De steen opnieuw naar beneden zien rollen

 
image
 
Nick Drake
Five leaves left
1969

 
 

Nick Drake is een man die tijdens zijn korte leven niet veel applaus krijgt. Hij trekt op een heel andere manier een wissel op de eeuwigheid.

Na een korte, totaal mislukte muzikantencarrière gaat de ontgoochelde artiest opnieuw bij zijn ouders wonen, en sterft hij in Tanworth-in-Arden na inname van te veel antidepressiva. Hoe we ons die ouderlijke villa in het kader van de niet ver van de boom vallende appel moeten voorstellen? Als moeder Molly Drake van achter de piano zong, was heel het huis vol weemoed.

Een gedicht van haar heet ‘The shell’, naar de schelp (eierdop is nog beter) waarbinnen de gezapigen ijsberen, hun benepen vreugdemomenten beleven en de donkere buitenkant ontkennen. ‘Some break the shell / … / and make a hole / and through that cruel slit / stare out across the cinders of the world / … / They look both in and out knowing themselves / and too much else beside.’
 

 

Tot waar zou Nick Drake trouwens hebben gelezen in Albert Camus’ zelfmoordessay ‘De mythe van Sisyphus’, dat aan het eind van zijn leven op zijn nachtkastje lag? Ik mag hopen verder dan de beginzin: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord’. Waarschijnlijk tot bij het al vroeg opduikende onderscheid tussen het leven dat niet de moeite loont om geleefd te worden en het leven dat geen zin heeft. Kort door de bocht samengevat: ’t is niet omdat het leven geen zin heeft dat het niet de moeite loont! Enfin, volgens Camus toch.

Heeft een van mijn favoriete akoestische gitaarmannen liggen lezen tot aan de ervaring van het absurde, die ons zomaar kan komen aanwaaien, ‘bijvoorbeeld in de draaideur van een restaurant’? Opnieuw kort door de bocht: de mens vraagt, de wereld zwijgt, en dat is het absurde. Doet me aan de Drakesong ‘Time of no reply’ denken, een outtake van de debuutplaat ‘Five leaves left’, een plaat die op 11 belandt. De wereld zwijgt in die song als vermoord: ‘The sun went down and the crowd went home / I was left by the roadside all alone / I turned to speak as they went by / But this was the time of no reply’. De filosoof Camus aanvaardt dat absurde, maar dan om vanop die plek vrij, hartstochtelijk, bewust en intens te leven en in opstand te komen.
 

 

Maar tot waar heeft Nick Drake gelezen, vroeg ik me af. Misschien tot bij Sisyphus, een koppige sterveling die wordt veroordeeld tot een oneindige straf: almaar een rotsblok de helling op duwen en de steen er opnieuw zien af rollen; hij vindt zijn last onderaan de berg altijd terug. Telkens als Sisyphus naar beneden wandelt, wordt hij zich bewust van het absurde van zijn situatie. Hij overwint het noodlot door verachting. Zijn noodlot hoort hem op de duur toe.

Laatste Camuszinnen: ‘De strijd op zichzelf is voldoende om het hart van de mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

image

Ik weet niet op welke plek Drake het boek weglegde, maar het zou kunnen dat sommige mensen het wel weten, want wat een hoop details kennen we ondertussen niet over Drakes leven, zeg: dat hij die noodlottige nacht van 24 november 1974, voor hij die overdosis antidepressiva nam, is opgestaan om cornflakes te eten, bijvoorbeeld. Het staat allemaal in de Nick Drakekrant.

De vraag is: hoeveel van die details blijven er bijkomen? X aantal jaren geleden kende ik al zijn Vier letzte Lieder van februari 1974, en dus van ná de derde plaat ‘Pink moon’. De twee meest schrijnende van die hekkensluiters zijn ‘Hanging On A Star’, mogelijk een bitter commentaar op de onderwaardering voor zijn werk (‘Why leave me hanging on a star / When you deem me so high?’) en ‘Black Eyed Dog’, over een zwartogige hond die Drake als een duivel uit een hasjdroom achtervolgt, een spookverschijning met een blaf als een gong, een dier dat hem in de laatste ronde van zijn leven bij de voornaam kende.
 

