Culture Club en Duran Duran

 
GetAttachment-10.aspx
 
The Jesus And Mary Chain
Psychocandy
1985

 

In een tijd waarin feedback geven en ontvangen nog niks te maken had met ‘elkaar binnen een bedrijf bijsturen’, maakte The Jesus And Mary Chain ‘Psychocandy’. 1985 is ook het jaar van ‘The firstborn is dead’ van Nick Cave And The Bad Seeds. Ik leid daaruit af dat ik in die tijd een voorkeur had voor kleine drumstellen en subliem klungelende muzikanten die niet bepaald in fluokledij rondliepen.

Aan de twee trommels en verder niks: Bobby Gillespie, later Primal Scream. Toen hij op de tweede plaat vervangen werd door een drummachine, klonk het minder. Toen nog later een echte drummer inviel, mét cimbalen en mét alle trommels die bij een stel horen, klonk The JAMC even goed als The Primitives, Ride, Slowdive en Lush.

’t Was alleszins niet meer de groep waarvoor ik in de houding was gaan staan toen Luc Janssen op een zaterdagavond in het radioprogramma Domino deel 2 (de B-kant) ‘Upside down’ draaide, een song die begon met feedback die pieeeeeeeeeekggggggggggg deed. Blij! dat ik was dat een cassette meedraaide.

The JAMC stonden niet langer dan een paar songs op het podium en zochten ruzie (of beter: toen na een pershype rellen uitbraken op concerten, leerden we hen niet als topdiplomaten kennen). De rellen braken naar verluidt vooral in Engeland uit.
 

 

Ze namen ‘Psychocandy’ op vanuit een bramenbos van feedback, waar ze zich ternauwernood een weg uit kapten via een hey hey hey, yeah, of door een zachte song in te lassen die op meidenpop van de Phil Spectorschool leek. Ze hadden natuurlijk ook het boek ‘Hoe pluim je The Velvet Underground?’ gelezen.
 

 

Het volstrekt relloze concert dat ze in 1985 in De Brielpoort in Deinze gaven herinner ik me niet als te kort. Misschien viel het op dat Futuramafestival niet op. Misschien waren hen zoveel verhalen vooruitgereisd over 20 minuten spelen dat 24 minuten lang leek; ik weet het niet meer. Ze stonden stokstijf stil (als ik het me goed herinner ging er zelfs eentje zitten), deden alsof ze compleet tegen hun zin daar waren, en toch ging de zaal plat. Die combinatie had ik nooit eerder ervaren, en maakte ik daarna nooit meer even indrukwekkend mee. Er waren nóg groepen die amper bewogen en er zouden er nog velen volgen (My Bloody Valentine is een prima voorbeeld), maar die creëerden geen Ramonesachtige verwachtingen en ontlading. De Mary Chain toen wel.
 

 

In die tijd niet gezien op tv, nu wel op internet: het hilarische interview dat Bart Peeters met Jim en William Reid en Bobby Gillespie deed. Gillespie zit de hele tijd een meisje te muilen. William Reid zegt niks. Jim Reid is in een goeie scheldbui. ‘JAMC is een commerciële groep’, zegt hij. ‘We’ve got our eye on the charts, our competition is Culture Club and Duran Duran.’ Waarop Bart Peeters zegt: ‘In de Britse pers staat dat jullie als livegroep straten voor liggen op Joy Division. Dat moet flatterend zijn.’ Reid weer, met dat rare Glaswegian-accent: ‘Not really, because it’s not difficult to be streets ahead of Joy Division. J.D. were particularly awful. J.D. were shit. They were fuckin’ rubbish. I don’t even want us to be mentioned in the same sentence as Joy Division.’ En daarna komt de beste: ‘They were so unambitious’.

Ik moet keihard lachen. 1. De laatste rechte lijn van de song ‘In a hole’ is gewoon krék ‘Heart and soul’ van Joy Division. Ze zingen ‘Heart and soul’, zonder er één (tekst)idee aan toe te voegen, en ze spelen ‘Heart and soul’, met als enige verschil die aardverschuiving aan feedback eroverheen. In hun trage songs krioelt het van de echo’s van JD’s meest Spectoriaanse song ‘Atmosphere’. En dan op Joy Divsion schelden, natuurlijk. Zo moet het. 2. Reid is hier textbookcomedy: hij is geen levende persoon, een ingebouwde mechaniek voert in deze vogelschrik het woord.

