Kleinburgerlijke verkramping

 
image
 
Dmtri Sjostakovitsj
5e symfonie
1937

 

Van de culturele Sovjetelite in de Leninjaren 1917-1924 kan je niet beweren dat ze een achterlijke, oubollige wereld creëerde: de Russische voorhoede kon zich meten met die uit Duitsland en Frankrijk. De muziek van de Sovjetheilstaat wil modern zijn. Wég verhaal en thematiek. Toonhoogtes en klankkleuren op zich worden belangrijk. Stravinsky, Schönberg en Bartók worden op de conservatoria en op café door de jeunesse dorée communiste bestudeerd, en de scene in Moskou en Leningrad bevat evenveel moderne gekken als die van Parijs en Berlijn.

Er zijn alleen the little differences: Alexander Mosolov maakt bijvoorbeeld in 1927 ‘De ijzergieterij’ tot een hooglied van de machine. De theorie luidt: het individu is niks meer waard in de raderen van het collectivisme.
 

 

De briljante componist Dmtri Sjostakovitsj leert als bioscooppianist wat montagetechniek is, hoe hij straatgeluiden en marsmuziek in een filmbegeleiding verwerkt, maar zijn improvisaties verwijderen zich ver van de norm, en hij blinkt niet uit door voor het publiek toegankelijke, verbindende muzikale motieven. De directie dreigt met ontslag.
 
image
 
Nog voor hij 20 is, wordt zijn 1e symfonie een succes. Veel van zijn werk heeft een sarcastische en stekelige tegenklank. Sjostakovitsj’ aanslag is ook nogal droog. Zijn opera ‘Lady Macbeth uit het district Mtsensk’ kent zoveel bijval dat men in fabrieken een piano aanrolt en stukken uit de grote, proletarische productie opvoert. Het Lady Mtsensk-verhaal is makkelijker te volgen dan de rare Duitse opera’s van die tijd, en bevat zeker evenveel explicit lyrics: Lady Macbeth doet alleen even alsof ze aan de frigide kant is, en moord en verraad spelen de hoofdrollen.
 

 

Stalin is ondertussen sinds midden jaren 20 aan de macht, maar als hij in de Trofee Gevaarlijkste Gek Van De 20e Eeuw op het erepodium belandt, ligt dat aan de dolle fratsen die pas in de jaren 30 beginnen, moment waarop Stalin zijn (potentiële) tegenstanders begint weg te zuiveren.

Net als een paar miljoen landgenoten mag Dmtri Sjostakovitsj een nachtelijke klop op de deur verwachten, en bij hem kunnen we de dag prikken waarop hij mag beginnen met beven: 28 januari 1936. Die ochtend bloklettert de Pravda, na een bezoek aan Sjostakovitsj’ Macbeth-opera van hun belangrijkste culturele freelancer Jozef Stalin, onder de titel ‘Chaos in plaats van muziek’: ‘Fragmenten van een melodie en kiemen van muzikale frases gaan op in het tumult, geknarsetand en gekrijs… Het is moeilijk deze ‘muziek’ te volgen, het is onmogelijk om ze te onthouden… We hebben hier te maken met ‘linkse’ warhoofdigheid, en niet met natuurlijke, menselijke muziek… Dit is spelen met duistere dingen, dat kan heel slecht aflopen.’

Gevolg: geen opvoeringen meer van Sjostakovitsj’ werk. Plus: de man blijft kettingroker, maar bijt nu ook zijn vingernagels eraf.

Sjostakovitsj redt het hachje door de springerige 4e symfonie (die volledig klaar is) in de lade op te bergen. ’s Mans vrienden en beschermers worden ondertussen naar strafkamp of executieterrein afgevoerd. In 1937 wordt hij verplicht een lijst van namen te geven van samenzweerders. Een hele dag wacht hij in de gang op zijn ondervrager. ’s Avonds zegt iemand dat die ondervrager zelf is gearresteerd, en wenst hem een mooie avond.