 

Wat blijkt nu? In het nieuwe millennium is ook een vijfde lied opgedoken, een ‘allerlaatste’ opname van juli 1974. Als om het raadsel nog groter te maken, is dat ‘Tow the line’ een positief verhaal en een uitstekende, evenwichtige song. Ben ik blij om. Ik bedoel: blij dat het raadsel onder de microscoop van deze tijd hier en daar onopgelost blijft.

In 2007 verscheen ook ‘Family tree’, een goudmijn van demo’s waarop vroege invloeden bijna periodiek worden gerangschikt. Een paar traditionals leveren talkin’ blues op in een Engelse villawijkvariant. Er zijn songs bij van Jackson C. Frank, wiens fingerpicking in de buurt komt van die van Drake. Een enkele keer worden Bert Jansch en Bob Dylan gecovered. Eerst Dave Van Ronks ‘If you leave me’ horen en dan Nick Drakes versie is een glimp opvangen van de grandeur die gaat komen. Drakes stem is zeer verwant aan die van moeder Molly Drake, aan wie ik u al heb voorgesteld.

‘Been smoking too long’ is van Robin Frederick, die met Drake in het zuiden van Frankrijk une belle histoire had toen ze allebei 18 waren. Zelfs de tekst ‘Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard / Elle descendait dans le midi’ uit het lied van Michel Fugain zou in hun geval op een rare manier kunnen kloppen. Frederick geeft tegenwoordig muziekles en heeft laag na laag van het Drake-universum afgepeld: ‘Hij ontdekte een nieuwe manier om akkoordprogressie met melodie te verknopen, zoals Brian Wilson ons akkoorden als pretzels leerde rollen.’ Ze redeneert mooi tot het einde door: ‘Zeggen dat het bij Nick Drake vooral om donkere romantiek gaat, is als zeggen dat het bij Brian Wilson om surfen te doen is.’ Hé, da’s eens wat anders dan Drakes graf bezoeken! Om daarna in het bos een onschuldig hertenjong te willen tegenkomen!
 

 

Eén heel belangrijke invloed vind je niet terug op de ‘Family tree’-demo’s: de song ‘Who knows where the time goes?’ van Fairport Convention. Eenzelfde zachtheid die een beetje ongerust maakt, gemaakt in hetzelfde jaar, en qua sfeer en arrangement bijna een kopie van wat eigenlijk dé Drakegeboortekaart is: de opener van dit debuut die begint met ‘Time has told me / You’re a rare, rare find’. ‘Time has told me’ is een deelverzameling vol folk, country, blues en fietsen op de heide.

De gelijkenis met de Fairportsong is er niet zonder reden: producer Joe Boyd is dezelfde, Fairports Richard Thompson speelt in de song gitaar en bassist Danny Thompson (geen familie van Richard), kwam van bij Pentangle (muzikaal wél dezelfde folkfamilie). Drake komt dus via de grote poort binnen en weet in de studio heel goed wat hij wil, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat zijn studiemakker Robert Kirby de strijkers mag arrangeren. Een van de hoogtepunten is ‘Way to blue’, alléén stem en strijkers.

Mijmering. Als Drakes debuut tijdens zijn leven half het succes was geweest van wat het postuum is geworden, had hij bij het maken van opvolger ‘Bryter layter’ veel meer zeggenschap gekregen en waren die parels soberder uitgevoerd, en als daar ook applaus en geld bij gehoord had, was de derde plaat vanzelf minder somber geworden. Denk ik weer maar eens. Ik weet dat het wishful thinking is, en dus bullshit, en toch blijf ik het denken.

Dat wil zeggen: tot ik ‘Day is done’ en ‘Three hours’ en ‘River man’ en de congas van ‘Cello song’ hoor, want dan is zelfmoordland plots weg, en zie ik een rijzige jonge man die van de campus in Cambridge naar het station stapt en die er minder als een hippie uit ziet dan de andere studenten.