The Mary Chain! Hun sterkste wapens? De keteldrums van Gillespie. De zonnebrillen en de arrogantie. De drugsteksten stijl ‘I’m kneedeep in myself, but I want to get more of that stuff’. En natuurlijk de feedback, die eerst op jonge chihuahua’s is uitgetest. Daardoor geldt voor hen ter hoogte van ‘Psychocandy’, en alleen daar: ‘There’s a million of ‘em just like ‘em / Who cuss like ‘em / who just don’t give a fuck like ‘em / Who dress like ‘em / walk, talk and act like ‘em / Could have been the next best thing but not quite them’.

‘Iiiiiiiiiiieeeeeekkkkkkkgggggggg…’
 

 

De glazen stolp

 
image
 
Soundgarden
Superunknown
1994

 

Tijd voor een overzicht van de vijf grootste steden van de Verenigde Staten anno 2012. New York, Los Angeles, Chicago, Houston, Philadelphia. Soundgardenstad Seattle stond in 1990 op de 21e plaats, vandaag op de 22e.

Je had er toen Boeing en je had er Queensrÿche. Het regende er elk jaar meer dan vroeger. Grote groepen sloegen de stad over, waardoor de locals zelf hun concerten moesten organiseren. Harde betongroepen als Scratch Acid en Big Black landden er wel, en kregen met een publiek te maken dat wilder was dan elders. Toen kwamen de Nirvanahype en het monstersucces, en de grote platenfirma’s die als varkens neerploften, iedereen uit eten vroegen, hier en daar een groep verpletterden en verder trokken naar een volgende stad.

Amateursociologen en andere nerds high five-den theorieën over en weer: ‘Het noordwesten is de streek waar de UFO-verhalen ontstonden’, ‘Er leven meer seriemoordenaar dan in eender welke andere stad in de States’ en ‘Door het slechte weer en de heroïne doe je minder aan sport, dus zoek je een andere hobby’. Ik gok op die laatste theorie.

Gelukkig kaatsten plaatselijke stammen een en ander ook Tijl Uilenspiegelgewijs terug. De mensen van het Sub Pop-platenlabel staan in de goeie documentaire ‘Hype’ bijvoorbeeld op een terras en zeggen: ‘Laten we wel wezen. Vijf jaar geleden was Seattle een vissersdorpje, en kijk nu eens naar de skyline: ‘Allemaal óns werk!’
 
image
 

Ook compleet verzonnen door inboorlingen die gewoon zaten te wachten om de vólgende antropoloog wat op de mouw te spelden: een hilarisch lexicon van zogenaamd hippe grungewoorden die allemaal keurig in de New York Times werden afgedrukt.

Fuck trouwens grunge! Ooit was er een radioprogramma dat Betonuur heette. Op een andere zender luidde een wervende slogan: ‘Sleur je buren door de muren’. Genre? Metal, natuurlijk. Als we ‘Let me drown’, de onmiddellijk de kamer vullende opener van Soundgardens ‘Superunknown’, geen metal mogen noemen, welke door Wodan zelve gelaten knalscheet dan wel?

In de Afdeling Boenk Erop is ‘Let me drown’ zeer tastbare harde rock van de zéér potige ritmesectie Matt Cameron-Ben Shepherd, van een bij de pinken zijnde gitarist Kim Thayil (met een onder heet water gehouden mes snijdt hij deze taart moeiteloos in stukken), en van een waanzinnig krachtig uithalende zanger Chris Cornell (die in de studio met ijswater vol steengruis gorgelde).

