Condorhoog en stoptreinlaag

 
image
 
The Rolling Stones
Exile on main street
1972

 

‘Exile on main street’ is een dubbelaar.

De namen Nellcôte (het domein) en Villefranche-sur-Mer (het Zuid-Franse stadje) moet ik gaan opzoeken, ik heb de onlangs uit de vaults opgediepte extra’s niet gehoord, en de film over de making of niet gezien.

Ik ken ondertussen wel de sleutelwoorden: belastingontduiking en vochtige opnamekelder. Op de verdiepingen daarboven: waarschijnlijk een m’as-tu vu, en een drugleverancier te veel. Wie niet aan de overschot van Keith Richards’ heroïne wil zitten staat erbij en kijkt ernaar, of verdwijnt richting een Pastisterras in het nabijgelegen Nice; het is trouwens zomer.

Zijn in het begin nog op tijd als om 8 u ’s avonds de bandopnemer van de mobiele studio in Richards’ kelder op rec. wordt gezet, maar daarna een keer te veel werkloos: Mick Jagger en ritmetandem Bill Wyman/Charlie Watts. Zitten wel aan de drugs: al de rest, de blazers die af en toe ook drummen en bassen, de twee gitaristen Richards en Taylor, en bezoekers uit de periferie: William Burroughs (die voor zover ik hoor niet in de opnameruimte is geweest) en country-upperclasskind Gram Parsons die zich als een gevallen engel gedraagt en wordt buitengezet, want de Gerdarmes de Saint-Tropez zijn gesignaleerd. Misschien is hij het die een countryspoor achterlaat in ‘Sweet Virginia’: prachtige song, die ofwel over een vrouw kan gaan, ofwel over een Amerikaanse staat. Geen van beide partijen zal hebben gelachen met de tekst: ‘Come on down you got it in you / Got to scrape that shit right off your shoes’.

Een zin die mij aan het begin van de plaat opvalt: ‘The sunshine bores the daylight out of me’. Sfeer: er ondanks alles tegen aan! Een meer tot inkeer aansporend moment aan het einde van de rit: ‘May the good lord / shine a light on you / make every song / your favorite tune’. Sfeer: het is wel geweest.

‘Exile’ is gemaakt in twee stappen. Keith Richards doet zijn blues-, rock-, gospel- en countrygoesting in Frankrijk, en Jagger neemt daarna de leiding in een studio in L.A. Gaan uitvissen in hoeverre songs in Frankrijk af waren en wie wat waar inspeelde: nee bedankt. Hoe blazerslagen en een rock’n’roll-piano hier over mekaar rollen in de machtige openers ‘Rocks off’ en ‘Rip this joint’: dat zal niet louter in Nellcôte gebeurd zijn. Maar tegelijk, overal worden in de eindmix uitschuivers behouden: van gitaar, orgel, zelfs de backing vocals aan het slot van ‘Let it loose’ gaan alle kanten op. Iemand moet gehoord hebben dat het je ne sais quoi van de basistracks niet kapot mocht.

Je hebt lp’s en singles, en dit is een lp waar ik geen single kan uithalen. Is niet altijd een compliment, maar hier wel. Is Jagger een fantastisch zanger? Ja. Een betere dan Richards op ‘Happy’? Absoluut. Maar ik hoor hem liever omringd door al deze mannelijke en vrouwelijke stemmen, waarna blazers overnemen en de stemmen de achtergrond in gedrukt worden, dan een piano erover, fade out, volgende song een tempo hoger of lager, of een Slim Harpo-cover, of een song die vanop een Dr. Johnplaat lijkt overgeschreven,… terwijl toch alles in de plooi valt, en over alle songs een gelijkaardige vibe hangt. En dan, daar ergens tussen, Keith Richards die ‘Happy’ zingt, a song so nice I mention it twice.

Als er in de jaren 80 al Youtube had bestaan, had ik bij pakweg ‘Happy’ (3e keer) of ‘All down the line’ kunnen schrijven: ‘The Replacements sent me here’. Als ik vandaag benieuwd ben waar precies Primal Scream op ‘More light’ te slordig zal zijn en waar briljant, waar condorhoog en waar stoptreinlaag, is dat om dezelfde reden. Heroïne als verklaring voor dit soort losvastmuziek is een reductie, maar de drug speelt onmiskenbaar een rol.

Ik weet niet wie of wat Keith Richards en C° gered heeft (Richards heeft het tenslotte tot een bijrol in ‘Pirates of the Carribean’ geschopt). De laatste zin van afsluiter ‘Soul survivor’ (‘You’re gonna be the death of me’) en een paar andere, over de plaat verspreide aanwijzingen doen mij gokken: niet de flikken, niet de drugsdouane, niet de vrouwen (hier wordt er ergens één bezongen met ‘All dressed up to do harm’), maar wel die niet te onderschatten motherfuckers die altijd op de loer liggen: plicht en geweten, die op de duur zijn gaan vergaderen met vakmanschap en discipline. My guess!

