Waterhoofdige lusteloosheid

 
image
 
Joanna Newsom
Ys
2006

 

Met de geolocatie-apparatuur waarover ik beschik heb ik plattelandsmuis Joanna Newson ter hoogte van ‘Ys’ nooit kunnen opsporen. Om de simpele reden dat er geen adres bestaat. Wat ik met zekerheid weet: Newsom bevindt zich niet in de stad in Noord-Californië waar ze opgroeide. Opener ‘Emily’ speelt zich af in landbouwgebied. Hooibalen en kruiwagens staan op hellende grond. De bergen zijn grijs en van vilt.

Joanna Newsom, die op haar tweede cd vertelt over een zeer moeilijk jaar uit haar leven, is klassiek geschoolde harpiste. Haar moeder was pianiste die ook harp speelde, haar vader dokter die wel eens naar de sterren keek, en over haar zuster Emily wordt in de gelijknamige song gezegd dat ze astrophysicus (-ca?) is. De Newsomkinderen mochten van hun ouders trouwens nooit tv kijken.

Newsoms songs zijn alles behalve een directe neerslag van gevoelens en gebeurtenissen. Alles zit verstopt in een nevel van wel zeer poëtische beschrijvingen (en van cryptische symboliek). Het wemelt ook van dieren en planten.

De voorgeschiedenis: piepjonge artieste wordt door Devendra Banhart en Will Oldham ontdekt en door critici in de freakfolk-hoek gesitueerd. Haar harpspel wordt op ‘Ys’ opgenomen door Steve Albini terwijl de mix in handen is van Jim O’Rourke. Wie al die namen kent, denkt meteen: dat is niet de b-ploeg van die muzikale subgenres. Boodschap voor wie die namen niet kent: dat is niet erg.

Newsom roept voor de productie van een heus strijkorkest de hulp in van Van Dyke Parks, omdat ze diens ‘Song cycle’ uit 1968, blijkbaar op voorspraak van Bill Callahan, fantastisch is gaan vinden. De van de hak op de tak springende avant-gardeplaat ‘Song cycle’ bevat psychedelica van vroege Pink Floyd en Beach Boysexperimenten, stapt over op vogelgezang, Donovan, een Gershwinorkest en een Hollywoodfamiliefilm, en belandt via Randy Newman en een rondgang in het laboratorium van Disneysoundtracks in een zelfverzonnen prentenboek, ik denk één waarin konijnen geruite pantoffels dragen. Ik heb eens een hele ochtend geprobeerd naar die plaat te luisteren, maar het is me niet gelukt.

De Newsomplaat bevat vijf lange songs en heet ‘Ys’ (spreek uit: ‘Iiiiiis’), naar een verdronken soort Atlantis voor de Bretonse kust! Ai. Op de hoes staat mevrouw Newsom geschilderd als was ze de Mona Lisa zelve (die ik meteen een snor wil opschilderen). Ze houdt een druïdesikkel vast en toont een gechloroformeerde mot in een kadertje. De voortekenen ogen slecht.
 
image
 
Het wordt trouwens nog erger. Dé invloed op ‘Ys’ is de lp ‘Stormcock’ van Roy Harper. Ik heb geprobeerd met de gevoelige ziel Harper mee te reizen, maar ik ben helaas niet toegerust met veel geduld voor progfolk uit 1972.

Er bléven obstructies in de weg staan bij de eerste beluisteringen van ‘Ys’. Niks tegen een harp, hoor. Maar: op ‘Ys’ zit meer harp dan er gitaar zit in ‘Are you experienced?’ Plus: alleen al om song 1 te begrijpen ben ik een belachelijke hoop fauna- en florawoorden moeten gaan opzoeken: bijvoorbeeld meadow lark (weidespreeuw), grouse (korhoen) en peony (pioenroos). Er zingt ook een chim-choo-ree mee, maar dat blijkt een verzonnen vogel.

De allerlaatste hindernis. Hou u vast voor dé zin die mij ei zo na (Zuid-Nederlands) / op een haar na (Noord-Nederlands) deze cd tegen de muur heeft doen kwakken: ‘Peonies nod in the breeze and while they wetly bow / with hydrocephalitic listlessness ants mop up their brow’. Ik vertaal: ‘Pioenrozen knikkebollen bij een licht briesje en hangen doornat voorover, terwijl mieren in hun waterhoofdige lusteloosheid (jawel, waterhoofdige lusteloosheid) hun bezwete voorhoofd afvegen’.

Objectieve samenvatting: Joanna Newsom is niét de songschrijver die het gewoon laat regenen, of die er hooguit bij zegt dat de gewassen op de velden niet aan het verdorren zijn.

