Wir könnten, aber…

 

Eind jaren 80 en begin jaren 90 was ik er een paar keer bij voor, tijdens en na de val van de Berlijnse muur. Ik had – op het moment van de val zelf – niet veel oog voor de grote, verplichte emotie. Een hoop DDR-bewoners kochten in West-Berlijn bijvoorbeeld bananen en porno.

Ik herinner me van voor en na dat punt in de geschiedenis de bruinkoolgeur van de DDR, de goths uit Kreuzberg (die van drie kanten door de muur waren omsloten en in 1990 plots in het midden van de stad woonden), de baseballknuppels die in de nieuwe anarchistencafés in het oostdeel achter de toog klaar lagen om zich tegen een volgende aanval van neonazi’s te verdedigen, het chique visrestaurant op de toen nog Oost-Duitse Alexanderplatz (waar je je verplichte hoeveelheid wisselmarken niet op kreeg), de tentoonstelling in een vervallen chemielokaal van rottend voedsel vol maden, de staart van een oorlogsvliegtuig die uit de grond stak in de tuin van de Tacheles-club, een schilderij van Paul Klee, overleven op broodjes falafel.

In de maanden voor de muur met beitel en hamer pal onder hun studio in Kreuzberg tot souvenirs zou verkruimeld worden maakte Einstürzende Neubauten ‘Haus der Lüge’. De Prolog is al raar. Een twijfelende dictator spreekt tot de massa: ‘Meint ihr nicht: wir könnten unterschreiben / auf dass uns ein bis zwei Prozent gehören / und Tausende uns hörig sind’. Na ‘Wir könnten, aber…’ komt er lawaai uit de boxen. Ik bedoel lawaai! Een stellingname wordt overspoeld door chaos. Of door realisme, dat kan ook.

 

image

 

Anekdote twee: in 2006 loop ik in Berlijn voorbij de plek waar net de Palast der Republik is afgebroken. De DDR-cultuurtempel moest weg, de Neubauten hebben er in 2004 nog concerten gegeven toen de meeste asbest er uit was gehaald en alleen een geraamte van het gebouw overbleef. Een keurig in een Karel De Guchtpak zittende man toont me de maquette van wat het Hohenzollernschloss gaat worden dat hier opnieuw in z’n 18e-eeuwse glorie naast de Spreerivier zal komen te staan.

 

 

Ik wandel naar Kreuzberg, naar een permanente tentoonstelling over de Berlijnse krakersbeweging. Hier dezelfde professionele maquettes en meticuleuze documentatiedrang, en ergens op een tv’tje oude Neubautenbeelden. Het concertfragment dat me aan de grond nagelt – het lef, de overtuiging, de hongerwinter die alsnog is overleefd – is de song ‘Einsame Wölfin’. Het jaar is 1980, de Berlijnse punkclub heet SO 36. De club werd in die dagen gerund door Turken, die aan het woord komen: ‘Die job in de culturele sector was een hele vooruitgang voor ons, behalve als de Neubauten speelden, op die momenten was het alsof we opnieuw in de fabriek werkten.’ Hilariteit alom. Wat een geschiedenis!

 

 

Hoe mijn favoriete levende oosterburen hier in de media doorheen de jaren begroet werden? In een recensie uit Humo van ‘Zeichnungen des Patiënten O.T.’ van 1984 komen werklieden de centrale verwarming van de journalist ‘niet bepaald zachtzinnig, niet bepaald geruisloos’ behandelen. De man stopt hen een Black and Decker in handen en bezorgt hen een optreden bij autokerkhof Willy Derijke, niet zonder toe te geven dat het geniale idee afkomstig is van Einstürzende Neubauten.

Tijden veranderen: 23 jaar later moet in datzelfde medium in verband met ‘Alles wieder offen’ zelfs de truc met de vorige plaat die beter is worden bovengehaald: ‘Het fabelachtige niveau van voorganger ‘Perpetuum Mobile’ wordt nét niet gehaald’. En het wordt nóg lyrischer: ‘De manier waarop Blixa Bargeld hier de taal van Heine & Heino bezigt geeft ons zin om sofort naar Keulen te emigreren en voortaan als Wolfgang door het leven te gaan’. Vooral die sofort is goed. Ook Heino is uiteraard uitstekend gevonden.

‘Als de Neubauten hier ophouden is dat voor mij al lang goed, als ze nog een bisnummer hebben zitten: nog beter’, ging ik een paar maanden geleden schrijven, maar toen las ik op neubauten.org dat het bisnummer in 2014 begint bij ons, In Flanders Fields: ‘Die Premiere mit einem speziell konzipierten Konzert findet am 8.11.2014 in Diksmuide, Belgien statt.’ Tickets gekocht? Tickets gekocht. Uitverkocht? Uitverkocht.

Omdat het om een Wereldoorlog I-herdenking gaat, krijgt iedereen die de grap ‘Sie sind wieder da!’ bovenhaalt een GAS-boete. En terecht, want die ‘wieder’ sloeg op de tweede wereldoorlog.

De vanuit een souterrain opgenomen video bij het fenomenale ‘Ich warte’ is van de hand van Ans Volkers.

 

 

Dichtgetimmerde ramen, met spinrag overdekt

 
image
 
Bob Dylan
‘Oh mercy’
1989

 

De kunstenaar Bob Dylan breekt in de jaren 80 amper uit zichzelf. Het lijken 10 lange jaren van louter stagnatie.