Cornells stem was van bij Temple Of The Dog in vele hoofden en harten blijven hangen, was in 1992 over Pinkpop heen geraasd en de man had de derde wolkenkrabber aan de linkerkant in de muzikale skyline van Seattle eigenhandig opgetrokken. Dat de groep er een lap op kon geven en dat er doorheen Soundgarden iets meer Zeppelin en Sabbath galmde dan Mudhoney en Nirvana wisten we al via de beestig goeie voorganger ‘Badmotorfinger’, een cd die ze ter hoogte van Pinkpop 1992 meebrachten. Dit stuk concert is werkelijk magistraal. En dan moet Pearl Jam die dag nog komen:
 

 

Waarna ‘Superunknown’ in 1994 nog veel, veel meer wordt dan wat voorafging. ‘My wave’ zit vol indrukwekkende gaten (ik herinner me de live-kennismaking met die song tot vandaag). De tablas- en sitar-Beatles zijn soms een beetje (‘Black hole sun’), maar even vaak heel nadrukkelijk aanwezig (‘Head down’, ‘Half’). In ‘Spoonman’ zitten echte lepels. Songs als ‘Black hole sun’, ‘Spoonman’, ‘Fell on black days’, ‘My wave’ en ‘The day I tríed to live’ zijn zonder meer uit-ste-kend – wie die parels alleen binnen de beperking van het harde genre goed vindt, is volgens mij altijd en overal aan het wachten tot er eindelijk ‘unplugged’ en ‘authentiek’ gespeeld wordt. Al de rest is nérgens vulsel.
 

 

Valt er ook iets op in de teksten? Absoluut. Weinig of geen karakters uit Dungeons and dragons, tenzij er een mij onbekende versie van dat rollenspel bestaat waarin trollen, halflingen en barbaren levens verliezen met Depressies, Drugsgeëxperimenteer en Zelfmoordneigingen. Chris Cornell, die in een oude song ‘Outshined’ zichzelf al eens op heldere wijze had beschreven met ‘Looking California / Feeling Minnesota’, liet zich voor ‘Superunknown’ naar eigen zeggen inspireren door Sylvia Plath. Ik moet maar aan ‘De glazen stolp’ denken of de horror begint weer – Plaths ‘The bell jar’ is een zéér heavy metalen boek.

Cornell verklaarde ‘Let Me Drown’ als een terugtocht in de baarmoeder, ‘Fell on Black Days’ als het besef extreem ongelukkig te zijn, ‘Black Hole Sun’ als een droom die lang bleef spoken, ‘The Day I Tried to Live’ als de ontgoocheling na het doorbreken van isolement en ‘4th of July’ als het relaas van lsd-gebruik. Aanleiding voor ‘Like Suicide’: een vogel die bij Cornell thuis tegen het raam vloog; de man verloste het zwaargewonde dier uit zijn lijden met een steen.
 

 

Wat in 1994 opvalt: Soundgarden staat in lichterlaaie en is moeilijk interviewbaar. In Keulen sleuren ze bij een collega een hoteltelefoon uit de muur. De avond ervoor heeft Cornell zich met de voet van zijn microfoonstatief een mansgroot gat(!) in het podium geslagen (waardoor hij aan het eind van het concert verdwijnt). ‘Wees er zeker van dat ze ons veel te veel zullen aanrekenen’, is het enige dat Cornell erover kwijt wil.

In 1996 interview ik Chris Cornell opnieuw. Vriendelijke man. Behoorlijk wat van zijn demonen zijn waarschijnlijk via ‘Superunknown’ keurig uitgedreven. Op al wat ik wil vragen over Koffiestad Seattle, Muzikale Invloeden, Ouders, School en Favoriete Dier, heeft hij een coherent en interessant antwoord. Maar… van de Soundgardenplaat die toen verscheen ken ik zelfs de titel niet meer. Op het concert in Vorst Nationaal, waar ik vol verwachtingen naartoe ga, hoor ik een groep zo routineus spelen dat ik twee dingen denk: ‘Komt nooit meer goed’ en ‘Stone Temple Pilots’.

