A whole lotta chk-chk-chaka goin’ on

 
image
 
The Feelies
Crazy rhythms
1980

 

De aan de Bowery in Manhattan gelegen punkclub CBGB’s kwam al een paar keer ter sprake. Ziehier een fragment uit een CBGB-optreden van The Feelies van 1979, eigenlijk een livedemo van de titelsong ‘Crazy rhythms’ die hun debuutplaat een jaar voorafgaat, een demo die een klein beetje ontgoochelt.
 

 

Natuurlijk zijn groep én publiek bij The Feelies nergens bigger than life. ’t Is naar een klasfoto kijken: de kapsels, de smalle schouders, de hemdjes van de C&A, de fluostiftijver waarmee leerstof wordt gekleurd… Dát wist ik allemaal wel. Nee, The Feelies zijn hier live al hun gedreven zelf, maar in de verste verten niet het percussiewonder van de plaat, dát ben ik vergeten als ik de cd er met een bang hartje in steek, en denk: ik ga het niet meer horen, net zoals ik het bij zoveel gitaargroepjes niet meer hoor.

Maar al van bij de druppende kraan van ‘The boy with the perpetual nervousness’ worden mijn bangste vermoedens onmiddellijk getorpedeerd, en als Velvetgitaartjes een Afropruik krijgen, en de tekst volgt met ‘The boy next door is into better things / As far as I can see’, en daarna laag boven laag boven laag doordendert, denk ik na vijf minuten die er amper twee lijken: ‘Hoezo, al gedaan?’ Fantastisch gedaan, trouwens.
 

 

‘Fa-ce là’ (beste tekstfragment: ‘Fa fa fa fa fa-ce là’) is nóg nerveuzer van de cafeïne, en een klus die echt op twee minuten is geklaard.

‘Loveless love’ heeft een magistrale opbouw, in de break hoor ik Violent Femmes telkenmale beginnen aan hún break van ‘Kiss off’ (die met ‘I hope you know that this will go down / On your permanent record’), even later is een gitaarwaterval ergens vanop ‘Marquee moon’ van Television afgekeken.
 

 

Gitarist Glenn Mercer: ‘Het geluid dat we wilden was een reactie tegen punk. We waren ouder geworden. We wilden cleanere gitaren, en begonnen met veel verschillende percussie-instrumenten te werken.’

Klopt: de janglegitaartjes klinken overal zo proper en opgewekt als een kind dat uit bad komt en lang mag opblijven, en ‘Forces at work’ (enig verstaanbaar stuk tekst: ‘Forces at work / forces at work’) is Velvet Underground plus belachelijk veel percussie.

Op ‘Crazy rhythms’ komt van alles langs: houtbloktrommels, sambabal, het massieve hardhout van claves dat voor de droogste tik zorgt, klokken en bellen, castagnetten en timbalen. Ver beyond het reguliere Orff-instrumentarium worden ook dozen, schoenen en schuurpapier bespeeld, en heb ik er nog steeds geen idee van waar precies iets met een kleerhanger gedaan wordt.

Uit ‘Original love’ is Violent Femmes heel veel gaan stelen, maar niet de wat bedeesde stem en de hemels contrasterende o-ooo-oooooh’s.

‘Everybody’s got something to hide except for me and my monkey’ is de zenuwachtigste song die The Beatles ooit schreven, en dus een terechte cover op een plaat die overal te veel koffie heeft gedronken. ‘Raised eyebrows’ ramt eenkenniger door: enig verstaanbaar stuk tekst is hier ‘Hey ho’, zónder ‘Let’s go’.

Dit is de enige Feeliesplaat waarop Anton Fier mee drumt. Fier is een man die hierna bij The Golden Palominos vrijere geluiden maakt, en met iedereen speelt.

The Feelies zelf invloedrijk? Jazeker. Voeg aan dit soort in zichzelf gekeerde wereldmuziek 30 jaar productietechnieken toe (en ‘Graceland’ van Paul Simon) en je zou bij Vampire Weekend kunnen uitkomen. The Feelies voor en na? Voor: deze mensen zien er in 1979 zo hard als Talking Heads uit dat ze van plan lijken ooit een live-plaat uit te brengen met de titel ‘The name of this band is The Feelies’. Na: Weezer steelt hun zwembadblauwe hoes; de nerdy kapsels en brillen hadden ze al.

