De hele wereld is groen

 
image
 
Franz Schubert
Die schöne Müllerin
1823

 

Het Müllerin-verhaal kort en cynisch? Tekst: Wilhelm Müller. Muziek: Franz Schubert. Jongen raakt Meisje niet aan, spreekt zelfs niet tegen haar, is maar een knecht. Meisje is de dochter van de baas. Jongen wordt jaloers als een jager Meisje het hof maakt, wordt zo zot als een weerwolf en verdrinkt zich.

Zullen we via de indeling van de cyclus binnengaan? Vier delen: hoop, liefde, jaloezie, wanhoop.

Emotioneel stadium 1 begint fris en monter. Dion zou in ‘Das Wandern’ kunnen zingen: ‘They call me the wanderer / I roam around, around, around’.

Een molenaarsknecht trekt de deur van het huis van meester en meesters vrouw achter zich dicht, want erop uit trekken en rondreizen is zijn lieve lust. Hij heeft het van het water in het beekje aan de molen geleerd, want dat staat ook nooit stil; de molenstenen en de molenraderen evenmin.
 

 
De jonge man hoort doorheen het ruisen van de beek de watergeesten zingen, volgt die tot bij een molen, en uiteraard woont daar de mooiste molenaarsdochter van de Alpen. Dank u, lieflijk beekje, dat u de weg naar deze prachtplek wilde wijzen!

De knecht treedt in dienst bij de molenaar; handen én hart maken overuren. ‘Ach, als ik eens…’ weerklinkt in 1000 varianten. Het meisje zelf weet natuurlijk van niks.

Hij vraagt aan de beek om een ja-of-nee-antwoord zoals je ‘houdt van mij – houdt niet van mij’ aan de kroonblaadjes van een margrietje kan aflezen. Niét dus. Overigens: Bach, Mond, Wald, … romantische Duitsers maken van natuurelementen personages zoals wij elke week frieten eten.

De ‘Dein ist mein Herz und soll es ewig bleiben’-sfeer in het liefdedeel doet me denken aan ‘If there is something’ van Roxy Music. Bryan Ferry zit ook in zo’n fase: hij zou oceanen willen overzwemmen, en belooft zelfs aardappelen te telen voor zijn geliefde.
 

 
Onze 19e-eeuwse liedheld moet eerst over een donker pad: als hij in de buurt van zijn vlam eindelijk aan de waterkant zit, trekt het water hem bijna naar onderen, want van bij de eerste regendruppel wil ze naar huis. Het spiegelbeeld van het water breekt tot gruis.

Maar het tij keert opnieuw – denkt de jonge molenaar tenminste. Tekstdichter Wilhelm Müller laat een verlossende manische bui opdraven: ‘Lente, zijn dat al je bloemen?’ en ‘Zon, kan je niet harder schijnen?’ klinkt het alvorens ‘Mein! Die geliebte Müllerin ist mein!’ over berg en dal galmt. Ook de muziek blaast er opnieuw leven in.
 

 
Het Jealous guy-deel komt eraan. Denk eerst een man die zijn luit aan een haak hangt, want hij kan niet meer zingen. Het lint aan de luit is groen, en dat blijkt de favoriete kleur van het molenmeisje.

Maar een jager (met stoppelbaard, en een veel te groot geweer om op een reetje te schieten) draagt nog meer groen.
 

 
De liederen gaan nu in een stroomversnelling. Groen is eerst de goede kleur: onze held wil groen dragen, op groene weilanden liggen, onder groene graszoden begraven worden, want dat is kleur van zijn geliefde. Onmiddellijk daarna is groen de slechte kleur: hij wil het groene gras wit wenen, hij kan haar favoriete kleur niet meer verdragen. Plus: vluchten kan niet meer, want de hele wereld is groen.

Omdat noordpool, Sahara en Gobiwoestijn ook voor een romantisch hoofdpersonage moeilijk met paard bereikbaar zijn, richt de molenaarsknecht zich tot zijn enige vriend: de molenbeek.