Mogen ze mij deze plaat afpakken? Nee. Wil ik er een volledige Stonesbox en een t-shirt met een tong bij? Nee en nog eens nee.
 

 

 

‘Spotlight on James Brown now’

 

image
 
James Brown
‘Live At The Apollo’
1962

 
 
 
Fantastische song, die met ‘Do you like good music? / That sweet soul music’ van Arthur Conley. Dateert van 1967, Otis Reddings laatste en beste jaar. Conley zet eerst de spots op Lou Rawls, Sam and Dave en Wilson Pickett, en daarna op Otis Redding: ‘Singing fa fa fa fa fa fa fa fa / Fa fa fa fa fa fa fa fa’. Laatste strofe, die hij in 1967 vaak zong in het voorprogramma van Redding op de Stax/Volt Revue-avonden: ‘Spotlight on James Brown now / He’s the king of them all, yeah’.
 

 

James Brown is de koning, laat dat duidelijk zijn. Hij is bijvoorbeeld eerst. Al vanaf 1956 kan Brown indrukwekkend singletje na indrukwekkend singletje inkaderen. Van ‘I got you (I feel good)’, ‘Try me’, ‘Papa’s got a brand new bag’ en ‘It’s a man’s man’s man’s world’ – we zouden er 10 andere kunnen opsommen – weet je nooit wat je eerst moet denken: ‘Ugh!’ of ‘Hit me!’. Die schijven zijn een serieuze aangelegenheid en een kwestie van angstzweet controleren, liefst on the good foot, tevergeefs proberend ‘Get up offa that thing’ even snel te zeggen als de godfather.

Hét scharniermoment uit Browns carrière moet ‘Live at the Apollo’ uit 1962 zijn: kale funk, rauwe blues, zeer impressionant allemaal. De instrumenten klinken verknipt zoals jazz, de trompet heeft bijvoorbeeld naar Miles Davis geluisterd, daar ben ik zeker van. Alle kopers zijn zeer scherp.

Brown zelf heerst werkelijk over de 1500 mensen die naar Harlem zijn afgezakt. Zoals bij liveopnames van The Beatles denk je al eens: waren er eigenlijk jongens in de zaal? Komt daarbij: niemand in de industrie wilde van een liveplaat weten, dus moest Brown zelf de Apollo en de smokings en de opnameapparatuur huren.

De eerste dagen wordt er nog niks opgenomen en staat er avond na avond een vrouw vooraan ‘Sing it to me, motherfucker’ te roepen. De vrouw wordt op de opnamedag als een soort ceremoniemeester gebruikt om de fans nog meer op te peppen, maar tegelijk wordt er geen microfoon bij haar in de buurt opgesteld; bien joué.

Als ‘Live at the Apollo’ uitkomt, wordt het in z’n geheel op de radio gedraaid, met commercials tussen de A- en de B-kant, en het verkoopt enorm goed. Brown kan het zwarte chitlin’ circuit voorgoed vaarwel zeggen: de stadions lonken, evenals de recepties met de president erbij, de optredens in Vietnam (voor de troepen) en in Kinshasa (een paar dagen voor de legendarische kamp Ali-Foreman).

Essentiële livebom uit 1962: het 10 minuten durende ‘Lost Someone’, een fantastisch op en neer van emoties. In de schreeuwdialoog tussen publiek en artiest zet iedereen overal perfect z’n leestekens.

De context van ‘Lost someone’? 24 oktober 1962. The Beatles wonen in Hamburg, The Apollo Theater bevindt zich op 253 West 125th Street en de song zit tussen een introductie en een medley in.

‘Don’t just say ‘Aaw’, say ‘Aaaaaaww’!

 

 

Samenzwerende getallen

 
image

Johann Sebastian Bach
Goldbergvariaties
Glenn Gould
1955 & 1981

 
 

Popmuziek is er sinds mijn melktanden, en die stonden er dik 40 jaar geleden allemaal chirpy chirpy cheep cheep-keurig in, klaar om ze om te ruilen voor sterkere exemplaren – ‘Regatta da blanc’ van The Police is een uitstekend voorbeeld. Occasioneel Radio Klaraluisteraar ben ik een dikke 10 jaar. Er staan klassieke platen in Honderd. We vallen meer dan eens door een gat in de tijd.

Klassieke muziek was, in de periode voor ik meerderjarig was, een afwezige. Hoewel: de ‘Bolero’ zat ergens in een ultra-softpornofilm.
 

 

De muziek van Beethoven kreeg een onheilspellend aura aangemeten in Stanley Kubricks ‘A clockwork orange’. De crimineel Alex gebruikt Ludwig Van vooral om te fantaseren over a bit of the old ultraviolence.
 

 

Er was Wagners ‘Walkürenritt’, dat in ‘Apocalypse Now’ van Francis Ford Coppola in verband wordt gebracht met verregaande waanzin en barbaarsheid. Uit speakers onderaan de helikopters die een Vietnambombardement uitvoeren knalt ‘Tata da daaaa da / Tata da daaaa da / Tata da daaaaaaa’. Ondertussen ontwaart luitenant-kolonel William Kilgore een perfecte branding om te surfen.
 

