De steen opnieuw naar beneden zien rollen

 
image
 
Nick Drake
Five leaves left
1969

 
 

Nick Drake is een man die tijdens zijn korte leven niet veel applaus krijgt. Hij trekt op een heel andere manier een wissel op de eeuwigheid.

Na een korte, totaal mislukte muzikantencarrière gaat de ontgoochelde artiest opnieuw bij zijn ouders wonen, en sterft hij in Tanworth-in-Arden na inname van te veel antidepressiva. Hoe we ons die ouderlijke villa in het kader van de niet ver van de boom vallende appel moeten voorstellen? Als moeder Molly Drake van achter de piano zong, was heel het huis vol weemoed.

Een gedicht van haar heet ‘The shell’, naar de schelp (eierdop is nog beter) waarbinnen de gezapigen ijsberen, hun benepen vreugdemomenten beleven en de donkere buitenkant ontkennen. ‘Some break the shell / … / and make a hole / and through that cruel slit / stare out across the cinders of the world / … / They look both in and out knowing themselves / and too much else beside.’
 

 

Tot waar zou Nick Drake trouwens hebben gelezen in Albert Camus’ zelfmoordessay ‘De mythe van Sisyphus’, dat aan het eind van zijn leven op zijn nachtkastje lag? Ik mag hopen verder dan de beginzin: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord’. Waarschijnlijk tot bij het al vroeg opduikende onderscheid tussen het leven dat niet de moeite loont om geleefd te worden en het leven dat geen zin heeft. Kort door de bocht samengevat: ’t is niet omdat het leven geen zin heeft dat het niet de moeite loont! Enfin, volgens Camus toch.

Heeft een van mijn favoriete akoestische gitaarmannen liggen lezen tot aan de ervaring van het absurde, die ons zomaar kan komen aanwaaien, ‘bijvoorbeeld in de draaideur van een restaurant’? Opnieuw kort door de bocht: de mens vraagt, de wereld zwijgt, en dat is het absurde. Doet me aan de Drakesong ‘Time of no reply’ denken, een outtake van de debuutplaat ‘Five leaves left’, een plaat die op 11 belandt. De wereld zwijgt in die song als vermoord: ‘The sun went down and the crowd went home / I was left by the roadside all alone / I turned to speak as they went by / But this was the time of no reply’. De filosoof Camus aanvaardt dat absurde, maar dan om vanop die plek vrij, hartstochtelijk, bewust en intens te leven en in opstand te komen.
 

 

Maar tot waar heeft Nick Drake gelezen, vroeg ik me af. Misschien tot bij Sisyphus, een koppige sterveling die wordt veroordeeld tot een oneindige straf: almaar een rotsblok de helling op duwen en de steen er opnieuw zien af rollen; hij vindt zijn last onderaan de berg altijd terug. Telkens als Sisyphus naar beneden wandelt, wordt hij zich bewust van het absurde van zijn situatie. Hij overwint het noodlot door verachting. Zijn noodlot hoort hem op de duur toe.

Laatste Camuszinnen: ‘De strijd op zichzelf is voldoende om het hart van de mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

image

Ik weet niet op welke plek Drake het boek weglegde, maar het zou kunnen dat sommige mensen het wel weten, want wat een hoop details kennen we ondertussen niet over Drakes leven, zeg: dat hij die noodlottige nacht van 24 november 1974, voor hij die overdosis antidepressiva nam, is opgestaan om cornflakes te eten, bijvoorbeeld. Het staat allemaal in de Nick Drakekrant.

De vraag is: hoeveel van die details blijven er bijkomen? X aantal jaren geleden kende ik al zijn Vier letzte Lieder van februari 1974, en dus van ná de derde plaat ‘Pink moon’. De twee meest schrijnende van die hekkensluiters zijn ‘Hanging On A Star’, mogelijk een bitter commentaar op de onderwaardering voor zijn werk (‘Why leave me hanging on a star / When you deem me so high?’) en ‘Black Eyed Dog’, over een zwartogige hond die Drake als een duivel uit een hasjdroom achtervolgt, een spookverschijning met een blaf als een gong, een dier dat hem in de laatste ronde van zijn leven bij de voornaam kende.
 