Sjostakovitsj leest in ‘Stalin voor beginners’ dat Sociaal Realisme een kunststroming is die drie bevelen geeft: 1. Al die experimenten die zo populair waren in het Rusland van kort vóór en kort ná de revolutie: weg ermee 2. Vanaf nu alleen begrijpelijke, realistische, vitale en monumentale kunst voor het proletariaat. 3. Zuiver de wereld in één klap via zware inspanning van de roest en schimmels van het pessimisme. De componist dekt zich in via zijn 5e symfonie. Ondertitel: ‘Het Creatieve Antwoord van een Sovjetartiest op Terechte Kritiek’. Het einde is weekendfilmhappy, de apotheose waarlijk optimistisch, de apparatsjikovatie staand en oorverdovend.
 

 

Wat jammer dat de hardleerse componist in 1939 opnieuw ontgoochelt met de 6e symfonie. Kan hij het niet, of wil hij het niet?, vraagt de Bond der Sovjetcomponisten zich af: ‘De massa zal niet worden meegesleurd door deze kleinburgerlijke verkramping om volgens de methodes van de geforceerde vernieuwing originaliteit voor te wenden’.

En dan moet het waanzinnige Sjostakovitsjverhaal nog beginnen.
 

Een rattenplaag

 
image
 
Krysztof Penderecki
Van alles wat

 

Tijd voor een overzicht van… de mij bekende Poolse componisten wier naam op -recki eindigt: Henryk Górecki (waarover binnenkort meer) en Krysztof Penderecki.

De -recki’s (spreek uit: [retzskis]) zijn alle twee diepgelovige mensen die al eens een paus eren via een muziekstuk; geen grap. Dat leverde toen de communisten aan de macht waren trouwens geen bonuspunten op. Ook als u in verband met Krzysztof Penderecki denkt: ‘Huh?’, wees gerust: u kent zijn muziek. Wees nog geruster: niet via de paus.

Zijn ‘Polymorphia’ zit in ‘The exorcist’ en ‘The shining’, de ‘Klaagzang voor de slachtoffers van Hiroshima’ (‘Threnody for the Victims of Hiroshima for 52 stringed instruments’) in datzelfde ‘The shining’ en in ‘Children of men’, en de meer recente Passacaglia uit ’s mans 3e symfonie is door Robbie Robertson van The Band geselecteerd voor de soundtrack van ‘Shutter Island’. Allemaal goeie, voor de grote zalen bestemde Hollywoodfilms die de schaduwkant van de mens belichten. De muziek, die is kei-, snoei- en bikkelhard tegelijk.
 

 
Kei-, snoei- en bikkelhard is een beetje overdreven, want naar Penderecki’s normen is het Passacaglia eigenlijk een vrij kabbelende zee. Wie werkelijk een rattenplaag wil horen, of een abattoir vol bloed, of op z’n minst een supergeschikte concertintro van een blackmetalband, die moet ‘Polymorphia’ eens ondergaan: muziek die ook in ‘The shining’ en ‘The exorcist’ wordt gebruikt.
 

 
Penderecki introduceert ook een nieuw notatiesysteem. In ‘Klaagzang voor de slachtoffers van Hiroshima’ worden de 24 violen bijvoorbeeld genoteerd in clusters variërend van 4 tot 12.

Er zijn pictogrammen voor hoogst mogelijke noot, voor fingerpickin’ en voor tussen kam en staartstuk op het hout strijken. De golven van het vibrato zijn breder en minder hoog dan die van het molto vibrato.

De youtubetranscriptie is van Gerubach (die overigens ook ‘Clapping song’ van Steve Reich bewerkte). Good job!
 

 
Penderecki’s muziek van rond 1960 lijkt soms een epiloog bij de 2e wereldoorlog die het land teisterde, en is overal van de hand van een kunstenaar met een zesde zintuig voor het oorlogsleed van anderen.