Watskeburt? Ik kan altijd proberen te gokken. Briesje uit Californië doet in het regenachtige noorden geluk en vrede belovende popmuziek aanspoelen. Met de overschotten van een eerste liefde voor punk en metal wordt in veel songs een nieuw begin gemaakt. Omdat Seattle centraal is komen te liggen, staan er schijnwerpers op deze uittocht, die voor velen klinkt als een te neurotische, te nadrukkelijk blootliggende zielswereld. ’t Is een omzetting, een verschuiving, grensoverschrijding, hartstocht die vleugels krijgt. En dan duikt een andere grens op. Voor mijn part noem je het het Peterpricipe: ‘Stijgen tot het eigen niveau van incompetentie’. Natuurlijk zijn er artiesten die meer mannen uit één stuk zijn, met langere carrières, die niet zo ‘dom’ zijn al hun hebben en kunnen in twee steengoeie platen te stoppen, om daarna (zoals we het het liefst hebben) te sterven of (zoals Soundgarden) te verwelken. Die zoveel slimmere artiesten staan niet op 61, en Soundgardens magistrale, van de eerste tot de zeventigste minuut boeiend blijvende ‘Superunknown’ wél. Voilá. Met accent aigu. Nè!

Iemand heeft Soundgarden water gegeven, want ze bestaan sinds 2012 opnieuw. Ik wist dat niet. Omdat ik weer niet zat op te letten.

Ik knip nog iets uit de titeltrack: ‘If this doesn’t make you smile / You don’t have to cry / If this isn’t making sense / It doesn’t make it lies / Alive in the superunknown / First it steals your mind / And then it steals your soul’.

While we’re at it, waarom niet Sylvia Plaths ‘The Bell Jar’ opleggen, een boek dat mij hier geheel terecht de categorie ‘Zelfmoord’ doet aanklikken! De verteltoon, het accent, de manier waarop ze een paar keer na mekaar ‘patent leather’ zegt… de perfecte voorlezer heet Maggie Gyllenhaal:
 

 

De playlist bevat muziek uit ‘Superunknown’-jaar 1994, een lijst die ik al liet horen toen dEUS met ‘Worst case scenario’ op 107 belandde.
 

 

A night in the life

 
image
 
Arctic Monkeys
Whatever people say I am, that’s what I’m not
2006

 

Zometeen wordt er zwaar uitgegaan op deze plaat, die we van song twee tot en met acht A night in the life of a Sheffield geezer zouden willen dopen.

Eerst komt de piepjonge Alex Turner met zijn uitzicht vanuit de wachttoren van de namiddag aandraven. Hij is in ‘The view from the afternoon’ nog nuchter en weet: ‘Anticipation has the habit to set you up / For disappointment in evening entertainment but / Tonight there’ll be some love’. De vraag luidt dus: ‘Zullen verwachtingen wéér niet worden ingelost, of maakt hij vanavond toch kans?’ Terwijl hij de dingen tegen mekaar afweegt, rijdt een limo voorbij. Dronken, brallerige, maar hopeloze meisjes hangen uit het open dak. De konijnenoren zijn roze, de duivelshoorntjes rood. Gewoon een hen party, omdat vrijgezellenavond een te slap woord is. De verteller laat de limo passeren en heeft nog steeds friday on his mind: hij wil nóg een keer zien wat hij al zoveel keer heeft gezien.
 

 

En dus zit hij, als de avond valt, in te pinten in de pub. Er zijn er die de jackpot van de fruitautomaat winnen, ze stoppen het gewonnen geld er opnieuw in en leren dat ze van die eenarmige bandiet uiteindelijk nooit winnen. Turner denkt: ‘Als ik vannacht in dronken toestand maar geen sentimenteel tekstbericht stuur, want de geadresseerde die op sterretje en ontgrendel duwt zal dan vooral onthouden dat ik wéér ladderzat ben geweest.’

Maar voorlopig is het nog niet donker. Er is in de pub zelfs oogcontact. ‘I bet you look good on the dancefloor’ betekent: straks zal zij misschien dansen op die altijd eendere electropop, zoals een robot uit 1984. Die muziek is al niet Turners ding, maar aantrekken en afstoten gebeurt altijd en overal tegen een achtergrond van dj-sets en dirty dancing, met nergens een spoor van grotere gevoelens, laat staan van Montagues en Capulets.