Hij is op weg naar een studio in Londen en loopt over van de ambitie. Hij zal een plaat maken die zo weergaloos tijdloos is dat ze vandaag precies zo zou kunnen verschijnen. Ze zou alleen anders heten, want in pakjes Rizla zit geen geel sigarettenvloeitje meer met daarop in rode waarschuwingsletters ‘Only five leaves left’. Vandaag is het ’10 papers left’ geworden.

image

Aan de tekstkant is de song ‘Fruit tree’, waarin wordt nagedacht over beroemdheid, uitgelegd als een profetie, alsof de zanger wist dat hij tijdens zijn leven slechts een voetnoot bij een voetnoot zou blijven. De tekst is evengoed een genre waarin jonge dichters overdrijven – pakweg over het relatieve van roem – zeker als ze zich al van jongs af door de Engelse romantici laten kneden.

Aan de muziekkant blijft bij Drake de uitstraling over van iemand bij wie de hele fuckin’ wereld als water door de vingers lijkt te glijden, behalve als hij zich over zijn gitaar buigt, instrument waarover hij meer meester was dan vijf Elliott Smiths samen, en die Elliott Smith was evenmin een krabber.

Mijmering. In de Drakedocumentaire ‘A skin too few’ worden een paar mensen die Drake gekend hebben, maar mekaar niet (de enen waren zijn studiemakkers, de anderen zijn platenfirmacontacten) bij een goed glas wijn samengebracht. Ze discussiëren over de waarde van Drakes muziek. Een vriend ziet in hem een tragisch miskend genie, en een briljant tekstschrijver. De platenfirmaman relativeert met de stelling dat Drakes probleem erin bestond dat hij niet wilde optreden, omdat hij een keer het geroezemoes en het glazengerinkel – een enkele keer zelfs de dronken zeemansstemming – niet had kunnen overstemmen.

In het pluche van de grote zalen, in het voorprogramma van de folkadel van die tijd, lukte het nog, maar in de kroegen trok Drake naar het schijnt bleek weg. ‘In die tijd’, zegt de firmaman, ‘was er voor slaapkamerartiesten met ernstige podiumvrees veel minder plaats dan vandaag.’ Is genoteerd, en is waarschijnlijk waar.

Lichtpuntje: heel wat muziekhelden zijn op hun 27ste gestorven. Nick Drake is 26 geworden en is dus geen lid van de 27-club.

Zo. Nog 10 platen te gaan in Honderd. In zekere zin ’10 papers left’.
 
image
 

 

Zorg dat je olifantenpijpen draagt

 
image
 
Nick Drake
(Bryter layter 1970)
Pink moon 1972

 

Kitsch!

Musicals zijn kitsch. Weekendfilms ook. En Jeff Koonskunst. Rococo niet vergeten. Grote, betraande manga-ogen. De oooh’s bij het zien van pas geboren poesjes. Homo’s in gesprek over ABBA. Koningshuizen.

Ik zou kunnen zeggen: ik haat kitsch. Maar wat is de youtubevideo hieronder anders dan pure, onversneden kitsch?
 

 

‘Northern sky’ dus. Voorlaatste song vanop ‘Bryter layter’, Nick Drakes tweede van drie platen.

Vandaag duurt het even voor ik mijn notities van twee jaar geleden bij ‘Bryter layter’ begrijp: ‘Londen. Irritante, soms haast ondraaglijke altsax.’

De tekst van opener ‘Hazey Jane II’ verklaart meteen Londen. Nick Drake (geboren in Rangoon, Birma in 1948 – gestorven in Tanworth-in-Arden in 1974) is naar de grote stad verhuisd na een jaar of twee op de universiteitscampus van het overzichtelijke Cambridge, waar zijn maten net als hij te veel joints roken, en in de muziekclub naar Edward Elgar en Fairport Convention luisteren.

Drakes debuut ‘Five leaves left’ is commercieel geflopt, en hij is nu Cambridge drop out en fulltime muzikant.

Primaire waarneming van Londen: haar bevolkingsdichtheid: ‘And what will happen in the morning when the world it gets so crowded that you can’t look out the window in the morning’. Zin 2 is een goeie, zelfrelativerende grap die terugkoppelt naar landelijker gebieden. Enfin, dat denk ik toch: ‘And what will happen in the evening in the forest with the weasel with the teeth that bite so sharp when you’re not looking in the evening’. ‘Hazey Jane II’ is naar Drakenormen uptempo, bijna-vrolijk.
 