 

Wat blijkt nu? In het nieuwe millennium is ook een vijfde lied opgedoken, een ‘allerlaatste’ opname van juli 1974. Als om het raadsel nog groter te maken, is dat ‘Tow the line’ een positief verhaal en een uitstekende, evenwichtige song. Ben ik blij om. Ik bedoel: blij dat het raadsel onder de microscoop van deze tijd hier en daar onopgelost blijft.

In 2007 verscheen ook ‘Family tree’, een goudmijn van demo’s waarop vroege invloeden bijna periodiek worden gerangschikt. Een paar traditionals leveren talkin’ blues op in een Engelse villawijkvariant. Er zijn songs bij van Jackson C. Frank, wiens fingerpicking in de buurt komt van die van Drake. Een enkele keer worden Bert Jansch en Bob Dylan gecovered. Eerst Dave Van Ronks ‘If you leave me’ horen en dan Nick Drakes versie is een glimp opvangen van de grandeur die gaat komen. Drakes stem is zeer verwant aan die van moeder Molly Drake, aan wie ik u al heb voorgesteld.

‘Been smoking too long’ is van Robin Frederick, die met Drake in het zuiden van Frankrijk une belle histoire had toen ze allebei 18 waren. Zelfs de tekst ‘Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard / Elle descendait dans le midi’ uit het lied van Michel Fugain zou in hun geval op een rare manier kunnen kloppen. Frederick geeft tegenwoordig muziekles en heeft laag na laag van het Drake-universum afgepeld: ‘Hij ontdekte een nieuwe manier om akkoordprogressie met melodie te verknopen, zoals Brian Wilson ons akkoorden als pretzels leerde rollen.’ Ze redeneert mooi tot het einde door: ‘Zeggen dat het bij Nick Drake vooral om donkere romantiek gaat, is als zeggen dat het bij Brian Wilson om surfen te doen is.’ Hé, da’s eens wat anders dan Drakes graf bezoeken! Om daarna in het bos een onschuldig hertenjong te willen tegenkomen!
 

 

Eén heel belangrijke invloed vind je niet terug op de ‘Family tree’-demo’s: de song ‘Who knows where the time goes?’ van Fairport Convention. Eenzelfde zachtheid die een beetje ongerust maakt, gemaakt in hetzelfde jaar, en qua sfeer en arrangement bijna een kopie van wat eigenlijk dé Drakegeboortekaart is: de opener van dit debuut die begint met ‘Time has told me / You’re a rare, rare find’. ‘Time has told me’ is een deelverzameling vol folk, country, blues en fietsen op de heide.

De gelijkenis met de Fairportsong is er niet zonder reden: producer Joe Boyd is dezelfde, Fairports Richard Thompson speelt in de song gitaar en bassist Danny Thompson (geen familie van Richard), kwam van bij Pentangle (muzikaal wél dezelfde folkfamilie). Drake komt dus via de grote poort binnen en weet in de studio heel goed wat hij wil, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat zijn studiemakker Robert Kirby de strijkers mag arrangeren. Een van de hoogtepunten is ‘Way to blue’, alléén stem en strijkers.

Mijmering. Als Drakes debuut tijdens zijn leven half het succes was geweest van wat het postuum is geworden, had hij bij het maken van opvolger ‘Bryter layter’ veel meer zeggenschap gekregen en waren die parels soberder uitgevoerd, en als daar ook applaus en geld bij gehoord had, was de derde plaat vanzelf minder somber geworden. Denk ik weer maar eens. Ik weet dat het wishful thinking is, en dus bullshit, en toch blijf ik het denken.

Dat wil zeggen: tot ik ‘Day is done’ en ‘Three hours’ en ‘River man’ en de congas van ‘Cello song’ hoor, want dan is zelfmoordland plots weg, en zie ik een rijzige jonge man die van de campus in Cambridge naar het station stapt en die er minder als een hippie uit ziet dan de andere studenten.