Troost kan de beek niet meer bieden, want we zitten al in het afsluitende wanhoopluik. Het immer bewegende water spreekt de Wanderer toe: ‘Je bent aan het eind, hier vind je trouw, ik koester jou’. Om tot troost te besluiten met: ‘Der Himmel da oben, wie ist er so weit.’ Sterfscène. Doek!
 

 
De muziek is zoals Schubert ze voor ogen had: een komen en gaan van stemmingen, veel meer dan begeleiding alleen. Hoe refreinen en strofes hier in mekaar zitten, snelheden van songs verschillen, er soms geen refreinen zijn, echo’s van eerdere songs binnensluipen, en vooral: manisch geluk of berusting, een stromend bergbeekje en een jager die eraan komt ook alleen via de piano kunnen bezongen worden! Wunderbar!

Of ‘Die schöne Müllerin’ ook na Sigmund Freud en na The Velvet Underground, na twee wereldoorlogen en na onze zesde staatshervorming werkt? Absoluut. ’t Is meer een kwestie van je aan de streek dan aan de tijd aanpassen. Lintbebouwing, af en toe wind tegen en vals plat kenmerken de plek waar wij verliefd worden tot alles eventjes met alles in verbinding staat, helaas terwijl een rotonde en een stoppelveld naast een hangar ons tot achtergrond dienen.

Dit is Alpenromantiek waarvoor je goeie wandelschoenen en een sterk hart nodig hebt. De lucht is ijl. Als je alleen op pad bent, ben je alleen op pad.

Tegelijk is deze vertelling opgetekend door de stadsmuizen Müller en Schubert die mogelijk nooit een gems in het wild hebben gezien.
 

 

Een metaliger klank

 
image
 
Bob Dylan
Bringing it all back home
1965

 
 
 

Op ‘White riot / I wanna riot / riot of my own’ is het in 1965 nog een decennium en meer wachten. Op ‘It’s like a jungle sometimes it makes me wonder / How I keep from going under’ nóg een paar jaar. Beweren dat Bob Dylan op ‘Bringing it all back home’ in de sublieme opener ‘Subterranean homesick blues’ de originator is van punk en rap is volstrekt overdreven, compleet belachelijk, historisch onjuist (Dylan gaf zelf toe dat er gestolen is uit ‘Too much monkey business’ van punkrapper Chuck Berry) en met absolute zekerheid onvolledig (talkin’ blues, jazzscat, beat poetry en het gelal van onze voorouders bij het kampvuur, het ging allemáál aan Dylan vooraf). En toch! En toch denk ik telkens als ik ‘Bringing it all back home’ opleg: hier spreekt een uitvinder.

Natuurlijk liggen er in de periode voor 1965 ook mythische Dylanmomenten voor het oprapen: de songs ‘Girl from the North Country’ en ‘A hard rain’s a-gonna fall’ bijvoorbeeld. Veel van zijn talkin’ bluessongs zijn grappig. De speech die hij hield toen hij in 1963 van hét officiële Nationale Burgerrechtencomité een award kreeg is ook goed: Dylan maakte grapjes over de leeftijd en de kaalhoofdigheid van de jury, en tot grote consternatie van velen kroop hij in het hoofd van de moordenaar van president Kennedy. De brief die hij daarna ter verontschuldiging schreef bedaarde evenmin de gemoederen: ‘If there’s violence in the times, then there must be violence in me’. De man hangt niet graag de onschuldige goeierd uit.

Maar in maart ’65 ligt dus deze nieuwe lp voor het eerst in de winkel. Op de hoes Dylan zelf met een knap wijf binnen handbereik (het blijkt de vrouw van de manager te zijn) en een kat op schoot, in een herenhuis. Inspirerende platen en een paar signs of the times zijn uitgestald op de schoorsteenmantel en in de ligfauteuil. Sfeer: de bom gaat elk moment vallen, we’re all gonna die.
 
image
 

Fragment uit de hoestekst: ‘I know there’re some people terrified of the bomb, but there are other people terrified t be seen carrying a modern screen magazine’. Dylan schreef in die tijd inderdaad zijn to’s zonder o.

