleurenzicht terug te geven, en of hij zou overwegen om… krijgt hij zijn zin niet afgemaakt, want de schilder zegt: ‘No way!’
 
image
 
Wat dat met the making of van ‘Rock bottom’ te maken heeft? Iets! Robert Wyatt valt op een feest van drie hoog uit een badkamerraam en raakt tot zijn midden verlamd, and hits rock bottom! Schetsen van songs zijn al af, maar hij droomt ze tot een veel completere wereld bijeen in het ziekenhuis, periode die door de man als ‘rustig en productief’ wordt omschreven. Hij heeft tijd nu. Hij was zanger en drummer, maar die combinatie zal nooit meer lukken. Zingen van achter keyboards wél. Wyatts neurologische en psychologische machinerie blaken in 1974 ondertussen van gezondheid en maken ‘Rock bottom’ tot de meest coherente plaat uit zijn carrière.

De zanger begint opener ‘Sea song’ met: ‘Je ziet er elke keer anders uit als je uit die schuimgekuifde zoute brij komt’. Hij ziet zijn speelkameraad de zee ’s nachts graag, als ze gedronken heeft en deels vis, deels bruinvis is; hij moet zelfs aan een babypotvis denken. Haar huid weerkaatst zachtjes in het maanlicht, haar waanzin past als gegoten bij die van hem. Maar ’s morgens, als het weer tijd wordt om even mens te worden, is ze veranderd en verstaat hij haar niet meer. Daarboven een keyboardcontinuum dat weerwerk krijgt van ingetogen percussie en niet al te opdringerig pianogehamer: ‘You’ll be different in the spring, I know / You’re a seasonal beast / like the starfish that drift in with the tide’. Van hier af zingt Wyatt in afbrokkelende lettergrepen, zoals andere jazzcats een saxofoon kort knippen; alsof hij een wahwahpedaal in zijn mond heeft mag ook.
 

 

Aan het begin van song 2 een woonkamer waarin zeewier is aangespoeld, aan het eind een piano die ongemerkt verdwijnt, zoals een vloedlijn zich terugtrekt.

In ‘Little red riding hood hit the road’ vindt een zeer onrustige trompet ternauwernood aansluiting bij de melodie. Die wónderlijke Wyattstem, ook: ‘Oh dear me, heavens above, what in heaven’s name, oh blimey’. Wat de korte beschouwing van ene Ivor Cutler hier doet – ’t gaat over een egel die aan de kant van de weg de hele dag autobanden doet springen, heavens above en oh blimey nog aan toe: geen flauw idee. Waarom Roodkapje erbij betrokken wordt evenmin. En worden hier nu opnamebanden achteruitgespoeld, of heeft Wyatt echt zo’n free jazzstem? De song eindigt op z’n space odyssey’s.
 

 

Het mooiste liedje is ‘Alifib’. Voor zijn vrouw die de hoezen maakt en de yogithee zet. ‘Not nit not nit no not / Nit nit folly bololey / Alifi my larder’ wordt gedragen door zeer vrije maar zeer melancholische klanken. Ik denk dat ‘larder’ iets tussen ‘lover’ en een stuk spek is. Koosnaampjes van dieren en een minibelediging tussen de complimenten: neigt allemaal naar vaste relatiehumor. Ook ‘I can’t forsake you or forsqueak you’ is om te lachen, maar dan in de bloedgroep Lewis Carroll. Heel ‘Rock bottom’ krioelt trouwens van de dieren groot en klein, maar Burlybunch, The Water Mole, Hellyplop and Fingerhole uit ‘Alifib’ staan niet allemaal in de dierenencyclopedie. Instrumenten (‘Pip, pip, pip’) en tekst (‘Pip pippy pippy pip pip’) denken in dezelfde richting: één die via saaie, volstrekt begrijpelijke feitenrelazen en rechtlijnigheid nergens de liefde in de weg zal staan.
 

 

 

Song 5 heet ‘Alife’ en is een donkere lachspiegel van ‘Alifib’. Gary Windo doet eerst een basklarinet als kleine knaagdiertjes klinken, en daarna een tenorsax op ganzen lijken die op zeer spectaculaire wijze kwaad worden. Waarna ‘Alifib’ of ‘Alife’ – of hoe de eeuwige verloofde ook heet – mag antwoorden: ‘I’m not your larder / I’m Alife your guarder’. De waanzin van Alife (eigenlijk Wyatts vrouw Alfreda Benge) past inderdaad, net als die van de zee, wondermooi bij die van Wyatt.
 

 

Maar was de vraag niet wat dat verhaal over die kleurenblind geworden schilder met een verlamd geraakte drummer te maken heeft? Het publiek vond de in zwart-wit gemaakte kunstwerken beter dan de werken van de kleurenschilder, en ik vind de Wyatt van na de groep Soft Machine en het ongeval veel, veel beter dan die van ervoor; ik ben niet de enige.