Hij is op weg naar een studio in Londen en loopt over van de ambitie. Hij zal een plaat maken die zo weergaloos tijdloos is dat ze vandaag precies zo zou kunnen verschijnen. Ze zou alleen anders heten, want in pakjes Rizla zit geen geel sigarettenvloeitje meer met daarop in rode waarschuwingsletters ‘Only five leaves left’. Vandaag is het ’10 papers left’ geworden.

image

Aan de tekstkant is de song ‘Fruit tree’, waarin wordt nagedacht over beroemdheid, uitgelegd als een profetie, alsof de zanger wist dat hij tijdens zijn leven slechts een voetnoot bij een voetnoot zou blijven. De tekst is evengoed een genre waarin jonge dichters overdrijven – pakweg over het relatieve van roem – zeker als ze zich al van jongs af door de Engelse romantici laten kneden.

Aan de muziekkant blijft bij Drake de uitstraling over van iemand bij wie de hele fuckin’ wereld als water door de vingers lijkt te glijden, behalve als hij zich over zijn gitaar buigt, instrument waarover hij meer meester was dan vijf Elliott Smiths samen, en die Elliott Smith was evenmin een krabber.

Mijmering. In de Drakedocumentaire ‘A skin too few’ worden een paar mensen die Drake gekend hebben, maar mekaar niet (de enen waren zijn studiemakkers, de anderen zijn platenfirmacontacten) bij een goed glas wijn samengebracht. Ze discussiëren over de waarde van Drakes muziek. Een vriend ziet in hem een tragisch miskend genie, en een briljant tekstschrijver. De platenfirmaman relativeert met de stelling dat Drakes probleem erin bestond dat hij niet wilde optreden, omdat hij een keer het geroezemoes en het glazengerinkel – een enkele keer zelfs de dronken zeemansstemming – niet had kunnen overstemmen.

In het pluche van de grote zalen, in het voorprogramma van de folkadel van die tijd, lukte het nog, maar in de kroegen trok Drake naar het schijnt bleek weg. ‘In die tijd’, zegt de firmaman, ‘was er voor slaapkamerartiesten met ernstige podiumvrees veel minder plaats dan vandaag.’ Is genoteerd, en is waarschijnlijk waar.

Lichtpuntje: heel wat muziekhelden zijn op hun 27ste gestorven. Nick Drake is 26 geworden en is dus geen lid van de 27-club.

Zo. Nog 10 platen te gaan in Honderd. In zekere zin ’10 papers left’.
 
image
 

 

Zorg dat je olifantenpijpen draagt

 
image
 
Nick Drake
(Bryter layter 1970)
Pink moon 1972

 

Kitsch!

Musicals zijn kitsch. Weekendfilms ook. En Jeff Koonskunst. Rococo niet vergeten. Grote, betraande manga-ogen. De oooh’s bij het zien van pas geboren poesjes. Homo’s in gesprek over ABBA. Koningshuizen.

Ik zou kunnen zeggen: ik haat kitsch. Maar wat is de youtubevideo hieronder anders dan pure, onversneden kitsch?
 

 

‘Northern sky’ dus. Voorlaatste song vanop ‘Bryter layter’, Nick Drakes tweede van drie platen.

Vandaag duurt het even voor ik mijn notities van twee jaar geleden bij ‘Bryter layter’ begrijp: ‘Londen. Irritante, soms haast ondraaglijke altsax.’

De tekst van opener ‘Hazey Jane II’ verklaart meteen Londen. Nick Drake (geboren in Rangoon, Birma in 1948 – gestorven in Tanworth-in-Arden in 1974) is naar de grote stad verhuisd na een jaar of twee op de universiteitscampus van het overzichtelijke Cambridge, waar zijn maten net als hij te veel joints roken, en in de muziekclub naar Edward Elgar en Fairport Convention luisteren.

Drakes debuut ‘Five leaves left’ is commercieel geflopt, en hij is nu Cambridge drop out en fulltime muzikant.

Primaire waarneming van Londen: haar bevolkingsdichtheid: ‘And what will happen in the morning when the world it gets so crowded that you can’t look out the window in the morning’. Zin 2 is een goeie, zelfrelativerende grap die terugkoppelt naar landelijker gebieden. Enfin, dat denk ik toch: ‘And what will happen in the evening in the forest with the weasel with the teeth that bite so sharp when you’re not looking in the evening’. ‘Hazey Jane II’ is naar Drakenormen uptempo, bijna-vrolijk.
 