Nog een goeie:’I would rather model harmonica holders than discuss aztec anthropology, english literature or history of the united nations. I accept chaos. I am not sure whether it accepts me.’

De heer en mevrouw Chaos hebben nog geen recensie geschreven over opener ‘Subterranean homesick blues’, maar laat ik uit dit samenraapsel van fragmenten een fragment halen: ‘The man in the coon-skin cap in the pig-pen…’ zou iemand kunnen zijn die achter tralies zit in het politiekantoor met ‘een kap van negerhuid’ over zijn hoofd getrokken. Wat hij wil? ‘He wants 11 dollar bills – you only got 10′. Volstrekt onnodige doordenker: wil hij onbestaande biljetten van elf dollar, of kom je een dollar tekort? In de video staat op een van de cue cards die Dylan weggooit: ’20 dollar bills’. Dát is hier de gehanteerde humorvorm.

De remix is van DJ Google Instant:
 

 

Er valt weinig Dylan te rapen op youtube. Posts worden om de haverklap verwijderd. Tja. Copyrightkwesties zijn dikwijls een wereld van twee maten en twee gewichten. Als het een survival of the fittest is, wint niet de best aangepaste, maar wint gewoon de sterkste… Dat kan allemaal best zijn, maar ik kom op youtube in verband met de industrie rond Bob Dylan een keer te veel het woord ‘fascisme’ tegen. Mensen die zoiets schrijven raad ik – als ze in de buurt van mijn eerste hometown Mechelen wonen – een bezoek aan het museum naast de Dossinkazerne aan. Op drie minuten tijd kunnen ze daar leren wat fascisme écht is. Plus: als er geen Dylan is op youtube, beluister je ‘em elders. Of niet voor mijn part!

Terug naar ‘Bringing it all back home’. Het is op deze plaat dat Dylan voor het eerst elektrisch gaat. Hij probeert met producer Tom Wilson eerst een paar dingen uit met Fats Dominorock’n’roll, maar Dylan heeft een metaliger klank nodig om uit een beklemmende sfeer te breken. Hij zal het hebben over ‘dat dunne, wilde kwikzilvergeluid’ dat hij najaagt. Kwikzilver doet me aan ‘moeilijk te vatten’ en ‘altijd in beweging’ denken. Het snerpende ‘Maggie’s farm’ is harder metaal en een song die zegt: ‘They say sing while you slave and I just get bored / I am not going to work on Maggie’s farm no more’. Het zou kunnen dat de folkscene zelf een sneer krijgt.

‘Outlaw blues’ jakkert iets gezelliger door en vecht voor het recht op een onnozeler tekst: ‘Well, I wish I was on some Australian mountain range / I got no reason to be there, but I / Imagine it would be some kind of change’.

In ‘On the road again’ stipt Dylan aan wat hij bij een potentiële schoonfamilie opmerkt. Alleen al in strofe 1 vindt hij ’s ochtends kikkers in zijn sokken, verschuilt de moeder van zijn geliefde zich in de koelkast en draagt haar vader een masker van Napoleon: ‘Then you ask why I don’t live here / Honey, do you have to ask?’

In het fenomenale ‘Bob Dylan’s 115th dream’ wordt Amerika opnieuw ontdekt via kapitein Ahab die zijn obsessie voor de grote witte walvis laat varen en op de Mayflower koers zet naar de Nieuwe Wereld, die wat van een surrealistisch schilderij heeft. De Nina, de Pinta, de Santa-Maria en Columbus zelf komen slechts heel even ter sprake aan het eind van dit absurde neoscheppingsverhaal.

In de mooie, rustige songs ‘She belongs to me’ en ‘Love minus zero/No limit’ hoor ik vandaag meer realisme dan ik vroeger een ideële wereld wilde horen.
 