Tot daar de minder goeie voortekenen. Waarom ‘Ys’ alsnog op 25 is beland? Omdat het bij Joanna Newsom vooruit gaat. Omdat ik wil weten wat ze mij te zeggen heeft. Omdat ik geloof dat het niet minder cryptisch kón, hoor dat ze zelf heel goed weet wat ze doet en voelt, en zelfs die song van 17 (!) minuten harp, orkest en schrille stem geen composiet oplevert van drie of meer songs, maar er gewoon in één lange beweging uit moest, en pas daarná is bijgevijld en opgesmukt. Omdat Newsom met haar harp vergroeid is zoals Hendrix met zijn Stratocaster.

In opener ‘Emily’ keert Newson terug naar de familiewandelingen van haar jeugd, en droomt ze van haar door positieve wetenschappen geobsedeerde zus die bij het keilen fronst als ze zich afvraagt hoe groot een hoek tussen keitje en water is op het moment dat het steentje kopje onder gaat, terwijl zij zelf ‘een met mica bezaaide modderwolk’ waarneemt, die eruit ziet ‘alsof de hemel op een spiegel had geademd’.

Haar zus en vader wisten bijna alles over de sterrenhemel, en Joanna’s hoofd stond er minder naar, maar ze beloofde hen er ooit een song over te schrijven, gewoon om nooit te vergeten dat ‘een meteoriet de bron van het licht is, en een meteoor gewoon wat we zien, en een meteoroïde een steen die uit de grote leegte komt en nu rustig ergens ligt’. Joanna Newson zal overigens nooit briljante inzichten verwerven over stenen die in de dampkring al dan niet helemaal verbrand worden, want ze verwart meteoriet nog altijd met meteoroïde. Of is dat de bedoeling?

image

Er gebeurt nog van alles in ‘Emily’: iets ernstigs met een vroedvrouw bijvoorbeeld waarbij ook haar zus betrokken wordt omdat die er mensen over inlicht, wat tot roddels leidt, maar de gebeurtenis zelf blijft onopgehelderd. We weten allleen: ‘The talk in town is becoming downright sickening’. In de natuur wordt het ondertussen lente en zomer. In waterhoofdige lusteloosheid verkerende mieren vegen het bezwete voorhoofd nog eens af. Dat mag nu.
 

 

In ‘Monkey and bear’ ontsnappen beide dieren uit een circus, maar wordt de aap de nieuwe circusdirecteur die de beer voor geld doet dansen: op een andere manier valt er volgens de aap voor tam geboren dieren niet te overleven. Ondertussen belooft de aap de hele tijd aan de beer dat hij ooit vrij zal zijn, als hij nu maar verder danst. Doet aan ‘Sommige dieren zijn meer gelijk dan anderen’ uit ‘Animal farm’ denken, maar deze Newsomfabel loopt minder akelig af.
 

 

In ‘Sawdust and diamonds’ doet het orkest niet mee en hoor je dat het woord ‘arpeggio’ afkomstig is van ‘harpeggio’, en dat Newsom probeert Kate Bushinvloeden af te schudden, wat maar half lukt. Het is in deze song dat je schrijver en Newsomfan Dave Eggers gelijk geeft: ‘Kale, kwetsbare, maar onwankelbare muziek, die je zin geeft om ook zo te zijn’.
 

 
Van ‘Only skin’ weet ik nog altijd niet of er met een gewonde, een zieke, een te aanhankelijke, een te zwijgzame of een te veel op seks beluste geliefde wordt geworsteld; de zoektocht naar samenhang in gebeurtenissen en fragmenten en symboliek levert nog minder op dan elders. Maar dit is wel de meest indrukwekkende song: in de finale zit een duet met Bill Callahan; een geweldig contrast van stemmen. Beeld om een – denk ik toch – vastgelopen relatie te vatten: cold clay. Wellicht iets dat niet meer is bij te kneden.
 

 

In verband met afsluiter ‘Cosmia’: iemand op internet weet met zekerheid dat de mot op de hoes van ‘Ys’ een hyena is, uit de familie van de uilen. Voor mensen die hun dieren helemaal niet kennen, dit is geen grap. Latijnse naam van dat nachtbeest: Cosmia trapezina!

I’ll get mi coat! And mi suitcase, want ik moet naar de studentenstad Leiden van 1961.
 