Afsluiter ‘Crazy rhythms’ is op de plaatversie 1000 keer beter dan in de liveopnamen van een jaar eerder, en bevat een lang, treiteriger tussenstuk dat wordt aangehouden tot de song aan het eind alsnog ontploft, en met de outro van ‘Roadrunner’ van The Modern Lovers eindigt. Wel oppassen als je de song bij de beste coitus interruptussongs aller tijden rangschikt: John Lee Hooker zingt op z’n dooie gemakje ergens honderd keer ‘shake it baby, one more time’, en klinkt daarna nog niet moe. Ik bedoel: deze plaat is en blijft een blanke aangelegenheid van het brein. Komt goed uit: ik ook.
 

 

‘Crazy rhythms’ is eigenlijk prima in mekaar gestoken fun, en geeft me zin om de plaat aan de hand van vijf voorwerpen samen te vatten: 1. Een koeienbel. 2. Een dubbele espresso macchiato, omdat The Feelies hier straffer klinken dan cappuccino, maar hun koffie ook niet zwart drinken; opvolger ‘The good earth’ van zes jaar later was dan weer kamillethee, maar ook uitstekend. 3. Een foto van een treinstel van de Port Authority Trans-Hudson, een 24/7-pendeldienst tussen Hoboken, New Jersey (woon- én werkplek; het werkdeel speelde zich in de Maxwell’s-club af) en downtown Manhattan (de werkvloer van CBGB’s). 4. Een paar schoenen om, al die opwindende springpop ten spijt, vanop het podium af en toe verlegen naar te staren. 5. Een bierkaartje met daarop een kop boven een recensie: ‘A whole lotta chk-chk-chaka goin’ on’.

Voilà. Mijn favoriet niet vergeten, en dat is ‘Moscow nights’:
 

 

De kern van het lawaai

image

George Gershwin
Rhapsody in blue
1924

‘De rest is lawaai: luisteren naar de twintigste eeuw’, een klepper van Alex Ross, is een van de beste boeken over muziek die ik ooit heb gelezen. Of het nu gaat over wie Gustav Mahler en Richard Strauss waren en wat hen dreef, over de golf van tirannie van Stalin en Hitler die ook over muziekland rolde, over het moeilijkdoenerige universum van Schönberg en C° dat – raar maar waar – in populaire filmsoundtracks is beland, of over de verbanden tussen jazz en klassiek en minimal music en The Velvet Underground, Alex Ross is een historicus/socioloog/muziekkenner/goeie pen/interviewer/man-die-een-uitstekende-anekdote-van-ver-ziet-staan die je door de twintigste eeuw loodst zonder dat je ‘Verdrag van Versailles: situeer!’ of ‘Stemrecht voor vrouwen in Zwitserland: wanneer!’ moet van buiten blokken.

Als hij uitlegt waarom een celesta precies daar zit, hoor je – als je de muziek erbij neemt – jezelf Waw! en Inderdaad zeggen. De man is natuurlijk ook muzikant (en zelfs componist), zodat ik sommige zinnen twee keer moet lezen, want – had ik dit al gezegd? – muziek lezen en spreken ik niet kan.

Over het zich op de 46e plaats parkerende ‘Rhapsody in blue’ van George Gershwin bijvoorbeeld schrijft Ross dat het aan Rachmaninov refererende liefdesthema het hart van het werk vormt (Oké), dat dat thema uiteindelijk in E eindigt, een tritonus verwijderd van de thuisbasis Bes (Right!) en dat de verlaagde zevende noot soms wordt opgevat als deel van een ingetogen dominant septiemakkoord, zodat-ie de harmonie naar een belendende toonaard lijkt te schoppen (Absoluut!).

image

Ik heb – om het goed te maken – wel tickets voor een worstelwedstrijd kunnen bemachtigen. Aan de linkerkant van de ring de jazz en de good times stijl ‘The Cotton Club’, ‘The Great Gatsby’ en ‘Boardwalk empire’. Rechts de tegenstroom roeiende, alle goedkoop sentiment verachtende en vele kanten op botsende avant-garde van diezelfde roaring twenties.

Vanuit een andere invalshoek: worstelen vrije stijl, weltergewichtsklasse. Rechts de moderne, niet altijd even geruststellende, maar vooralsnog statige receptiedeun die jazz in de concertzalen wil krijgen. Links de eerst treiterend ingehouden en daarna als Franse bootlegchampagnekurken knallende floorfiller van later op de avond. Locatie: Harlem, New York, het hoofd en de werkkamer van George Gershwin, die begin 1924 op vijf weken tijd een jazzconcerto moet klaar hebben voor een nogal belangrijke soirée. Die werkkamer werd ook verbeeld in Disney’s tekenfilm ‘Fantasia 2000’.