 

Die ‘ondraaglijke’ sax dan. Mocht tijdreizen ooit iets saais worden en dus een discipline zijn waarin het meeste nuttige wereldoplapwerk al is gedaan – ik bedoel: Hitler en Stalin zijn omgebracht er er is zelfs naar het Tanworth-in-Arden van 24 november 1974 afgereisd om Nick Drakes noodlottige antidepressiva te jatten – dan pas mag u checken of er al naar 1970 en naar de Londense Sound Techniques-studio is geflitst om een handdoek te proppen in de irritante altsax van ‘Poor boy’. Zó dringend is het dus niet.

Aan de minkant van Drakes tweede plaat zitten ook een constant aanwezige piano, de quasi overal opgelegde jazzgezelligheid en drie instrumentalen die zich meer tot fingerpicking hadden mogen beperken.

Aan de pluskant torenen er zeven wereldsongs bovenuit, die in hun geheel genomen de zeven meest hoopvolle en positief denkende zijn uit de korte carrière van deze schuchtere, koppige, onnavolgbare bard. Na wat oefenen lukt het perfect de twee enige instrumenten van echt onschatbare waarde eruit te filteren: de gitaar van Nick Drake en de stem van Nick Drake.
 

 
Drakes afsluiter ‘Pink moon’ en de wondermooie demo’s die postuum zijn uitgebracht zijn veel meer herfstachtig verval, en veel minder lente-achtig herstel dan ‘Bryter layter’, en voelen comfortabeler aan in een verhaal waarvan je weet: komt geen happy end aan. ‘Bryter layter’ is eigenlijk ’s mans hardste plaat, ook omdat je dat optimisme hoort in de poging van de overijverige producer… tja, om er een succes van te maken, zeker. Wisten ze toen veel dat er alleen postuum roem te vergaren was.

Mijn favoriete tekstfragment van ‘Bryter layter’: ‘Things I say / may seem stranger than sunday / changing to monday’.

Het isolement bondig verbeeld: ‘Stay indoors / Beneath the floors / Talk with neighbours only’.

Moment dat illustreert hoe deze man buiten de reguliere tijd lijkt te leven: ‘Do you feel like a remnant / Of something that’s past? / Do you find things are moving / Just a little too fast?’

Mag ik ook een humoristisch Grieks koor aanstippen dat boven het klagerige ‘Poor boy’ zingt: ‘A poor boy, so sorry for himself’. Of iets over de Londense modepolitie: ‘See your trousers don’t taper’, zorg dat je broekspijpen niet taps toelopen. Met andere woorden: draag olifantenpijpen zoals iedereen toen in Londen. Scoop: Nick Drake was een zichzelf relativerende, de samenleving ironisch in de tang nemende grapjas!

De plaat heet trouwens ‘Bryter layter’ omdat weermannen op tv het zo uitspraken.

 
image
 

Twee jaar na ‘Bryter layter’ komt ‘Pink moon’. Het is de plaat die de eindsprint inzet. ‘Pink moon’ wordt soms half gemurmeld. ‘Pink moon’ kan zichzelf verdedigen. Het is vooral ‘Pink moon’ dat op 29 staat. Wie in verband met ‘Pink moon’ van niks weet, … nee, dat kan en mag gewoon niet.

Een voorbeeld? Iets illustratiefs? Een lokkertje? Vooruit dan! Even onvatbaar als Drakes op deze plaat ronduit verbluffende gitaargetokkel is de tekst van ‘Know’: ‘You know that I love you / you know I don’t care / you know that I see you / you know I’m not there’.

‘Pink moon’ is het absolute tegendeel van kitsch.

 

 

De glazen stolp

 
image
 
Soundgarden
Superunknown
1994

 

Tijd voor een overzicht van de vijf grootste steden van de Verenigde Staten anno 2012. New York, Los Angeles, Chicago, Houston, Philadelphia. Soundgardenstad Seattle stond in 1990 op de 21e plaats, vandaag op de 22e.

Je had er toen Boeing en je had er Queensrÿche. Het regende er elk jaar meer dan vroeger. Grote groepen sloegen de stad over, waardoor de locals zelf hun concerten moesten organiseren. Harde betongroepen als Scratch Acid en Big Black landden er wel, en kregen met een publiek te maken dat wilder was dan elders. Toen kwamen de Nirvanahype en het monstersucces, en de grote platenfirma’s die als varkens neerploften, iedereen uit eten vroegen, hier en daar een groep verpletterden en verder trokken naar een volgende stad.