 

Die ‘ondraaglijke’ sax dan. Mocht tijdreizen ooit iets saais worden en dus een discipline zijn waarin het meeste nuttige wereldoplapwerk al is gedaan – ik bedoel: Hitler en Stalin zijn omgebracht er er is zelfs naar het Tanworth-in-Arden van 24 november 1974 afgereisd om Nick Drakes noodlottige antidepressiva te jatten – dan pas mag u checken of er al naar 1970 en naar de Londense Sound Techniques-studio is geflitst om een handdoek te proppen in de irritante altsax van ‘Poor boy’. Zó dringend is het dus niet.

Aan de minkant van Drakes tweede plaat zitten ook een constant aanwezige piano, de quasi overal opgelegde jazzgezelligheid en drie instrumentalen die zich meer tot fingerpicking hadden mogen beperken.

Aan de pluskant torenen er zeven wereldsongs bovenuit, die in hun geheel genomen de zeven meest hoopvolle en positief denkende zijn uit de korte carrière van deze schuchtere, koppige, onnavolgbare bard. Na wat oefenen lukt het perfect de twee enige instrumenten van echt onschatbare waarde eruit te filteren: de gitaar van Nick Drake en de stem van Nick Drake.
 

 
Drakes afsluiter ‘Pink moon’ en de wondermooie demo’s die postuum zijn uitgebracht zijn veel meer herfstachtig verval, en veel minder lente-achtig herstel dan ‘Bryter layter’, en voelen comfortabeler aan in een verhaal waarvan je weet: komt geen happy end aan. ‘Bryter layter’ is eigenlijk ’s mans hardste plaat, ook omdat je dat optimisme hoort in de poging van de overijverige producer… tja, om er een succes van te maken, zeker. Wisten ze toen veel dat er alleen postuum roem te vergaren was.

Mijn favoriete tekstfragment van ‘Bryter layter’: ‘Things I say / may seem stranger than sunday / changing to monday’.

Het isolement bondig verbeeld: ‘Stay indoors / Beneath the floors / Talk with neighbours only’.

Moment dat illustreert hoe deze man buiten de reguliere tijd lijkt te leven: ‘Do you feel like a remnant / Of something that’s past? / Do you find things are moving / Just a little too fast?’

Mag ik ook een humoristisch Grieks koor aanstippen dat boven het klagerige ‘Poor boy’ zingt: ‘A poor boy, so sorry for himself’. Of iets over de Londense modepolitie: ‘See your trousers don’t taper’, zorg dat je broekspijpen niet taps toelopen. Met andere woorden: draag olifantenpijpen zoals iedereen toen in Londen. Scoop: Nick Drake was een zichzelf relativerende, de samenleving ironisch in de tang nemende grapjas!

De plaat heet trouwens ‘Bryter layter’ omdat weermannen op tv het zo uitspraken.

 
image
 

Twee jaar na ‘Bryter layter’ komt ‘Pink moon’. Het is de plaat die de eindsprint inzet. ‘Pink moon’ wordt soms half gemurmeld. ‘Pink moon’ kan zichzelf verdedigen. Het is vooral ‘Pink moon’ dat op 29 staat. Wie in verband met ‘Pink moon’ van niks weet, … nee, dat kan en mag gewoon niet.

Een voorbeeld? Iets illustratiefs? Een lokkertje? Vooruit dan! Even onvatbaar als Drakes op deze plaat ronduit verbluffende gitaargetokkel is de tekst van ‘Know’: ‘You know that I love you / you know I don’t care / you know that I see you / you know I’m not there’.

‘Pink moon’ is het absolute tegendeel van kitsch.

 

 

Zéér, zéér donkergrijs

 
image
 
Dmtri Sjostakovitsj
7e symfonie
1941

 

Ik zou kunnen zeggen: ‘Ik vind de 7e symfonie van Dmtri Sjostakovitsj geweldig tot uitstekend, maar weten waar ze over gaat, dat zal nooit lukken’. Punt. Opstel af. Nog iets aanklikken op de redactie.be. De vuilniszak buiten zetten. Slaapwel.

Maar ik ben klaarwakker. Ik maak eerst een résumé van nummer 109, plek waar we Sjostakovitsj’ 5e symfonie tegenkwamen:

Sjostakovitsj’ springerige 4e orkestwerk werd een paar dagen voor de première door de componist wijselijk in de lade opgeborgen, want in de Pravda was op voorspraak van de dictator Jozef Stalin over een populaire opera van hem geschreven: ‘Dit is spelen met duistere dingen, dat kan heel slecht aflopen.’