 

De B-kant is een folkplaat. Waarschijnlijk zéér verwarrend voor al wie naar iemand met een elektrische gitaar ‘boe’, ‘judas’ en ‘establishment’ wilde roepen. De folkplaat begint met ‘Hey! Mr. Tambourine Man, play a song for me / I’m not sleepy and there is no place I’m going to’.

Het langgerekte ‘Gates of Eden’ komt moeilijker binnen, zoals ik ook een lange rit als ‘Desolation row’ niet meer uitzit. De Dylan die op platen onmiddellijk na deze dingen zingt als ‘Mona Lisa must have had the highway blues / you can tell by the way she smiles’ en ‘Shakespeare is in the alley / with his pointed shoes and his bells’ heeft ook van zijn pluimen verloren.

Waarom ik het erg lange en even bedoelerige ‘It’s alright ma (I’m only bleeding)’ dan wel een van Dylans allerbeste songs blijf vinden? Ik zou er een tekstfragment kunnen bijsleuren, in eigen vertaling dan nog: ‘Zoiets te verstaan, je weet meteen / ’t Heeft zelfs geen zin het te proberen’. Maar ik weet het wel.

Het zijn de watervallen van medelijden die je ziet brullen, de drang tot jammeren die je voelt, maar anders dan vroeger ontdek je dat je gewoon één persoon meer zou zijn die huilt tussen al de huilers.

Het is de reclame die je bedriegt / je doet denken dat jíj degene bent / die kan doen wat nog niet is gedaan / die kan winnen wat nog niet is gewonnen / terwijl het leven ondertussen overal om je heen doorgaat.

Het is al de rest tot aan de laatste zin: ‘It’s alright, Ma / it’s life and life only’.
 

 

Afsluiter ‘It’s all over now, baby blue’ zou volgens kenners samen twéé afscheidsliedjes zijn: één aan een ex-vriendin en één aan die vermaledijde politieke folkscene. Straks ga ik nog geloven dat er een in het geheim opererende folkdictatuur bestond, met knokploegen en strafkampen.

Ik kan twee Dylanplaten bedenken die ik beter vind dan ‘Bringing it all back home’. Dat zijn er geen zeven.
 

 

De kleine schoorsteenveger

 
GetAttachment-2.aspx
 
Boudewijn de Groot
Hoe sterk is de eenzame fietser
1973

 

‘Hoe sterk is de eenzame fietser’. Geen vraagteken!

Opener ‘Terug van weggeweest’ is een midlife-lied. Het balanceert vandaag perfect tussen toen en nu: ‘Hou eindelijk eens op / te zeuren over vroeger / Degene die steeds omkijkt / die valt op zijn gezicht / Je bent alleen maar bang / voor wat er nog kan komen / Dat kan zoveel niet wezen / hou nou je mond eens dicht’. Ik heb hier ooit met kinderoren naar geluisterd en herinner me opnieuw waar de meubelen stonden. Maar: er zitten ook een tekst en een gitaarsolo uit 1973(!) in die ik vandaag goed vind. Faut le faire!

‘Eenzame fietser’ is ook als geheel terug van weggeweest. Ik vond de plaat fantastisch tot Urbanus kwam zeggen dat als moeder zong heel het huis in vreugde was (tot ze slagen kreeg van de kachelpook) en tot Raymond van het Groenewoud het had over een hondje dat kilo’s champignons at. ‘Constant degoutant’ van Kamagurka en De Vlaamse Primitieven was in die tijd ook in de buurt. Boudewijn de Groot werd een paar decennia lang weggezet als ‘iets voor kleffe bezinningsweekends’. Tot onlangs.

Feiten: deze plaat komt in de Groots carrière na de uitstekende onzinsingle ‘Strand’, na de sixtieshits waar ik niet meer warm voor loop, na de Dylan-, Kinks- en Aznavourcovers, na de picknick uit het psychedelische Tomorrowland van toen en na de heksensabbat vol zeikweer.