Niet onlogisch. Auschwitz heet in Polen Oświęcim. Wie alle uithoeken van het kampterrein van Auschwitz-Birkenau wil verkennen – heb ik zelf ooit vastgesteld – moet een parcours ter grootte van een ring rond een Vlaamse centrumstad afstappen.

Ach, Polen. Ooit kreeg het van iemand de prijs voor lelijkste land ter wereld. Ik herinner me dat België verdienstelijk tweede werd.

In ‘De geverfde vogel’ van Jerzy Kosinski wordt geen fraai beeld opgehangen van de Poolse antisemitische plattelandsbevolking. In de graphic novel ‘Maus’ zijn Polen zelfs varkens tussen katten en muizen.

In 1939 zit het land als vanouds gekneld tussen Pruisen en Rusland, dat nu Hitler- en Stalinland heet. Als die twee mogendheden risk spelen en een pakt breken, leven de Polen in een Shot by both sides-achtige situatie.

In het midden van het land weten de mensen niet wie hen gaat komen ‘bevrijden’, en ook niet van wat. Er bestaat een verschrikkelijke, alleszeggende foto van een armtierige welkomsboog met tussen twee swastika’s een hamer en een sikkel. Dié tragedie hoor ik.
 
image
 
Penderecki schreef ook de soundtrack van de film ‘Katyn’. 22.000 Poolse officieren en intellectuelen werden in 1940 vermoord door Stalin, die de schuld in de schoenen van de klotenazi’s schoof.

Katyn-epiloog.

In april 2010 vliegt de Poolse president Lech Kaczyński met een groot gevolg naar Smolensk om vandaaruit naar een herdenkingsplechtigheid in Katyn te reizen. Het vliegtuig stort neer en alle inzittenden komen om.

In november 2010 keurt de Russische Doema eindelijk een verklaring goed waarin wordt erkend dat Stalin persoonlijk het bloedbad bevolen heeft. De klotecommunisten stemmen natuurlijk tegen.

Muziekepiloog.

Radioheadgitarist Jonny Greenwood is Pendereckifan. Greenwood heeft ondermeer de goeie soundtrack bij de goeie film ‘There will be blood’ geschreven.
 

 

Een belangrijk opstapje naar iets anders

 
image
 
Nine Inch Nails
The fragile
1999

 

Voor Humo recenseerde ik in de herfst van 1999 de tweede grote plaat van de industrialgroep Nine Inch Nails. Ik was nogal lovend.

De ‘muzikale’ context? Ik hoorde een groep die beter was dan Marilyn Manson; in die tijd alomtegenwoordig. Marilyn was een bijzonder slimme en een zeer interessante opiniemaker (zijn essay over de houding van Amerikaanse media na het drama in de Columbine highschool is meesterlijk), maar muzikaal kwam hij niet verder dan Gary Glitter huldigen en met onderscheiding zijn bachelordiploma David Bowie (minor gothic) halen; meer dan één MM-song klinkt ook als Alice Coopers ‘Ballad Of Dwight Fry’ in een reclamefilmpjesdoorslag.

Een fragment uit mijn Nine Inch Nails-recensie: ‘The fragile’ begint, nadat de zwartjas in ons vijf jaar op z’n nagels heeft moeten bijten, waar voorganger ‘The downward spiral’ eindigde. We bedoelen: ‘The fragile’ begint op de bodem. Neem dat gerust letterlijk: in opener ‘Somewhat damaged’ staat Trent Reznor thuis op zijn stoel, de koord hangt rond zijn nek, en voor hij de grond onder zijn voeten wegtrapt, start als bij wonder de metronoom. Van dan af zal hij twee jaar om zo te zeggen vakantie nemen, en tussendoor werken aan een plaat. Het gevolg is dat wij met een schitterende dubbel-cd zitten, die langer duurt dan ‘The wall’, onveiliger aanvoelt dan een Aeroflot-vlucht naar Grozny, en een geest uit de machine tovert die ons god weet waar naartoe voert. Er zijn songs bij die hoop en redding brengen, er zijn evenveel andere die zeggen dat dat zo makkelijk niet gaat, en fluisteren dat de scheermesjes in de badkamer liggen. That’s entertainment!’