Pinokkio en de krekel

 
image
 
Arvo Pärt
Tabula rasa
1984

 

Eerst een postduif naar de burgemeester van Antwerpen sturen: ‘Tabula rasa’ is niet ‘wit blad’, dat weet ik. Is ‘Schone lei’ een goeie vertaling?’ Antwoord: ‘Dat moet eigenlijk zijn: ‘Gladgestreken wastablet’.
 
image
 
Het is 1997 en de BBC pakt uit met ‘Modern Minimalists’: Björk praat met componisten van de 20e eeuw die op zoek zijn naar de essentie. We kijken naar kerktorens en waterspuwers terwijl we luisteren naar een fragment uit ‘Cantus in memory of Benjamin Britten’, een van de Arvo Pärtste werken van Arvo Pärt. Björk leidt haar bezoek aan de Estse toondichter als volgt in: ‘Arvo Pärt is een zogenaamd ernstige componist in wiens zeer gevoelige binnenste de hele strijd van de 20e eeuw woedt. Hij begon in wat we het 12-toonssysteem noemen, waarna hij een decennium lang bijna niets te zeggen had, om dáárna terug te komen met een compleet nieuwe stijl, die simpel was, en zuiver. Elke afzonderlijke noot werd belangrijk: je kon elke noot weelderig laten resoneren, je had dus geen 500 miljoen noten meer nodig. Je zou Pärts muziek minimalistisch kunnen noemen.’

Ik laat u in verband met het prachtige grafschrift voor Britten de keuze tussen een uitvoering die op de Proms standhoudt in een grote zaal en een studioversie met kennelijk verplichte zwartwitfoto’s van kerkhoven:
 

 

 

Toen Estland nog in de Sovjet-Unie lag, zocht Arvo Pärt naar een alternatief voor de hoekige, tegenstribbelende, soms atonale muziek die hij schreef. Ik ken niet veel werken van die voorgeschiedenis, maar ’s mans ‘Credo’ uit 1968 treedt redelijk spectaculair uit de oevers van een Bachprelude om poldervelden van waanzin op te zoeken middels collectieve koor- en orkestchaos. Na dat ‘Credo’ is het voor Pärt wél geweest met 20e-eeuwse vernieuwing. Dit eerste Credodeel moet u trouwens zien! Aan het eind speelt het orkest doodleuk ondersteboven:
 

 

Onder de indruk van Gregoriaanse gezangen en met een schrijfkramp in de leden, vraagt Pärt een orthodoxe priester om raad. De priester weet geen oplossing. Hij schrijft ook gebeden, zegt Pärt. ‘Kan dat misschien helpen?’ ‘Nee’, zegt de priester. ‘Alle gebeden zijn al geschreven. Je moet niks meer schrijven. Alles is al voorbereid. Je moet alleen nog jezelf voorbereiden.’

Pärt zal vele van die al geschreven gebeden lezen, en simpele, mysterieuze muziek maken. Die muziek klinkt als gebeden. Ze is niet meer atonaal. Ze lijkt buiten het tijdsgewricht te staan. De composities ‘Cantus in memory of Benjamin Britten’, ‘Tabula rasa’ en de twee versies van ‘Fratres’ (in totaal verschillende arrangementen) die op de 1984-cd van het ECM-label staan raken een snaar.
 
image
 

Tintinnabuli heet de stijl, en dat betekent letterlijk: genitief van tintinnabulum, van een kleine klok. Tintinnabuli technisch: twee stemmen, één in drieklanken, één niet. Pärt over linker- en rechterhand: ‘Als twee mensen wier paden lijken te kruisen, en dan toch niet’.

Nog volgens de componist: ‘Tintinnabuli is een domein dat ik in ging als ik naar antwoorden zocht – in leven, muziek en werk. Soms was het alsof alleen dáár betekenis te vinden was. Alles wat complex en veelfacettig was verwarde me. Toen ontdekte ik dat de drie noten van een drieklank als kleine klokken klonken.’

En ook: ‘Ik moest me gewoon op elk geluid concentreren. ik wilde elke grasspriet even belangrijk maken als een bloem’.
 
image
 
Sinds hij kleine klokjes hoort, is het gedaan met stilte en writer’s block. Tal van prachtcomposities zoals ‘Für Alina’, ‘Sarah was ninety years old’, ‘Arbos’, ‘Spiegel im Spiegel’ (op zondag 23 november 2014 in Klara’s Top 100 gestegen naar nummer 4), ‘An den Wassern zu Babel saßen wir und weinten’ en ‘Summa’ komen hem in de jaren 1976-1978 aanwaaien.