Laat ons bij het begin beginnen. Een trillende klarinet schuift uit. Hoge klanken leunen op lage klanken. Een belachelijk goeie melodie wordt achtereenvolgens gespeeld op klarinet en piano, waarna het orkest lijkt in te vallen, maar zich inhoudt: de piano stapt eerst alleen en vlotjes een Rachmaninovheuvel over.

Je zou kunnen zeggen: de pianist Gershwin houdt zich bewust in om de climax groter te maken, maar beter is: hij volgt de dansritmes van de songs, snijdt ze af en gooit ze om. Dat heeft hij in de vitrine van Tin Pan Alley geleerd, waar hij bladmuziek van andere songschrijvers moest verkopen door ze te spelen. Hij speelde ze zo goed dat ze enorm goed verkochten – tot hij er genoeg van had en zélf de monsterhit ‘Swanee’ schreef, miljonair werd en z’n zin kon doen.

image

Dat hoor je in de ‘Rhapsody’: na een paar minuten, als deze minisymfonie een eerste keer ontploft, zou Gershwin kunnen doorgaan op dat thema, stoppen en aan deel 2 beginnen, maar hij last vrij snel de stalige ritmes van een trein in – echt gebeurd: toen hij luisterde naar de cadans van een trein naar Boston, had hij plots de hele rapsodie in zijn hoofd zitten.

De trein verdwijnt weer – zoals in de films van toen in een steeds kleiner wordende cirkel. Noten blijven ondertussen de trap op en af lopen alsof een cartoonkat en -muis van een paar decennia later de toetsen én de dirigeerstok hebben overgenomen.

Als opnieuw alleen de piano speelt, is die ontroostbaar als een acteur in een stomme film, tot zijn geliefde toch opdaagt en hij zijn geluk niet op kan. Als dáárna strijkers en blazers invallen, verwacht ik altijd een uitbarsting, maar volgt een van de mooiste stukken suikerzoete muziek die ik ken. En dan is de jazz daar weer: niet dé dansbaarste, niet dé wildste, maar wel jazz die het Harlem van toen kende zoals de Beastie Boys ooit in de South Bronx uitgingen.

Toen ik zat te grasduinen in jazz en klassiek van voor en na 1924 – Claude Debussy’s ‘Le petit nègre’, Duke Ellington, Fletcher Henderson, Sergej Rachmaninov, het nogal stijve ‘La création du monde’ van Darius Milhaud – dacht ik de hele tijd: George Gershwin is een spons op een kruispunt van vele stijlen, die radicale, vrijelijk met mekaar omgaande klanken ombuigt tot een populaire deun zoals ik een spiegelei bak.

Als Joods lagere middenklassejongetje groeit hij op in de gemengde, maar moeilijke buurten van Brooklyn, de Lower East Side en Harlem; hij is dus een paar keer verhuisd. Op een dag wordt hij gegrepen door klassiek, studeert en studeert terwijl de rest van de buurt spijbelt en met de bal speelt, ontwijkt vakkundig pakken slaag, kleedt zich elegant tot er aan al zijn vingers een kortgeknipte vrouw hangt, en plukt uiteindelijk met ‘Rhapsody in blue’ jazz niet alleen van de straat om het genre de concertzalen in te slingeren, nee, het wordt zelfs een keer in een stadion opgevoerd, zó populair is het.

Sommige – zeker niet alle – klassiekliefhebbers fronsen de wenkbrauwen, en veel danslustigen moeten gedacht hebben: soms speelt die man zoals de anderen, soms speelt hij als drie anderen tegelijk.

Gershwin over het ontstaan van ‘Rhapsody in blue’: ‘Vaak hoor ik muziek in de kern van het lawaai’. Het is die fantastische muziek – die catchy melodie en die zoete harmonie – die het oppervlak glashelder houdt en in de worstelwedstrijd van daarnet de ernst met twee schouders op de grond drukt.

De heer Gershwin, die ook golfde, schilderde en tapdanste als de besten, had in de jaren die volgden spannende duels met de fantastische Duke Ellington kunnen uitvechten, maar hij trok zich te veel de recensies aan waarin stond dat hij geen ernstig muzikant was, trok naar Europa, ontmoette er de avant-gardisten, en schreef 12 jaar na ‘Rhapsody’ de opera ‘Porgy and Bess’, op zoek naar erkenning als klassiek componist.