Zijn 5e grote klepper uit 1937 krijgt de ondertitel ‘Het Creatieve Antwoord van een Sovjetartiest op Terechte Kritiek’ en wordt een groot succes.

De 6e symfonie uit 1939 wordt door Stalins stromannen dan weer gekraakt: ‘De massa zal niet worden meegesleurd door deze kleinburgerlijke verkramping om volgens de methodes van de geforceerde vernieuwing originaliteit voor te wenden’.

In de jaren voor Hitler de Sovjet-Unie binnenvalt leven alle Ruskis onder het juk van de grote dictator. Iedereen is bang. Niemand durft nog te zeggen wat hij of zij denkt. Zelfs aan vrouw of broer vertel je beter niks. Aan man en zus evenmin.

We zullen nooit weten hoeveel miljoen politieke gevangenen door Stalin vermoord zijn. We zullen nooit helemaal zeker weten of het de waarheid en niets dan de waarheid is dat een 9-jarig meisje voor 10 jaar de Goelag in moest omdat ze een westers liedje had gezongen. Je moet altijd nuanceren: het zou kunnen dat het meisje net 10 was geworden, of voor 15 jaar werd weggestuurd, of na een half jaar al stierf van ontbering.

We weten dat de componist Dmtri Sjostakovitsj een tijdlang ’s avonds buiten rookte en zich in de gang bij de voordeur te slapen legde om z’n kinderen het moment te besparen waarop de Geheime Politie hem zou komen halen. Can I dig it? No, I can’t!

Getuigen spreken over een periode waarin je je verdriet met niemand kon delen. Al wie niet positief stond tegenover de Stalinwaanzin kon worden weggevoerd. Tiens, klonk Sjostakovitsj’ 5e (gemaakt in dé terreurjaren ’36-’37) niet zeer optimistisch en zeer opgewekt? ‘Onder dwang opgewekt’, zou de componist er later over zeggen. Zóu zeggen, werd gefluisterd, want het staat in het in 1979 – 4 jaar ná Sjostakovitsj’ dood – verschenen ‘Getuigenis’ van de musicoloog Solomon Volkov. ‘Getuigenis’ is een samenraapsel van ‘controversiële’, ‘op z’n minst aangedikte’ vraaggesprekken met de componist. Die controverse is vandaag enigszins voorbij: volgens de meeste mensen die het toen meemaakten zit in het boek veel meer dan louter een kern van waarheid.

Plus: we hebben nog steeds oren. Het korte beginthema van de vijfde is catchy, maar donker. Ja, er zit een walsje in de symfonie, er wórdt gemarcheerd, maar het largo is louter pijn en ontreddering en het hoogtepunt van een bij momenten zéér creatief, vol parodieën zittend fuck you van een Sovjetartiest richting alles behalve gerechtvaardigde kritiek. Naar het schijnt wist de componist bij de première pas tijdens de lange staande ovatie dat hij in leven zou blijven. Hij wist zich dus gered door een applausmeter.

Maar! Kijk, ik ben me enigszins gaan verdiepen in deze geschiedenis. Stalin een klootzak? Buiten categorie. Maar als Sjostakovitsj in 1936 buiten bang staat te roken blijkt dat achteraf gezien onnodig. De negatieve Pravda-recensie was voor de componist niet meer dan een waarschuwing. Stalin vond Sjostakovitsj’ filmmuziek (zeemzoeterige propaganda, ik kan er geen twee minuten naar luisteren) fantastisch. Al wie in 1936 alsnog moeilijk werk maakte in de trant van Sjostakovitsj’ 4e of in dat jaar kritiek had op het regime heeft het jaar 1938 niet overleefd, dat is waar. Maar met Sjostakovitsj had het regime duidelijk plannen.