Amateursociologen en andere nerds high five-den theorieën over en weer: ‘Het noordwesten is de streek waar de UFO-verhalen ontstonden’, ‘Er leven meer seriemoordenaar dan in eender welke andere stad in de States’ en ‘Door het slechte weer en de heroïne doe je minder aan sport, dus zoek je een andere hobby’. Ik gok op die laatste theorie.

Gelukkig kaatsten plaatselijke stammen een en ander ook Tijl Uilenspiegelgewijs terug. De mensen van het Sub Pop-platenlabel staan in de goeie documentaire ‘Hype’ bijvoorbeeld op een terras en zeggen: ‘Laten we wel wezen. Vijf jaar geleden was Seattle een vissersdorpje, en kijk nu eens naar de skyline: ‘Allemaal óns werk!’
 
image
 

Ook compleet verzonnen door inboorlingen die gewoon zaten te wachten om de vólgende antropoloog wat op de mouw te spelden: een hilarisch lexicon van zogenaamd hippe grungewoorden die allemaal keurig in de New York Times werden afgedrukt.

Fuck trouwens grunge! Ooit was er een radioprogramma dat Betonuur heette. Op een andere zender luidde een wervende slogan: ‘Sleur je buren door de muren’. Genre? Metal, natuurlijk. Als we ‘Let me drown’, de onmiddellijk de kamer vullende opener van Soundgardens ‘Superunknown’, geen metal mogen noemen, welke door Wodan zelve gelaten knalscheet dan wel?

In de Afdeling Boenk Erop is ‘Let me drown’ zeer tastbare harde rock van de zéér potige ritmesectie Matt Cameron-Ben Shepherd, van een bij de pinken zijnde gitarist Kim Thayil (met een onder heet water gehouden mes snijdt hij deze taart moeiteloos in stukken), en van een waanzinnig krachtig uithalende zanger Chris Cornell (die in de studio met ijswater vol steengruis gorgelde).

Cornells stem was van bij Temple Of The Dog in vele hoofden en harten blijven hangen, was in 1992 over Pinkpop heen geraasd en de man had de derde wolkenkrabber aan de linkerkant in de muzikale skyline van Seattle eigenhandig opgetrokken. Dat de groep er een lap op kon geven en dat er doorheen Soundgarden iets meer Zeppelin en Sabbath galmde dan Mudhoney en Nirvana wisten we al via de beestig goeie voorganger ‘Badmotorfinger’, een cd die ze ter hoogte van Pinkpop 1992 meebrachten. Dit stuk concert is werkelijk magistraal. En dan moet Pearl Jam die dag nog komen:
 

 

Waarna ‘Superunknown’ in 1994 nog veel, veel meer wordt dan wat voorafging. ‘My wave’ zit vol indrukwekkende gaten (ik herinner me de live-kennismaking met die song tot vandaag). De tablas- en sitar-Beatles zijn soms een beetje (‘Black hole sun’), maar even vaak heel nadrukkelijk aanwezig (‘Head down’, ‘Half’). In ‘Spoonman’ zitten echte lepels. Songs als ‘Black hole sun’, ‘Spoonman’, ‘Fell on black days’, ‘My wave’ en ‘The day I tríed to live’ zijn zonder meer uit-ste-kend – wie die parels alleen binnen de beperking van het harde genre goed vindt, is volgens mij altijd en overal aan het wachten tot er eindelijk ‘unplugged’ en ‘authentiek’ gespeeld wordt. Al de rest is nérgens vulsel.
 

 

Valt er ook iets op in de teksten? Absoluut. Weinig of geen karakters uit Dungeons and dragons, tenzij er een mij onbekende versie van dat rollenspel bestaat waarin trollen, halflingen en barbaren levens verliezen met Depressies, Drugsgeëxperimenteer en Zelfmoordneigingen. Chris Cornell, die in een oude song ‘Outshined’ zichzelf al eens op heldere wijze had beschreven met ‘Looking California / Feeling Minnesota’, liet zich voor ‘Superunknown’ naar eigen zeggen inspireren door Sylvia Plath. Ik moet maar aan ‘De glazen stolp’ denken of de horror begint weer – Plaths ‘The bell jar’ is een zéér heavy metalen boek.