Kan ook verder doen nadenken over de plek waar een kunstenaar een gebrek, een gemis of een halve ramp tot een voordeel en een Copernicaanse kans kan draaien, wellicht omdat hij al meer weerstand en focus heeft opgebouwd dan de meesten van ons. Al is dat zeer relatief, en kunnen ook wij, gewone stervelingen, tegen een weerbots.

Een sterke, toegewijde liefde in de buurt is daarbij altijd goed: in het geval van Wyatt is dat zijn vrouw die beroepshalve kinderboeken en platenhoezen tekent en schildert. Voor ‘Rock bottom’ maakte ze twee covers, één in 1974, één bij een reissue van 1998. Die van ’74 speelt zich half boven en half onder water af en is in zwart-wit; voor mij veruit de mooiste.

 
image
 
image
 
image
 
image
 
image
 
image
 

 

De kern van het lawaai

image

George Gershwin
Rhapsody in blue
1924

‘De rest is lawaai: luisteren naar de twintigste eeuw’, een klepper van Alex Ross, is een van de beste boeken over muziek die ik ooit heb gelezen. Of het nu gaat over wie Gustav Mahler en Richard Strauss waren en wat hen dreef, over de golf van tirannie van Stalin en Hitler die ook over muziekland rolde, over het moeilijkdoenerige universum van Schönberg en C° dat – raar maar waar – in populaire filmsoundtracks is beland, of over de verbanden tussen jazz en klassiek en minimal music en The Velvet Underground, Alex Ross is een historicus/socioloog/muziekkenner/goeie pen/interviewer/man-die-een-uitstekende-anekdote-van-ver-ziet-staan die je door de twintigste eeuw loodst zonder dat je ‘Verdrag van Versailles: situeer!’ of ‘Stemrecht voor vrouwen in Zwitserland: wanneer!’ moet van buiten blokken.

Als hij uitlegt waarom een celesta precies daar zit, hoor je – als je de muziek erbij neemt – jezelf Waw! en Inderdaad zeggen. De man is natuurlijk ook muzikant (en zelfs componist), zodat ik sommige zinnen twee keer moet lezen, want – had ik dit al gezegd? – muziek lezen en spreken ik niet kan.

Over het zich op de 46e plaats parkerende ‘Rhapsody in blue’ van George Gershwin bijvoorbeeld schrijft Ross dat het aan Rachmaninov refererende liefdesthema het hart van het werk vormt (Oké), dat dat thema uiteindelijk in E eindigt, een tritonus verwijderd van de thuisbasis Bes (Right!) en dat de verlaagde zevende noot soms wordt opgevat als deel van een ingetogen dominant septiemakkoord, zodat-ie de harmonie naar een belendende toonaard lijkt te schoppen (Absoluut!).

image

Ik heb – om het goed te maken – wel tickets voor een worstelwedstrijd kunnen bemachtigen. Aan de linkerkant van de ring de jazz en de good times stijl ‘The Cotton Club’, ‘The Great Gatsby’ en ‘Boardwalk empire’. Rechts de tegenstroom roeiende, alle goedkoop sentiment verachtende en vele kanten op botsende avant-garde van diezelfde roaring twenties.

Vanuit een andere invalshoek: worstelen vrije stijl, weltergewichtsklasse. Rechts de moderne, niet altijd even geruststellende, maar vooralsnog statige receptiedeun die jazz in de concertzalen wil krijgen. Links de eerst treiterend ingehouden en daarna als Franse bootlegchampagnekurken knallende floorfiller van later op de avond. Locatie: Harlem, New York, het hoofd en de werkkamer van George Gershwin, die begin 1924 op vijf weken tijd een jazzconcerto moet klaar hebben voor een nogal belangrijke soirée. Die werkkamer werd ook verbeeld in Disney’s tekenfilm ‘Fantasia 2000’.

Laat ons bij het begin beginnen. Een trillende klarinet schuift uit. Hoge klanken leunen op lage klanken. Een belachelijk goeie melodie wordt achtereenvolgens gespeeld op klarinet en piano, waarna het orkest lijkt in te vallen, maar zich inhoudt: de piano stapt eerst alleen en vlotjes een Rachmaninovheuvel over.

Je zou kunnen zeggen: de pianist Gershwin houdt zich bewust in om de climax groter te maken, maar beter is: hij volgt de dansritmes van de songs, snijdt ze af en gooit ze om. Dat heeft hij in de vitrine van Tin Pan Alley geleerd, waar hij bladmuziek van andere songschrijvers moest verkopen door ze te spelen. Hij speelde ze zo goed dat ze enorm goed verkochten – tot hij er genoeg van had en zélf de monsterhit ‘Swanee’ schreef, miljonair werd en z’n zin kon doen.

image

Dat hoor je in de ‘Rhapsody’: na een paar minuten, als deze minisymfonie een eerste keer ontploft, zou Gershwin kunnen doorgaan op dat thema, stoppen en aan deel 2 beginnen, maar hij last vrij snel de stalige ritmes van een trein in – echt gebeurd: toen hij luisterde naar de cadans van een trein naar Boston, had hij plots de hele rapsodie in zijn hoofd zitten.

