Voetbaltrauma

 

‘Iedereen kijkt naar voetbal / en een vent zeurt aan je kop / wat wil die man in hemelsnaam / hoe kom je hier / hoe kom je hier vandaan’

Spinvis – ‘Bagagedrager’

2010. Ik denk dat ik mijn gestolen midlife-fiets gewoon door een nieuwe heb vervangen, maar een kenner verzekert me dat het dit keer om een prepensioenmodel gaat: ook goed. Ik rij ermee door Nederland, en mijn (dan) 14-jarige dochter rijdt mee.

Mijn plan is: fauna, flora, vergezicht, museum, ijsje, veerboot, nylon hechtstrips en campinggas niet vergeten, en onderweg ook onderzoeken wat The Opposites precies bedoelen met broodje bapao, broodje warm vlees.

 

image

 

Saboteur van dienst: het Nederlandse nationale elftal dat tot de (halve) finale(s) van het WK doorstoot en ervoor zorgt dat het land oranje wordt geverfd, en iedereen erbij hoort.

Dus ja, we rijden met onderweg gekregen oranje vlaggetjes door het vrij grauwe Amsterdam-Noord; even verderop staat gewoon een bord met daarop ‘Doe me eens een lol, neem de overkant voor de hondendrol’. We zien beemster en kwelder, grutto en scholekster. We fietsen over ophaalbruggen, langs pioenrozen en aardbeien in hangtuinserres. We kamperen in Stampersgat en Witmarsum. Op een vrijdagavond in een café in Nibbixwoud kunnen we vaststellen dat Lange Frans en Baas B. gelijk krijgen als ze rappen: ‘Ik kom uit het land waar Andre Hazes / over 100 jaar in elk café nog steeds de baas is’. We rijden over het Hollands Diep en over de Afsluitdijk.

We bekijken de halve finale van het WK samen met dronken Geert Wildersfans in een buitenwijk in Dordrecht en de finale in een campingkantine in Friesland.

De dag na de nederlaag tegen Spanje, als de oranjevlaggetjes op een hoop zijn gekeerd, draait de radio non stop Nederlandse klassiekers. Het volkslied van Lange Frans en Baas B. over ‘het land van Pim Fortuyn en Volkert van der G. / Het land van Theo van Gogh en Mohammed B.’ kan in de playlist niet ontbreken: ‘Het land van’ is dé schijf om het ‘voetbaltrauma’ (een belachelijk woord) te helpen verwerken. In het lied rijmt ‘Johan Cruijf en Abe Lenstra’ op ‘Het legioen laat de leeuw niet in z’n hemd staan’.

 

 

De song is een pak beter dan de schopfinale van Oranje (een ploeg die met beenhakken het spel van de tegenstander ontregelt), beter ook dan de man die ik tijdens het Nederlands volkslied naar z’n zoon hoor roepen dat-ie z’n RECHTERhand op z’n hart moet leggen, en beter dan dat alomtegenwoordige, nijdige gevuvuzela. De muziek van Spinvis, die is in geen velden of wegen te bekennen.

 

 

‘Het was lang geleden, een eeuwigheid / je fietste op de afsluitdijk’, gaat het ergens. Wat ik op míjn fietsreis leerde? De waterkering die de Afsluitdijk heet – links de Waddenzee, rechts het zoet water van het IJsselmeer, daartussen een recht stuk beton van 30 eindeloze(!) kilometer – die waterkeringsmuur was al klaar in 1932. Kostte enorm veel geld, maar redde in 1953 ook enorm veel levens.

 

image

 

Liedvoorbeelden

 

Toen ik een paar jaar geleden een huis stond te verven, kregen de ‘vijf grootste componisten aller tijden’ op de klassieke zender elk een themadag. Op Mozartmaandag en Händeldinsdag werd er gewoon gewerkt. Bach, die richt af en toe wat aan. Beethovens sonates en strijkkwartetten herschikken op nóg aangenamer manier de bovenkamer. Tijdens de themadag van Schubert heb ik alleen wat half werk verricht tijdens zijn symfonieën; daar heb ik niet veel mee. Bij al de rest – be it impromptu, kwartet, kwintet, sonate en toch vooral: lied – heb ik geen klop uitgevoerd. Het sneeuwde buiten; in mijn herinnering toch.

Luisteren naar Schubert is een kwestie van boeken bij Reisbureau De Tijdskromme. Van hevige turbulentie soms. Van een stewardess die me gerust stelt: ‘Het heden wordt gewoon heel eventjes door het verleden ingehaald, mijnheer, en de toekomst blijft onzeker, maar we vliegen rustig verder.’ ‘Precies’, hoor ik mezelf zeggen, en dat moet natuurlijk ‘Genau’ zijn.

Conclusie: mijn kennis van het Duits is in de passief-kolom redelijk, als actief spreker ben ik niet veel beter dan de stripfiguur Bert Bibber die, als hem in Duitsland gevraagd wordt of hij ein Anstecher op zak heeft, uit de losse pols antwoordt: ‘Nein, ich schmöre nicht’. Eigenlijk een heel slecht voorbeeld, want de man die Bibber om vuur vroeg kwam ook uit Groot-Antwerpen.