Dylan zelf over die periode: ‘Altijd productief maar nooit precies, had ik mijn muzikale weg door te veel afleiding laten overwoekeren tot een jungle van wijnranken en klimplanten.’ Of nog: ‘De ramen zaten al jaren dichtgetimmerd, met spinrag overdekt, en ik maar doen alsof mijn neus bloedde.’ Ook treffend: ‘Waar ik ook kom, ik ben een troubadour van de sixties, een folkrockfossiel… Ik was wat ze noemen op m’n retour.’

Het zijn een paar zinnen uit de eerste bladzijden van hoofdstuk 4 van ‘Chronicles’, Dylans autobiografie in (lange) fragmenten. De man zit in de aanloop naar het verhaal van de opnamen van ‘Oh mercy’, een plaat uit 1989.

Dylan vindt een nieuwe techniek: ‘dynamische principes waarmee ik mijn optredens kon transformeren’. In het Zwitserse Locarno valt hij op een podium voor 30.000 mensen een ogenblik lang in een zwart gat, maar hij maakt zijn ‘eigen bezwering om de duivel uit te drijven’. Zijn hand ‘raakt onchristelijk gewond in een idiote samenloop van omstandigheden’. Hij schrijft een paar songs, maar de wil om eraan te werken ontbreekt.

De sfeer is die van totale ontreddering, weliswaar in het decor van zijn landgoed dat ’s avonds, als een vos of een coyote de paarden en honden onrustig maken, uitgeeft op een donker geuldal overwoekerd met struiken. De lichten van zijn grote huis blinken als het interieur van een casino, noteert hij ergens.

Bono komt langs met een kratje Guinness en praat hem producer Daniel Lanois aan. Dylan trekt in zijn eentje naar New Orleans; hij laat zelfs zijn gitaar thuis achter.

Als hij na opname van de eerste song van ‘Oh mercy’ de studio verlaat, funkt Lanois alles ongevraagd op: ‘Alles leek in te storten en we waren niet eens begonnen’.

In de eerste song die ‘deed wat-ie moest doen en niet alleen maar wat beloofde’ wil Lanois er koste wat het kost een cajunorkest bij. Dylan hoort Lanois’ toegevoegde lagen wel die de songs een soort karakter en doel geven, maar zijn buik gromt: naarmate songs die al van in het begin onaf lijken in de verkeerde richting evolueren, worden ze voor hem steeds onaffer.

Als Lanois het technisch niet goed vindt, geeft Dylan hem gelijk, maar houdt hij tegelijk vast aan ‘het gevoel van ontzag’ dat over de demo’s hangt.

Soms blijft een tekst vol mistige betekenissen zitten en wordt het niet het liedje dat zichzelf transformeert. Soms vindt hij geen definitieve melodie, alleen globale akkoorden. Soms loopt Dylan weg van het gedoe, om in New Orleans rond te dolen op kerkhoven, en tegelijk te beseffen dat het beste dat hem kán overkomen de ‘muziekdokter’ Daniel Lanois is, ‘die het intieme harmonische gevoel van een lied naar voren haalt’, een man die tegelijk van pure frustratie een metalen dobro aan diggelen zal slaan, en dat zonder iemand van de opnameploeg van Einstürzende Neubauten te verwittigen.
 

 

 

The year that Bill Callahan broke

 
Tijd voor een overzicht van een paar Bill Callahanmomenten die Honderd niet hebben gehaald.

1. ‘Bathysphere’ uit 1995. In ‘Ah! Ah! Ah! Ah!’ wordt onder denkbeeldig water naar adem gehapt. Iemand vraagt op z’n zevende aan zijn moeder om hem in een holle bol diep in zee te laten zakken, en, mocht de stalen kabel knakken, hem daar beneden met rust te laten. Maar dan zegt zijn vader iets… Werd ooit gecovered door Cat Power.
 

 

2. ‘River guard’ uit 1999. Als de verteller de gevangenen meeneemt om te zwemmen, denken ze altijd aan strafvermindering. De bewaker mijmert filosofisch terug: ‘We are constantly on trial / it’s a way to be free’.
 

 

3. De onvertaalbare mop die de man ergens op een concert vertelt: ‘What did the easter egg say to the pot of boiling water? It’s gonna take me a long time to get hard, I just got laid by some chick’. Akkoord, niet dé mop aller tijden, maar wie Callahan een beetje kent, weet ondertussen: elke kwartjoke die zich vertoont is welgekomen.

4. ‘Summer painter’ uit 2013, verrassenderwijs the year that Bill Callahan broke. Een man schildert een zomer lang namen op boten: Rich Man’s Folly en Poor Man’s Dream bijvoorbeeld. Rondom hem bouwen bevers hun dammen. In de herfst is hij weg. Een onweer wordt verbeeld op Gil Scott-Heronfluit en op een gitaar die vlekken maakt die eruit zien als grote plassen, afgeknakte bomen en grondverzakkingen. Na de ravage wordt de man verdacht van voorkennis, alsof al die tijd bij het water hem controle over de regen heeft gegeven. Mocht deze song een whodunnit zijn, de bevers zijn de hoofdverdachten. De sfeer na de storm, in Callahans beknopte stijl: ‘Then came a quiet / No one should know’.