Een hoop 20e eeuwse componisten schreven werk dat veel moeilijker is te vatten dan het werk van Sjostakovitsj – Béla Bartók is een uitstekend voorbeeld – maar ik ken geen componist over wiens leven en werk afhankelijk van de bron zo verschillend werd geschreven: ‘toegewijde functionaris’, ‘dissident’ – ‘lafbek’, ‘held’ – ‘overtuigd communist’, ‘liberaal’ – ‘toeter van de dictator’, ‘stem van het verzet’ – ‘opportunist’, ‘aan de kant van de verdrukten’ – ‘formalist’, ‘kopie van Mahler’ – ‘te moeilijk’, ‘te makkelijk’, …

Tegenstrijdigheid na tegenstrijdigheid bleef in getuigenissen opduiken; de strijd ging lang door. De 7e symfonie is het grootste, bekendste, belangrijkste Sjostakovitsjwerk geworden. Het is een prachtige berg in het klassieke muzieklandschap, maar ook het beste vertrekpunt om een portret te schetsen van de verkeerd begrepen kunstenaar en van zijn af- en aangevecht met een zeer machtige dictator.

Geen betere ‘Terug Naar Start’ dan de plek waar we gebleven waren: bij de zwijgende, in zichzelf gekeerde, voor iedereen die op straat rondliep doodsbange Sovjetburgers. In 1941 vallen de klotenazi’s hun land binnen. Alle ogen zijn vanaf 8 september 1941 gericht op Leningrad. We weten met zekerheid dat in Leningrad tijdens het 871(!) dagen durende beleg omzeggens 1 miljoen mensen zijn gestorven. Mensen aten hun huisdieren op, dat zal ook wel waar zijn. Er was sprake van kannibalisme. Tja. De ellende was alvast immens.
 
image

image

En let nu op! Sjostakovitsj, die al schetsen van het eerste, zeer lange deel van de 7e symfonie af heeft – en dus niet, zoals de mythe wil, héél zijn symfonie in het belegerde Leningrad heeft geschreven – zit in de periode voor de nazi-aanval even hard vast in werk en leven als de mensen rondom hem. Maar het beleg verandert alles. De vijand komt nu van buiten af, en vreet niemands binnenste meer aan. Mensen praten opnieuw tegen elkaar, al is het maar om te vragen waar de lijken mogen worden achtergelaten.

De componist, die letterlijk(!) zijn vrij goed verdiende brood deelt met de mensen, biedt zich aan bij het leger, maar wordt tijdens een E-P-X-B-T-M-oogtest (men heeft ginds een ander alfabet) al vanaf de tweede regel geweigerd. Hij zal met een conservatoriumbrigade loopgraven aanleggen, en wordt door de propagandamachine ook als brandweerman uitgestald. Het kan hem niet meer schelen dat dat gebeurt, het patriottisme is opnieuw in hem gevaren, en hij begrijpt dat hij van nut kan zijn als topcomponist.

Een groot deel van de 7e symfonie ís in Leningrad geschreven, in de eerste maand van het beleg. In een mum van tijd heeft Sjostakovitsj deel 1 geüpgraded; hij heeft de ontreddering onder Stalin gemorpht met de bommen van Hitler. Over het 2e en 3e deel doet de man nog een paar weken, periode waarin hij overdag zijn burgerdienst doet en plichtbewust poseert voor de propagandacamera’s.

De meeste Sovjetkunstenaars worden door het regime bewust aan het front gehouden, maar het gezin Sjostakovitsj wordt uiteindelijk eind september 1941 in Koejbysjev in de Oeral in veiligheid gebracht. De partijkaders moeten gehoord hebben dat er een klepper aankwam. Sjostakovitsj is nu een Sovjet-VIP. In de Oeral wordt de 7e voltooid en een eerste keer opgevoerd in maart 1942.

Ook in het nog steeds belegerde, compleet uitgehongerde Leningrad wordt een concert georganiseerd. De leden van het Leningrad Philharmonisch Orkest zijn naar Novosibirsk geëvacueerd en kunnen onmogelijk terug. De 14 overlevende leden van het plaatselijke radio-orkest worden aangevuld met soldaten en officieren die een instrument kunnen bespelen. Ze komen met hun wapens rechtstreeks uit de vuurlinies, gelokt door de belofte van dubbel rantsoen tijdens de repetities van dit meer dan een uur durende stuk.