Op mijn 34e was ik dus zo zot om compleet zot te zijn van een zanger met een zwart, leeg, koud hart. Een beetje zoals Prince bedenkt hij alles alleen in zijn studio, en die studio bevindt zich – denk ik – in een achtergelaten Tim Burton-decor. Ik lach er nu mee, en Trent Reznor vraagt er ook om: nérgens op deze dubbel-cd kan je hem betrappen op één van de ons allen bekende humorvormen. De muziek? Hard, eentonig, bloedloos, im rhythmus bleibend zoals het door Front 242, Nitzer Ebb, Skinny Puppy of Test Department was voorgedaan; in de nineties zou dit genre ook via Ministry en Rammstein de wereld veroveren.
 
image
 
Wat ik vandaag in Nine Inch Nails hoor? Euh (Euh is uit de mode, in de echte ‘Honderd’ wil ik het niet meer tegenkomen, is dat afgesproken?, red.) Wat ik dus hoor: een ambitieus, pretentieus, emotioneel, onzeker en vooral eervol gevecht tegen depressie, maar ik raadpleeg tegenwoordig andere specialisten. Ook alles behalve een ‘bijzonder clevere geluidstrip die z’n gelijke niet kent’, zoals ik toen vond: ik ben integendeel de testosteronriffs in de harde passages ontgroeid, evenals de soundtrack-van-Jaws-sfeer die regelmatig over ‘The fragile’ hangt. Ik ken ondertussen een hoop betere journeys into sound, waarin ook minder ideeën van Aphex Twin en Claude Debussy worden gestolen.

Van de teksten begrijp ik evenmin dat ze ooit glans hebben gehad. Alleen al de zin met de rijmwoorden ‘Pleading and / Needing and / Bleeding and / Breeding and / Feeding / Exceeding’ geeft me zin om ‘The fragile’ belachelijk te maken. Ik zou u daarmee kunnen vermaken of irriteren, maar waarom? NIN is Trent Reznor plus veel personeel, een hoop rekwisieten en een plan om de wereld te veroveren. Ik zie hem in 2013 in een promotievideo zijn verdiende miljoenen in een nieuwe, professionele miljoenenshow investeren en met muzikanten, technici, podiumbouwers, cameramannen, LED-lampen en Kraftwerk-ideeën een festivaltournee in mekaar boksen. Deze man hééft zich gegeven en gesmeten, en geeft en smijt zich opnieuw; he’s in business. Mijn verstand zegt Waw! en Respect, maar de muzikale wereld van NIN ketst steeds meer op me af.

Wat het is? Voor NIN geldt wat ook voor de lucht geldt die via identiek dezelfde wetten van de geluidsfysica in trilling wordt gebracht door The Smiths (‘The Smiths’), Radiohead (‘OK Computer’), The Triffids (‘Born Sandy Devotional’), Lauryn Hill (‘The miseducation of Lauryn Hill’), R.E.M. (‘Reckoning’), Elvis Costello (‘King of America’), Fugazi (’13 songs’), The Afghan Whigs (‘Gentlemen’), Come (‘Gently down the stream’), DJ Shadow (‘Endtroducing’), Massive Attack (‘Blue lines’), Public Enemy (‘It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back’) en Sonic Youth (‘Evol’ én ‘Goo’): ik vind die lucht óók niet meer even fascinerend als vroeger, periode waarin al deze platen een tijdlang het enige kunstwerk ter wereld waren. De muziek van deze mensen is een (zeer belangrijk) opstapje geweest naar iets anders.