In een miniqueeste naar het waarom van de populariteit van Pärts muziek, blijf ik aan een detail plakken: omdat ik niet goed kan tegen de theorie dat mensen plots collectief hun ziel of spiritualiteit kwijtspelen, sta ik ook een beetje sceptisch tegenover de theorie die samengevat zegt dat Pärt ons die eindelijk teruggeeft. Zou hij ons niet gewoon een echo van klokken teruggeven, die vroeger in allerlei variaties (doodsklokken, noodklokken, tijd voor de mis, speciale feestdag, …) meldden wat er gebeurde, en nu bijna niet meer?

Björk is ondertussen in Pärts woonkamer beland. Ze heeft gelijk als ze zegt dat Pärts muziek vol ruimte zit: je kan erin binnen gaan, en er leven, je moet niet gewoon zitten luisteren. Björk krijgt overschot van gelijk van de componist als ze in zijn muziek Pinokkio én de kleine krekel hoort: ‘Er is een simpele en een minder simpele laag, zonde én knagend geweten zijn samen onderweg, dat is mijn muziek’, zal de componist zeggen. Alsook: ‘I’m very happy you talk about Pinocchio and the cricket’. Je ziet hem denken: door die zottin met die twee totskes op haar kop wil ik elke dag geïnterviewd worden.

Echo’s in de gewone wereld. Pärt zit te pas en te onpas overal: in series, in documentaires. Er is ook namaak-Pärt, zoals de begintune van ‘Six feet under’, die zéér schatplichtig is aan ‘Fratres’. In de video mooie meisjes, water, kaarsen en een spirituele meditatietrip in dat stuk van de bergen waar zich snel ronddraaiende camera’s ophouden. Natuurlijk is ook in de wereld van de klassieke muziek self-fashioning en vogue. Ach wat!
 

 

Pärt staat ook keurig alfabetisch gerangschikt tussen Pachelbel en Purcell in de lijst ‘Mogelijke Begrafenismuziek’. De jeugd, die het ABC steeds minder goed op orde kan leggen, kan hem, als een dierbare sterft (of als het langer dan gewoonlijk blijft winteren), ook gewoon googelen, ja zelfs spotify’en. Leve de vooruitgang!
 
 

Een exhibitionistische overdrijving

 
image
 
Nico
The marble index en Desertshore
1969 en 1970

 

Maakte de artieste als 6- à 7-jarige in Berlijn de geallieerde bombardementen mee op Nibelungenland, dat na de fratsen van Otto von Bismarck en Adolf Hitler een verdoemde lap grond was geworden?

Was haar vader een gesneuvelde Wehrmachtsoldaat of een concentratiekampslachtoffer?

In welke mate was ze een ijskonijn?

Waarom wilde Nico na haar modellencarrière liever lelijk gevonden worden?

De biografie is boeiender dan de cliché-anekdotes die altijd opnieuw opduiken in de afdelingen ‘Haar niet te onderschatten invloed als androgyn stijlicoon’ en ‘Met wie had ze een affaire?’

Eigenlijk zei alleen John Cale iets écht zinnigs: ‘De platen ‘The Marble index’ en ‘Desertshore’ bevatten muziek die niemand voor haar gemaakt had, en zijn een serieuze bijdrage aan de moderne klassieke muziek’. Natuurlijk zegt hij dat ook omdat hij de platen zelf voor een groot stuk heeft ingespeeld. Ook John Cale staat op 31.

‘The marble index’ en ‘Desertshore’. Op aanraden van Leonard Cohen begint Nico zichzelf te begeleiden op een Indiaas harmonium, een blaasbalg die niet met een voetpomp maar als een draailier bespeeld wordt. Drones, dus. Kamervullende, surround aangehouden klanken die in die jaren al waren gebruikt om het feestje psychedelischer te maken (‘Tomorrow never knows’ van The Beatles), psychiatrische congressen te begeleiden (‘Venus in furs’ van de Velvets) of de bieromzet op te krikken in Ierse en Schotse pubs (alles met een doedelzak).

Niets van dat alles bij Nico, die geen chanteuse meer wil zijn, maar ook algemener haar eigen zin wil doen. Ze steekt in gedachten de Straat van Gibraltar over, trekt de woestijn en de bergen in, slacht zelf een schaap, en wil, als het enigszins kan, ook door de tijd reizen.

Soms moet ik in dit barre, sombere universum aan de middeleeuwen denken, soms wordt Agamemnon nog eens verplicht Ifigeneia te offeren bij gure wind.

John Cale dekt naast zijn piano ondertussen een copieuze instrumententafel met elektrische altviool, bas en gitaar, en met glockenspiel, klokken, mondorgel en bootmansfluit, en gaat naar mijn aanvoelen nergens beter fluweel ondergronds. Dit zijn voor een groot stuk ook zíjn twee meesterwerken.