De dag van het concert, dat ook op de radio wordt uitgezonden, banen geïnteresseerden zich, op gevaar voor eigen leven, te voet van de andere kant van de stad een weg naar de zaal. De dag zelf is er nog hevig gebombardeerd, maar er wordt met de nazi’s een staakt-het-vuren bedisseld zolang het concert duurt. Het is een verbijsterende ervaring voor publiek (en muzikanten), die een kroniek van hun eigen leven horen (of van de partituur aflezen). Het lange eerste deel is voor een groot stuk een soort Bolero verkneed met een militaire mars, maar ik kan elke heteroseksuele man garanderen: aan de tieten en de vlechtjes van Bo Derek in de film ‘Ten’ zal u niet veel moeten denken. Dit is de symfonie als oorlogsverslaggeving, van een ooggetuige en een medeslachtoffer. De 7e wordt in een Russische krant ‘het eerste werkelijk monumentale werk van de Sovjetkunst’ genoemd.

Een Duitse generaal die via de radio had meegeluisterd zou achteraf gezegd hebben: ‘Ik wist die avond dat we de stad nooit zouden innemen.’ Die anekdote kan evengoed uit de weekendfilmversie van de feiten komen.

Wacht, het is nog niet gedaan. Een door de ring van Duitse bezetters heen gesmokkelde microfilm van de partituur komt via Teheran en Caïro in het geallieerde westen terecht en wordt tot in Brazilië als oorlogssymfonie uitgevoerd. In haar bezwerende onweerstaanbaarheid wordt het eerste half uur symbool van strijd en overwinning. Na de bevrijding wordt het verjazzt door de remixers van toen, en zelfs als ballet gedanst. In Amerika worden vanaf 1942 al 62 optredens georganiseerd, het concert in New York wordt op de radio uitgezonden en bereikt 20 miljoen mensen. Sjostakovitsj is, mede door een bizarre brandweermantekening op de cover van Time Magazine, heel het grootse, tragische Russische volk gaan vertegenwoordigen. De cover ziet er zo uit:

image

Bij onderstaande zwartwitfoto staat: ‘Fireman Shostakovich: Amid bombs burning in Leningrad, he heard the chords of victory’.

image

En toch was het voor een groot deel slechts medianieuwsgierigheid naar die onbekende geallieerde die meevocht tegen Hitler. Over de ellende van Stalinland was in het westen weinig geweten, en wie er wel iets van wist speelde gewoon mee stratego op de geopolitieke kaart. En dat is allemaal hard en verschrikkelijk, maar ook normaal, want de vijand heette tenslotte Hitler, en niemand kon toen weten dat die ging verliezen.

Wikipedia: ‘De interpretatie en de ontstaansgeschiedenis van het werk worden nog steeds bestudeerd, bekritiseerd en gemanipuleerd.’

Omdat de 7e symfonie tijdens Wereldoorlog II moed gaf aan alle geallieerden en na de bevrijding overal werd opgevoerd (en inclusief foto’s van huilende mensen en staande ovaties aan de bevolking werd opgediend), dacht men lang: Sjostakovitsj was embedded in het propagandaleger van Stalin.

Omdat met het verschijnen van ‘Getuigenis’ van Solomon Volkov in 1979 een ander licht scheen op de componist, gingen sommigen in hem een verzetsheld zien, en overal sporen van anti-Stalinisme in zijn werk zoeken. Alweer niet correct!

Als ik naar het oeuvre van Sjostakovitsj luister, een berg waarmee ik jaar na jaar meer en meer vertrouwd ben geraakt, denk ik: de zoon van de componist zei iets heel zinnigs: ‘Mijn vader antwoordde altijd iets om ervan af te zijn. Hij wilde gewoon verder met componeren.’

De Schönbergs en de Hindemiths dezer wereld vonden de symfonie trouwens te belachelijk voor woorden. Rachmaninovs reactie zou zijn geweest: ‘Iemand nog een kopje thee?’. Béla Bartók, die voor de nazi’s is moeten vluchten vanuit Hongarije en zonder enige hoop op groot succes in New York overleeft, hoort 3 jaar voor zijn dood de 7e van Sjostakovitsj op de radio voorbijkomen, en wordt kwaad. Hij maakt het voor hem veel te simplistische marsthema belachelijk in zijn Concert Voor Orkest. Misschien stond Bartók veel verder in het gesprek dat hij muzikaal voerde met de avantgardisten. Het is waar dat Sjostakovitsj veel makkelijker muziek maakte. Maar misschien was Bartók ook jaloers op de superster Sjostakovitsj, die als een soort U2 over de radiogolven surfte terwijl hijzelf een pak minder populair was dan Joy Division.