De trein verdwijnt weer – zoals in de films van toen in een steeds kleiner wordende cirkel. Noten blijven ondertussen de trap op en af lopen alsof een cartoonkat en -muis van een paar decennia later de toetsen én de dirigeerstok hebben overgenomen.

Als opnieuw alleen de piano speelt, is die ontroostbaar als een acteur in een stomme film, tot zijn geliefde toch opdaagt en hij zijn geluk niet op kan. Als dáárna strijkers en blazers invallen, verwacht ik altijd een uitbarsting, maar volgt een van de mooiste stukken suikerzoete muziek die ik ken. En dan is de jazz daar weer: niet dé dansbaarste, niet dé wildste, maar wel jazz die het Harlem van toen kende zoals de Beastie Boys ooit in de South Bronx uitgingen.

Toen ik zat te grasduinen in jazz en klassiek van voor en na 1924 – Claude Debussy’s ‘Le petit nègre’, Duke Ellington, Fletcher Henderson, Sergej Rachmaninov, het nogal stijve ‘La création du monde’ van Darius Milhaud – dacht ik de hele tijd: George Gershwin is een spons op een kruispunt van vele stijlen, die radicale, vrijelijk met mekaar omgaande klanken ombuigt tot een populaire deun zoals ik een spiegelei bak.

Als Joods lagere middenklassejongetje groeit hij op in de gemengde, maar moeilijke buurten van Brooklyn, de Lower East Side en Harlem; hij is dus een paar keer verhuisd. Op een dag wordt hij gegrepen door klassiek, studeert en studeert terwijl de rest van de buurt spijbelt en met de bal speelt, ontwijkt vakkundig pakken slaag, kleedt zich elegant tot er aan al zijn vingers een kortgeknipte vrouw hangt, en plukt uiteindelijk met ‘Rhapsody in blue’ jazz niet alleen van de straat om het genre de concertzalen in te slingeren, nee, het wordt zelfs een keer in een stadion opgevoerd, zó populair is het.

Sommige – zeker niet alle – klassiekliefhebbers fronsen de wenkbrauwen, en veel danslustigen moeten gedacht hebben: soms speelt die man zoals de anderen, soms speelt hij als drie anderen tegelijk.

Gershwin over het ontstaan van ‘Rhapsody in blue’: ‘Vaak hoor ik muziek in de kern van het lawaai’. Het is die fantastische muziek – die catchy melodie en die zoete harmonie – die het oppervlak glashelder houdt en in de worstelwedstrijd van daarnet de ernst met twee schouders op de grond drukt.

De heer Gershwin, die ook golfde, schilderde en tapdanste als de besten, had in de jaren die volgden spannende duels met de fantastische Duke Ellington kunnen uitvechten, maar hij trok zich te veel de recensies aan waarin stond dat hij geen ernstig muzikant was, trok naar Europa, ontmoette er de avant-gardisten, en schreef 12 jaar na ‘Rhapsody’ de opera ‘Porgy and Bess’, op zoek naar erkenning als klassiek componist.

Op de ‘Porgy and Bess’-dvd die ik onlangs bekeek, staat: ‘Met de songs ‘Summertime’, ‘It ain’t necessarily so’, ‘I loves you, Porgy’ en nog veel meer’. Die sublieme popsongs kent iedereen, maar die nog veel meer lijkt meer op ‘Lulu’ van Alban Berg dan op ‘Rhapsody in blue’. Tegelijk weet Gershwin heel goed welke wereld hij represent: hij eist dat alle (grote) rollen door zwarten worden gespeeld, en dat leidt tot een rel in Washington én tot de eerste opvoering ooit voor zwart én blank publiek in het National Theatre. Respect! Onderstaande fragmenten zijn van een Broadway-opvoering van 2012:

De definitieve ode aan ‘Rhapsody’ zit aan het begin van Woody Allens ‘Manhattan’. Een schrijver begint aan hoofdstuk 1 over zijn stad. De openingszinnen die hij voorleest boven het glissando van de klarinet zijn achtereenvolgens te romantisch, te banaal, te prekerig en te giftig. En dan is hij er: ‘Chapter one. He was as tough and romantic as the city he loved. Behind his black-rimmed glasses was the coiled sexual power of a jungle cat. New York was his town and it always would be.’ Boem! Piano! Cimbalen! Een neurotische stadstijger met smalle schouders en een brilletje. Wat een act! Wat een stad! Wat een tijdloze soundtrack!

image