Net voor de oliecrisis belanden tekstschrijver Lennaert Nijgh en de Groot met de voetjes op de grond en schrijven ze nog snel een op de oude leest geschoeide succesplaat voor Rob De Nijs. Natuurlijk ken ik ze allemaal nog: ‘Malle Babbe’, ‘Jan Klaassen de trompetter’, ‘De avond’ (dat tot mijn verbazing vandaag in een nieuwe versie de Groots grootste hit ooit blijkt), ‘Dag zuster Ursula’ en ‘Leonardo’ met het geweldige ‘Vol van bijgeloof en inteelt / onder bruine vilten hoeden / kruipt het stadsvolk bij elkaar / Leonardo is een tovenaar’. Daarna is het tijd voor ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’.

Er duikt op ‘Eenzame fietser’ een reiziger op die zegt: ‘Ik ben veranderd / Ik ben hier niet meer thuis / Maar laat de kinderen komen / De kinderen van dit huis’.

Er staan nog twee paar schoenen in Madrid. Een zak met wasgoed is in Parijs gebleven.

‘Tante Julia’ kent u van borsten en schouders, en van de klank van een radio van lang geleden. Er is blijkbaar een carnavalsversie die ik nooit heb gehoord. Of vakkundig heb verdrongen; nog beter.

Er wordt ook nagedacht over de toekomst van de kleine ‘Jimmy’ die in een stoeltje vooraan op de fiets zit. Als hij maar geen halfdood geschopte voetballer wordt, of een bord van de zakenman voor zijn kop krijgt. Maar vooral: wat een akoestische gitaaraandrijving! De hele plaat is van kop tot teen groots geproducet en fijn afgewerkt tegelijk. Als een vleugje country nodig is, weet iemand het op te roepen. Als een half orkest invalt zit het niet meteen tegen de traanklieren aan te beuken.

Ruud Engelander vertaalt twee William Blakegedichten. Fragment uit het eerste: ‘Then come home, my children, the sun is gone down/ And the dews of night arise / Your spring and your day are wasted in play /And your winter and night in disguise’. Dat wordt hier: ‘Kom nu naar huis, mijn kinderen / het is al veel te laat / De klok van de toren slaat 11 / Je lente, je daglicht verspil je met spelen / En je winter, je nacht, als een ander dan jezelf’. Een bijzondere vertaling. Ook voor de song geldt: horen is geloven.

Ook ‘The chimney sweeper’ wordt uit Blakes songs of experience gelicht: ‘Omdat ik best tevreden was / al hadden we het niet rijk / en ijzige kou me niet kon deren / kleedden ze me in zwarte dodenkleren / en leerden ze me het lied van ongelijk.’

William Blake stierf in 1827. Hij schreef songs of innocence en songs of experience. Denk een lam en een tijger. Denk een moeilijk huwelijk tussen hemel en hel, goed en kwaad, energie en rede. De verbeelding staat bij William Blake boven de zintuiglijke waarneming, de natuurlijke orde boven de vroege industriële revolutie, de gekleurde ets op een koperen plaat boven de drukpers met z’n massaproductie.

‘The doors of perception’ is van Blake. De tekst van het gedicht ‘And did those feet in ancient time’ schopte het als ‘Jerusalem’ bîjna tot Brits volkslied, en is een essential op de Britse Proms. Het begin ervan – ‘And did those feet in ancient time / Walk upon England’s mountains green? / And was the holy Lamb of God / On England’s pleasant pastures seen?’ – heeft met het gerucht te maken dat de jonge Jezus ooit Glastonbury zou bezocht hebben.

De Britse en bij uitbreiding Amerikaanse muziekgeschiedenis zit vol grote en minder grote wegwijzers naar Blakes werk. De playlist hieronder is als een eenzame fietser zo sterk, maar is ook zéér onvolledig.
 
image
 
image