Niet onbelangrijk: Bartók heeft de versie van het concert in New York gehoord, van een symfonieorkest onder leiding van Arturo Toscanini, een man die Sjostakovitsj een bandopname van de opvoering stuurde. Reactie van de componist: ‘Alles is er verkeerd aan. De geest, het karakter, het tempo. Het is slordig hap-snapwerk.’

Dit op zich vrij futiele muzikantenconflict doet mij aan de siamese gevechtsvissen denken uit de prachtige film ‘Rumble fish’. De vissen zijn zelfs in staat hun eigen spiegelbeeld aan te vallen. Ik herinner me ook dat een paar van die vissen aan het eind van de film in een rivier worden losgelaten en mekaar daar niet bekampen. Als je Bartók en Sjostakovitsj had vrij gelaten was dit nooit gebeurd. Maar ja, het was 1943, iedereen zat gevangen aan zijn kant van het glas. Ik ga ophouden met hier de halve zoolpsycholoog uit te hangen in verband met twee lang geleden gestorven reuzen van artiesten.

Eén ding nog: met de supersterstatus van Sjostakovitsj is het – tegen de tijd dat Bartóks Concerto wordt opgevoerd – alweer afgelopen, want de kat Stalin heeft de muis Sjostakovitsj in het vizier, en de muis geeft zich niet snel gewonnen. Maar daarover hoger in ‘Honderd’ meer.

Ik heb het amper over de muziek gehad, die ik nochtans tientallen keren heb beluisterd, in de metro, in de living, lezend en meedenkend, verbijsterd luisterend, hier en daar vergeefs een traantje onderdrukkend.

Ik zou u kunnen vertellen waar de fagot na een bombardement op zoek gaat naar een overlevende, waar ik spijt heb dat ik een samplestuk ken dat de Duitse rapper Peter Fox heeft gebruikt (omdat dat hiphopnummer dat ik dan hoor mij uit concentratie brengt), waar hoge torens van hoop en moed worden opgehapt door de oorlog, waar omgekeerd een treurmars naar hoop wordt gekatapulteerd, waar een gouden medaille wordt uitgereikt in de wedstrijd Ontredderd Volk, waar een stuk van een stuk terecht ‘Moderato risoluto’ heet (dat ik zeer vrij zou willen vertalen met vastberaden, maar in de lage registers), waarom goed 7 minuten ver in deel 3 een energiek, ja zelfs vrolijk tussenstuk zit (Sjostakovitsj’ grote talent is: op sublieme manier de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen), waar ik in onderstaande youtubeverfilming van een concert in Catalonië heb kunnen nagaan welke instrumenten de oorlog en welke de hoop van de mensen verbeelden… Maar weet u, ik kan naar die verfilming van zo’n concert maar één keer kijken, en ik wil voorlopig nooit een opvoering van deze 7e zien in een zaal met allemaal weldoorvoede muzikanten die ik natuurlijk nog niet wil beginnen te bekritiseren omdat ze enthousiast zijn, op de speelse details letten, en alles tot in de puntjes hebben gerepeteerd. Alleen, op die manier hoor ik te weinig.

Ik zet het beeld liever uit, duffel mezelf virtueel in en reis af naar het gelukkig volstrékt virtuele, belegerde Leningrad van 1941. De halve eeuwigheid van bewondering voor deze rotgetalenteerde componist komt daarna vanzelf. Want waar dit stuk volgens mij vooral over gaat? Over een man die de overlevende lafbek én de eerlijke held in zichzelf kende en die bovendien besefte dat het toeval was dat hij nog leefde, en die – ondanks alles – bleef componeren in grijstinten die er van hem in deze oorlogsjaren zeer, zeer donkergrijs mochten uitzien, maar nergens zwart mochten worden.

Als ‘me nietig voelen naast een kunstwerk’ het criterium van ‘Honderd’ was geweest, dan zou deze 7e symfonie, aangevuld met het largo van de vijfde, met stip naar de top-5 stijgen.