 

Een veel ingrijpender cinema-ervaring – en een textbook case van too much too young – was ‘Jaws’.

image

Ik zat op m’n 11e echt niet uit te vissen in hoeverre componist John Williams de twee alternerende noten van zijn hoofdthema van Stravinsky (‘Le sacre’) of van Dvořák (‘De nieuwe wereld’) had afgekeken.

http://www.whosampled.com/sample/107696/John-Williams-Main-Title-(Theme-From-Jaws)-Anton%C3%ADn-Dvořák-Symphony-No.-9,-From-the-New-World,-4th-Movement-(Allegro-Con-Fuoco)/

Het antwoord is dus: van allebei een beetje gestolen.

In Debussy’s ‘La mer’ (waarmee ik tien jaar geleden pas kennismaakte) hoor ik tot vandaag een grote witte haai gele tonnen vol lucht naar het diepe trekken. Het zou ook fantoomklank kunnen zijn.
 

 

De man die de eerste klassieke muziek maakte die ik echt als klassieke muziek herkende heet Glenn Gould. Zijn piano-uitvoeringen van 1955 en 1981 van de Goldbergvariaties van Bach (die in de 18e eeuw voor clavecimbel zijn geschreven) zijn ook de eerste klassieke muziek die ik in huis wilde hebben.

Naar verluidt werden de Goldbergvariaties gecomponeerd voor een graaf die, als hij niet kon slapen, de clavecinist Gottlieb Goldberg opdroeg de openende aria en een aantal variaties te spelen. Naar verluidt kunnen we in verband met deze anekdote niet correct antwoorden op de vraag ‘Waar of niet waar?’.

De twee Naar verluidts in de vorige alinea mag u trouwens vervangen door ‘Volgens Wikipedia’. U mag bij de Goldbergvariaties ook BWV (Bach-Werke-Verzeichnis) 988 zetten: gewoon een ordeningssysteem, een afspraak, niks belangrijks. ’t Gaat me veel minder om Bach dan om Gould, een opname-perfectionist (zeg maar: fetisjist) die tegelijk al van in de aria hoorbaar mee neuriet; in sommige variaties doet hij daarna iets dat in de buurt komt van badkamerzingen.

Over de immer boven het klavier gekromde, vanop een oude stoel zonder zitting opvallend laag over zijn instrument scherende Gould is een documentaire gemaakt die ‘Thirty Two Short Films About Glenn Gould’ heet. In korte fragmenten – variaties, zo u wil – wordt een portret getekend van deze geniale excentriekeling die niet graag over muziek praatte (maar wel over interplanetair ruimtereizen), die aan een soort smetvrees leed (bij 30 graden liep hij nog met een lange overjas en handschoenen rond) en die na een tijd niet meer wilde optreden (omdat het te luid klonk of omdat iemand in het publiek achter een pilaar niet goed kon zien).

Het schrijnendste verhaal is dat over zijn idool Arnold Schönberg die geobsedeerd was door numerologie in het algemeen en door het ongeluksgetal 13 in het bijzonder.

Toen Schönberg 65 werd, was hij bang dat hij ging sterven omdat 65 deelbaar is door 13. Een bevriend astroloog vertelde hem eerst dat hij zou blijven leven tot de cijfers een volgende keer tegen hem samenspanden. De componist dacht dat hij 78 zou worden en was gerustgesteld. Tot de astroloog hem twee jaar later liet weten dat niet alleen getallen deelbaar door 13 gevaarlijk zijn, maar ook die waarvan de cijfers opgeteld 13 vormen. Toen hij 67 werd raakte de man in paniek. Hij stierf drie maand later, op een 13e juli.
 
image
 
Vanaf de dag dat Glenn Gould 49 (4+9) jaar oud werd, sprak de dode Schönberg elke dag tot hem. Gould was niet in staat toevalligheden te aanvaarden en maakte duidelijk ook te veel overuren van bewondering voor zijn idool. Gould zou trouwens niet op z’n 49e, maar wel op z’n 50e sterven.

Op deze razend populaire muziek zijn boeken geschreven, gebouwen ontworpen en appeltaarten gebakken. Mijn favoriet Glenn Gouldmoment speelt zich af op een familiefeest midden jaren 80. Ik zeg tegen x dat ik veel naar Glenn Gould luister. ‘Een Bachverkrachter’, vindt hij. Aan het eind van het feest komt x opgewonden met de wagen voorgereden, de ramen open, op een cassette loeihard de Bach van koren, orgels, toeters, bellen en bazuinen. ‘Dát is Bach’, zegt x, en hij rijdt weg, uiteráárd met gierende banden.

Hieronder de opnamen van 1981. Op Goulds rider stond: ‘Binnentemperatuur van 30 °C’