Eerst ‘The marble index’ uit 1969. Opener ‘Lawns of dawns’ gaat over een ervaring in de woestijn met peyotecactussen die Nico naar verluidt met Jim Morrison deelde: de ochtendzon was groen, en toen de wereld in haar hoofd kantelde dacht ze dat die groene lucht de zee, en de woestijn de hemel was. De trip herinnerde haar er ook aan dat ze niet kon zwemmen. Het is eigenlijk een vrij rustige neerslag van de ervaring: wel veel pling, plong, gril en grom en een door Cale aangeleverd schurend scharniertje.

Er zit een zeer mooie altviool aan het begin van ‘No one is there’. Nico raadt haar zoon in ‘Ari’s song’ aan weg te zeilen, maar hij was er toen nog te jong voor. Dit is voor Cale een plaat van blokjes omgooien, avant-gardedemonen uitdrijven en al dan niet echo’s van The Velvet Underground inlassen: ‘Frozen warnings’ krioelt er bijvoorbeeld van.

Ter hoogte van ‘Facing the wind’ check ik voor alle zekerheid jaar van opname: anderhalf decennium voor Nick Cave een lied schreef over een achtergelaten, uitgemergeld circuspaard. De piano roept nog veel meer eightiesmuziek op.
 

 

‘Evening of light’ is de zin ‘A true story wants to be mine’ boven uit doemdozen bijeengegraaide chaos. De song eindigt waar de kkkkggggg van Cabaret Voltaire later zal beginnen.

Wie Nico wil herleiden tot een door drugswanen bezeten zottin, of tot de drammerige protopunkster die later ‘Deutschland über Alles’ zou zingen mét de strofe erbij die na de nederlaag van Hitler uit het volkslied was gehaald, die moet het a capella ‘Nibelungen’ eens opzetten: iets op de grens tussen Wahrheit en Dichtung en tussen visioenen en verhalen; een lied dat volgens mij ook worstelt met de gevolgen van zelfgekozen ballingschap.
 

 

‘Desertshore’ dan: de iets wisselvalliger sequel van een jaar later. In ‘The falconer’ komt Cale op tijd tussen om in de volle harmonicazee een kustlijn van piano te trekken.

‘My only child’ is bijna a capella en knap. Coil heeft een hele plaat gemaakt die klinkt als het begin van ‘Abschied’. ‘Afraid’ is gewoon een door Nico gezongen John Calelied.

Maar dan komt ‘Mutterlein’: een bel, schel gehamer, harmonium, trompet, een piano die als een onweer nadert, en daarboven Nico die de tekst ‘Liebes kleines Mütterlein / Darf ich endlich bei Dir Sein’ twee keer zingt omdat dat in echte bluessongs altijd verplicht is. Ik geef vier sterren, en voor afsluiter ‘All that is my own’ vijf! Laatste zin: ‘Meet me on the desertshore’. Ik reageer uiteraard niet op dat sirenenvoorstel, want ik ben vastgebonden aan de mast, met wasbolletjes in de oren.
 

 

 

‘Nico/Icon’ heet de beste documentaire die u over Nico kan zien. Ik heb vandaag weer eens geprobeerd naast het icoon te luisteren, en ben weer eens gefaald. Ben ik blij dat ik haar niet zó lang voor haar dood (R.I.P. 1988) nog gezien heb in het PSK in Brussel? Bah, ze was achter haar harmonium toen niet veel meer dan een grote zonnebril met iets van kanker op de stembanden. Het was trouwens opnieuw Cale die zich over haar ontfermde en haar meenam op tournee.

2014. In theorie zou ik een groot liefhebber van Soap & Skin moeten zijn: Anja Plasch probeert in de stijl van Nico verzonken kathedralen uit de zee te zingen. Maar zo werkt het niet, sorry.

Deze twee Nicoplaten bouwen kennelijk een soort acquiered gothic taste op die zelfs Diamanda Galas bij momenten herleidt tot een exhibitionistische overdrijving en die van Within Temptation een verre herinnering aan een boterreclame maakt, voor Zeeuws Gothic Meisje als ik het me goed herinner.

Er zijn ook échte grenzen. Neem nu Sopor Aeternus’ soundmix van Nico’s ‘Abschied’: Sopor, die op Youtube véél meer wordt aangeklikt dan Nico, schminkt, nee grimeert zich als Nosferatu, poseert onder een treurwilg of bij een afgelegen landhuis, en stopt de song vol met kleffe strijkers. Wat vooral stoort? Sopor heeft zichzelf gesculpteerd tot een nagemaakte gek.