Op de ‘Porgy and Bess’-dvd die ik onlangs bekeek, staat: ‘Met de songs ‘Summertime’, ‘It ain’t necessarily so’, ‘I loves you, Porgy’ en nog veel meer’. Die sublieme popsongs kent iedereen, maar die nog veel meer lijkt meer op ‘Lulu’ van Alban Berg dan op ‘Rhapsody in blue’. Tegelijk weet Gershwin heel goed welke wereld hij represent: hij eist dat alle (grote) rollen door zwarten worden gespeeld, en dat leidt tot een rel in Washington én tot de eerste opvoering ooit voor zwart én blank publiek in het National Theatre. Respect! Onderstaande fragmenten zijn van een Broadway-opvoering van 2012:

De definitieve ode aan ‘Rhapsody’ zit aan het begin van Woody Allens ‘Manhattan’. Een schrijver begint aan hoofdstuk 1 over zijn stad. De openingszinnen die hij voorleest boven het glissando van de klarinet zijn achtereenvolgens te romantisch, te banaal, te prekerig en te giftig. En dan is hij er: ‘Chapter one. He was as tough and romantic as the city he loved. Behind his black-rimmed glasses was the coiled sexual power of a jungle cat. New York was his town and it always would be.’ Boem! Piano! Cimbalen! Een neurotische stadstijger met smalle schouders en een brilletje. Wat een act! Wat een stad! Wat een tijdloze soundtrack!

image

It was awful!

 
image
 
Dr. John
Gris-gris (1968) en Locked down (2012)

 
 

In het midden van de jaren 60 moet de excentriek uitgedoste muzikant Malcolm John Rebennack Jr. op bevel van de rechter de staat Louisiana verlaten; ik ben vergeten waarom. Mac Rebennack gaat in Los Angeles wonen. In ballingschap pikt hij Californische psychedelische muziek op. Die wil hij voorstellen aan de 1001 ritmes van zijn home town New Orleans.
 
image
 
In New Orleans zelf is er ondertussen geen werk voor muzikanten. Er zijn zelfs geen deftige opnamestudio’s meer. In L.A. krioelt het dus van de blanke, zwarte, Creoolse en anderszins gekleurde muzikanten die uit de melting pot genaamd The Big Easy zijn gebraindraind.

Mac Rebennack heeft zanger Ronnie Barron voor ogen als vertolker van een 19e-eeuwse, nighttrippende voodoodokter Dr. John (die echt heeft bestaan), maar omdat Ronnie Barron niet beschikbaar is, kroont hij zichzelf tot virtueel nachtburgemeester en wordt hij zanger en bandleider achter de keyboards.

De opener heet ‘Gris-Gris Gumbo Ya Ya’: Gris-Gris is voodoo, gumbo de hutsepot van La Nouvelle Orléans en van Ya Ya wist ik tot voor kort alleen dat stadsgenoot Lee Dorsey erop zat te wachten in ‘Sitting here, la la / Waiting for my Ya Ya’. Blijkt dat gumbo en ya ya er ook samen lekker uitzien:
 
image
 
Dr. John torst in ‘Gris-Gris Gumbo Ya Ya’ een EHBO-kist vol voodoopopjes, voodoo-amuletten en voodookruidentuiltjes. ‘I got medicine, to cure all your ills / I got remedies of every description’, fluistert hij als iemand die je elk moment met zalf gaat insmeren. Zijn arsenaal medicijnen helpen vooral als je te hard hebt gewerkt, als je je vrouw niet onder controle krijgt en als je vrouw een andere man heeft. John schrijft dan ‘control in the hearts get together-drops’ voor. Er is dus iets meer reden om de man dokter te noemen dan in het geval van Dr. Dre, Dr. Alban en Dr. Rockit, maar of John bij een strenge numerus clausus het ingangsexamen haalt? Blijft onzeker. De muziek? Da’s iets anders! Prachtige drums. Elegante banjo ook. Superieure backings.
 

 

‘Danse Kalinda Ba Doom’ doet het met fluit, grote trom, mandoline en een ander ritme uit het Grote Louisianaboek.

‘Mama Roux’ is iets barser gebrabbel boven, over en tussen succulente percussie en hemelse achtergrondstemmen; een roux is natuurlijk de basis waarmee moeder in de keuken sauzen bindt.

‘Danse fambeaux’ verkent, eerst aangedreven door bas, daarna ook door tuba, de moerasjungle; die swamps zijn ook een openluchtvolière.

‘Croker courtbullion’ (gepocheerde baars) is een woekerplant van een bijna-instrumental met een terugkerende hinkmelodie die je eens moet proberen te beluisteren zónder aan ‘Golden brown’ van The Stranglers te denken. Volgens mij doen hier meer percussionisten mee dan er officieel in de liner notes staan, ook al omdat Dr. John die zelf heeft neergeschreven. Het Grote Dictee van de Engelse Taal zal de dokter evenmin winnen. Hé, de man komt dan ook uit N’Awlinz.
 