Er is een bekend en wondermooi romantisch gedicht over een lied dat slaapt in alle dingen (‘Schläft ein Lied in allen Dingen / Die da träumen fort und fort’), dat ik alleen ken via de omweg van de new romantics van Einstürzende Neubauten: ‘Das Lied schläft in der Maschine / Maschine träumt das Lied’. Conclusie nummer 2: ik ben niet iemand die ’s avonds in Duitse dichtbundels zit te bladeren. Ik ken van de Goethes en de von Eichendorffs alleen de greatest hits. En dan nog: von Eichendorff ken ik als one hit wonder.

Toondichter Franz Schubert is een man die kort heeft geleefd, om precies te zijn van 1797 tot 1828. Omdat hij van zéér bescheiden komaf is, stelt niemand ‘em met veel tierlantijntjes, gepommeerde pruik en roze wangetjes als wonderkind tentoon; Mozart is in de eerste helft van de 19e eeuw natuurlijk ook uit de mode.

Schuberts volwassen leven is er voor de muziek en voor zijn maten. Van de verkoop van zijn partituren kan hij net rondkomen.

Met z’n allerlaatste geld zit hij wel ‘es in de kroeg. De syfilis waar hij onder lijdt heeft hij niet meteen aan zijn werktafel opgelopen… Conclusie 3: ‘Zing een liedje voor me Franz / ook al is het in het Frans / Het leven gaat zo snel voorbij / dus zing en ik vergeet de tijd’.
 

 

Schubert is het Wenen van de jaren 20 van de 19e eeuw. We zitten in de restauratie: met de politieke revolutievlag moet je nu niet staan zwaaien.

Nergens werden zoveel piano’s bespeeld als toen en daar. De Wiener Flügel is de verbeterde fortepiano. Beethoven is de populaire Frans die al eens de ambitie heeft om piano’s letterlijk te doen bezwijken en ze achter te laten met afgeknapte snaren; absoluut geen metafoor. Hij laat uit Engeland zelfs een vleugel overkomen met een metalen frame en een grotere snaarspanning. Hij wil meer volume.

Hoewel Schubert een groot bewonderaar is van Beethoven, is dát soort vormrevolutie, zeker in de Lieder, niet aan hem besteed. Zijn ambitie ligt elders: de piano mag niet louter begeleiden, ze moet één worden met de stem. De toetsen moeten onder zijn handen zingende stemmen worden.

Een paar liedvoorbeelden die hij al op zijn cv heeft als hij nog aan zijn bekendste cycli moet beginnen:

1. ‘Gretchen am Spinrade’. Geschreven op z’n 17e. Gretchen zit aan het spinnewiel als ze een kusje van de duivel krijgt. Haar rust is weg. Haar hart wordt zwaar. De piano spint wol tot draad tot ze stokt.
 

 

2. ‘An die Musik’, een licht pathetisch loflied op de muziek zelf: ‘O ed’le kunst / die ons in grauwe stonden / naar een bet’re wereld meesleurt’.
 

 

3. In het fenomenale ‘Erlkönig’-lied rijdt een vader ’s nachts te paard naar de dokter met in zijn armen zijn koortsige zoon. ‘Vader, zie je de elfenkoning niet?’ ‘Dat is gewoon de nevel, zoon, en niet het echte schimmenland aan de andere kant’. Aan het eind krijgt het kind gelijk; het is een Kindertotenlied geworden.
 

 

Oogst Schubert met deze liederen stormachtig applaus? Bij zijn vrienden die samen met hem halve liters hijsen wel. Hij wordt in Wenen wel eens opgemerkt, maar lang niet door iedereen. Hij kan net overleven.

Deze drie Schubertliederen staan niet in ‘Honderd’, maar de artiest belandt wel in de categorie ‘3 maal genoteerd’. Dat is de hoogste categorie.
 

Kleine, pluizige samplewolken

 

Vocale samples komen in alle maten en soorten. Mogwai gebruikt in ‘Punk rock’ een lang stuk interview met Iggy Pop: ‘You see, what sounds to you like a big load of trashy old noise is in fact the brilliant music of a genius, myself’. De muziek erboven? Gesmoord lawaai.
 

 

De rapper Extince samplet in ‘Spraakwater’ een kort stukje Fabeltjeskrant, louter ter opsmuk: ‘Het is feest… We gaan feestvieren, lieve toehoordertjes’.
 

 

Steve Reichs ‘It’s gonna rain’ is een pioniersvoorbeeld uit 1965: een predikantenstem wordt eindeloos herhaald en een beetje minder irritant gemaakt met de hulp van phase shifting; de muziek doet aan techno denken die te veel drugs heeft genomen.
 

 

Een classic is van The Orb, die in ‘Litlle fluffy clouds’ de spreekstem van Rickie Lee Jones in de mix gooien. Vraag van de interviewer: ‘What were skies like when you were young?’ Antwoord van Jones, die een zeer sexy neusverkoudheid heeft: ‘They went on forever… we lived in Arizona and the skies always had little fluffy clouds…’. De muziek zweeft sowieso als een opblaasknuffelschaap boven het Battersea Power Station, de stem van Rickie Lee Jones pompt extra helium bij.
 

 

Tot zover een paar van die kleine, pluizige samplewolken.