Cornell verklaarde ‘Let Me Drown’ als een terugtocht in de baarmoeder, ‘Fell on Black Days’ als het besef extreem ongelukkig te zijn, ‘Black Hole Sun’ als een droom die lang bleef spoken, ‘The Day I Tried to Live’ als de ontgoocheling na het doorbreken van isolement en ‘4th of July’ als het relaas van lsd-gebruik. Aanleiding voor ‘Like Suicide’: een vogel die bij Cornell thuis tegen het raam vloog; de man verloste het zwaargewonde dier uit zijn lijden met een steen.
 

 

Wat in 1994 opvalt: Soundgarden staat in lichterlaaie en is moeilijk interviewbaar. In Keulen sleuren ze bij een collega een hoteltelefoon uit de muur. De avond ervoor heeft Cornell zich met de voet van zijn microfoonstatief een mansgroot gat(!) in het podium geslagen (waardoor hij aan het eind van het concert verdwijnt). ‘Wees er zeker van dat ze ons veel te veel zullen aanrekenen’, is het enige dat Cornell erover kwijt wil.

In 1996 interview ik Chris Cornell opnieuw. Vriendelijke man. Behoorlijk wat van zijn demonen zijn waarschijnlijk via ‘Superunknown’ keurig uitgedreven. Op al wat ik wil vragen over Koffiestad Seattle, Muzikale Invloeden, Ouders, School en Favoriete Dier, heeft hij een coherent en interessant antwoord. Maar… van de Soundgardenplaat die toen verscheen ken ik zelfs de titel niet meer. Op het concert in Vorst Nationaal, waar ik vol verwachtingen naartoe ga, hoor ik een groep zo routineus spelen dat ik twee dingen denk: ‘Komt nooit meer goed’ en ‘Stone Temple Pilots’.

Watskeburt? Ik kan altijd proberen te gokken. Briesje uit Californië doet in het regenachtige noorden geluk en vrede belovende popmuziek aanspoelen. Met de overschotten van een eerste liefde voor punk en metal wordt in veel songs een nieuw begin gemaakt. Omdat Seattle centraal is komen te liggen, staan er schijnwerpers op deze uittocht, die voor velen klinkt als een te neurotische, te nadrukkelijk blootliggende zielswereld. ’t Is een omzetting, een verschuiving, grensoverschrijding, hartstocht die vleugels krijgt. En dan duikt een andere grens op. Voor mijn part noem je het het Peterpricipe: ‘Stijgen tot het eigen niveau van incompetentie’. Natuurlijk zijn er artiesten die meer mannen uit één stuk zijn, met langere carrières, die niet zo ‘dom’ zijn al hun hebben en kunnen in twee steengoeie platen te stoppen, om daarna (zoals we het het liefst hebben) te sterven of (zoals Soundgarden) te verwelken. Die zoveel slimmere artiesten staan niet op 61, en Soundgardens magistrale, van de eerste tot de zeventigste minuut boeiend blijvende ‘Superunknown’ wél. Voilá. Met accent aigu. Nè!

Iemand heeft Soundgarden water gegeven, want ze bestaan sinds 2012 opnieuw. Ik wist dat niet. Omdat ik weer niet zat op te letten.

Ik knip nog iets uit de titeltrack: ‘If this doesn’t make you smile / You don’t have to cry / If this isn’t making sense / It doesn’t make it lies / Alive in the superunknown / First it steals your mind / And then it steals your soul’.

While we’re at it, waarom niet Sylvia Plaths ‘The Bell Jar’ opleggen, een boek dat mij hier geheel terecht de categorie ‘Zelfmoord’ doet aanklikken! De verteltoon, het accent, de manier waarop ze een paar keer na mekaar ‘patent leather’ zegt… de perfecte voorlezer heet Maggie Gyllenhaal:
 

 

De playlist bevat muziek uit ‘Superunknown’-jaar 1994, een lijst die ik al liet horen toen dEUS met ‘Worst case scenario’ op 107 belandde.