 

Als u de zin ‘Jump Sturdy was her name’ hoort, die wordt gevolgd door ‘She came out the swamps like a crazy fool’, weet dan: u heeft nog twee parels van songs te goed. De tweede heet ‘I walk on guilded splinters’, klinkt als de boter in de bloem van de New Orleansroux en is subliem buiten categorie. Padre, madre, meme, pepe en the whole family mogen meedoen aan deze Cocorosieshow; jawel.
 

 

Ik vind ‘Gris-gris’ fantastisch, en ‘Babylon’ van een jaar later ook. De zachte songs van ‘Babylon’ lopen gelijke tred met de kosmische blues die Captain Beefheart in zijn minst hoekige werk steekt. Het sublieme ‘Twilight zone’ is een verslag van een reis naar het schemerduister tussen de op waarneming en ervaring gebaseerde reële wereld en de luchtspiegelingen erachter: space is hier the place, ‘fuckin’ high on drugs’ de mogelijke staat van zijn, en de kerngedachte zit aan het begin: ‘When you hear a lullaby / you once knew / and now you can’t recognize / you stepped into the twilight zone’.

‘In the right place’ van 1973 is zeer goeie funk, de single ‘Such a night’ eruit iets tussen Randy Newman en Tom Waits in: van ver lijkt het vollemaanromantiek bij een fotogenieke brug, maar van dichterbij valt op dat de dokter er met de vrouw van een vriend vandoor is en droog vaststelt: ‘If I don’t do it… / somebody else will’.

Voor veel van Johns latere werk loop ik niet warm: traditionals zijn te zwaar aangezet, songs overal volgeschilderd zoals op veel Van Morrisonplaten. Soms hoor ik de Stones en denk ik: dat kunnen de Stones beter.

Maar in 2012 gebeurt een klein wonder. Hoe de in 1979 geboren producer Dan Auerbach, die we vooral als gitarist van The Black Keys kennen, erin geslaagd is van ‘Locked down’ een van de allerbeste Dr. Johns te maken weet ik niet, maar het is wel gebeurd.

Auerbach is een man die sportpaleizen doet vollopen en de sound van Lana Del Rey heeft opgelapt; hij is dus geen kleine speler. Nergens een middelmatige track te bespeuren, hier. Geweldig geluid, stroomstoten in de blazers, superefficiënte gitaarriffs , en – als de maataccenten verlegd worden – de dokter die een traantje wegpinkt als hij denkt aan wat na hem komt. De Afro-voodoo-gumboyaya-mardigras-cool is ondertussen overal in perfecte doses uitgestrooid, en de beat goes on en on en on. Ik moet aan Daptone- en Motownrecords denken. Aan de hier bezongen voodoopriesteres Eleggua en aan de orkaan Katrina. Aan het bekendste werk van Van Morrison, Curtis Mayfield, Fela Kuti en John Lee Hooker. Aan de good times van Mardi Gras om 2 uur ’s nachts, maar ook aan het kruisje op het voorhoofd een paar uur later op aswoensdag.

‘Locked down’! Veel gedraaid? Amy Winehouseveel gedraaid!
 

 

 

 

Nu we toch in de Golf van Mexico zijn: in de nasleep van de Katrina-orkaan van 2005 (die op zich amper doden maakte, het lag aan de dijk die geen dijk meer was en aan het leger dat ergens ver weg aan het vechten was en dus niet ter hulp snelde) valt te huiveren bij de waarheden van de Spike Lee-documentaire ‘When the Levees Broke: A Requiem in Four Acts’.
 

 

Ik wil u nog vertellen over de beste ode aan de bayoudokter. Het betreft een naar Dr. John gemodelleerde handpop uit The Muppet Show: Dr. Teeth, bandleider van Dr. Teeth and the Electric Mayhem. Teeth heeft groene handen die aan langgerekte, in een gestreept t-shirt gestoken armen vastzitten, een oranje baard, een gouden tand, blinkende ringen en een roze, hoge hoed met veer. De achter keyboards, veel haar en veel bont verstopte stem is warm en hees; Teeth brabbelt net als John meer dan hij zingt. Sam The Eagle heeft het zeer moeilijk met Dr. Teeth. De meest gevreesde critici uit die dagen zitten op het balkon en heten Statler en Waldorf:
– Well, it wasn’t bad…
– Uh, there were parts of it that weren’t very good though.
– It could have been a lot better.
– I didn’t really like it.
– It was pretty terrible.
– It was bad.
– It was awful!