Staat ook te lullen aan de toog in ‘Fake tales of San Francisco’: een collega-muzikant. Eén met het juiste hoedje, en met een glas wijn. Hij is in San Francisco geweest, beweert hij. De verteller heeft hem eens z’n lyrics uit het hoofd zien leren in de toiletten net voor hij op moest. Dat zijn groep onbenullig is viel ook af te lezen aan het microfoongepiep. Een meisje op de voorste rij nam tijdens het optreden zelfs haar gsm op, liep naar buiten en zei tegen wie belde: ‘Je hebt me gered, want de groep die ik stond te bekijken is kouwe kak’. De muziek van ‘Fake tales’ is bedaarder dan die van song 1 en 2, maar een lichte ontploffing aan het eind verraadt ook hier de invloed van wie aan de Monkeys voorafging: The Libertines (die in deze variant perfect over een lange witte lijn kunnen lopen) en The Strokes (in een minder drammerige upgrade).

De dansschoenen worden nu echt aangetrokken, maar de verlegenheid raakt in de club met moeite afgeschud. Turner zegt dingen tegen zichzelf als ‘Blozen ziet toch niemand in het donker’ en ‘Laten we wel wezen: er is maar één reden waarom je deze club bezoekt, en da’s om een griet te versieren, so get on with it’.

‘You Probably Couldn’t See For The Lights But You Were Staring’ dendert harder door op hetzelfde thema; de zanger wordt nu genegeerd door de knapste en populairste jonge vrouw op de dansvloer. Hij focust dan maar op een opgeschminkt, leeghoofdig prinsesje (‘You know nothing, but I’ll still take you home’).

Bij het naar buiten gaan eerst nog even de flikken jennen in ‘Riot van’. Als een agent zegt dat hij er niet oud genoeg uit ziet om al te drinken (dus jonger is dan 18), geeft hij het totaal verkeerde antwoord: ‘I’m sorry, officer / Is there a certain age you’re supposed to be / Cause nobody told me’.

‘Red Light Indicates Doors Are Secured’ sluit de nacht af met een taxirit naar huis. Kunnen ze er met zes in? Nee, en zeker niet met voedsel. De knappe griet van daarnet en een bijna-vechtpartij aan de taxihalte worden besproken, de verteller zit met z’n rug naar de chauffeur, en ze moeten onderweg nog iemand afzetten, dus zegt hij High Green via Hillsborough please. De meter staat al op 2,50£ en ze zijn pas vertrokken, dus wiIllen ze er met z’n allen uitspringen, maar dat zal niet lukken want inderdaad: red light indicates doors are secured.

Tot daar a night in the life of Alex Turner en zijn Arctic Monkeys die nog voor ze 20 zijn geworden al een parel van een pop’n’rock’n’ram’n’roll-plaatje hebben gemaakt. En het beste van ‘Whatever’ moet straks nog komen. ‘Mardy bum’ gaat eerst over een humeurige vriendin, en heeft een zachtheid met het bereik van grote popiconen als generatiegenote Lily Allen.

‘Perhaps Vampires Is A Bit Strong But…’ is een sneer naar jan-en-alleman die in Sheffield in de hype-via-internet-jaren die aan hun platencontract voorafgaan niet in de Monkeys hebben geloofd; de song heeft een Sonic Youth meets Dick Dale-einde.

En dan! De drie afsluiters! Eentje van stro, eentje van hout, eentje van steen. Het alom bekende ‘When the sun Goes down’ gaat over een in een Ford Mondeo stappend hoertje en haar scumbag van een pooier, ‘From the Ritz to the Rubble’ over na lang wachten in de rij vernederd worden door buitenwippers en ‘A certain romance’ is een beschrijving van chavs: luidruchtige witte hiphoppers wier gedrag Turner niet zó verschillend vindt van dat van jongens uit zíjn eigen clan als die ook een paar blikjes te veel op hebben. Andere observatie over die in trainingsbroeken gestoken brutaaltjes: ‘That’s what the point is not / The point’s that there is no romance around here’. Een zeer welkome, gematigde kijk op de lagere klasse (in een zeer klassenbewust Groot-Brittannië geen evidentie), maar vooral: een fantastische song, die ook de zin ‘There’s only music, so that there’s new ringtones’ bevat. Da’s al de derde keer dat de mobiele telefoon opduikt. Daar zongen The Kinks, The Specials, The Police, The Jam en The Smiths niet over. Arctic Monkeys wel.