‘I want love to murder my own mother’

 
image
 
Jack White
Blunderbuss
2012

 

Op nummer 110 had ik het in verband met The White Stripes (aan de drums: Meg White, aan de gitaar: Jack White) over een beperkt roodwit-kleurenpalet, over een kleine kamer (waarin ze in Detroit hun eerste platen maakten) en over een grotere kamer (die diende om hun ‘Seven nation army’-achtigen te schrijven).

‘Blunderbuss’, Jack Whites solodebuut, klinkt als een break up-plaat. White heeft een balzaal van een kamer nodig om die te maken, want hij vliegt twéé keer buiten: hij scheidt van zijn vrouw (ze hielden een scheidingsfeest, maar hij houdt wel het huis), én van drumster en ex-vrouw Meg White (The White Stripes stoppen op initiatief van Meg, maar hij behoudt haar achternaam).

In de teksten weet je niet altijd over welke breuk hij het precies heeft, en evenmin in welke mate hij ervan kapot is. Ergens komen ook één of twee nieuwe vlammen in beeld: één keer doén ze het samen en zijn ze zich bewust van de gevolgen, één keer wordt White als voetveeg behandeld en zucht hij dat 21e-eeuwse vrouwen amoreel zijn geworden achter hun iTools. Het kan natuurlijk ook best zijn dat Jack White achter zijn analoge instrumenten helemaal niet autobiografisch is.

De muziek wil bij momenten nog striemender zijn dan The White Stripes, om daarna in het zachte deel van de witte Beatles een gezellig hol in te richten. Eén keer hoor ik zelfs Paul McCartney’s Wings als invloed.

Countryblues staat op ‘Blunderbuss’ tussen rockabilly en een folkballade. White daarover: ‘If you just write songs and don’t tell them what to be – don’t tell the song to be a country song or a rock’n’roll song – then it becomes what it needs to be in the end.’

White is erin geslaagd tussen Coldplay en Duck Sauce een tekst op de radio te krijgen met ‘I want love to / murder my own mother and / Take her off to somewhere / like hell or up above’. Een ouwe retorische truc, stijl ‘Vraag desnoods een man wiens huis in brand staat dat hij gematigd alarm slaat, vraag een moeder dat ze haar kind niet met volle overtuiging uit de handen van een verkrachter redt, maar vraag mij niet in te binden en een gematigd standpunt in te nemen over…’ … eh, over eender wat dus. Op die manier is de te vermoorden moeder voor White contrastvloeistof voor wat hij van de liefde absoluut niet meer wil: dat ze hem verstoort, corrumpeert of onderbreekt.
 

 

Het taaltje op ‘Blunderbuss’ is soms even oud en raar als dat van ’s mans lookalike Johnny Depp in Tim Burtonfilms. Whites piano dateert ook van voor de drooglegging. En wie gaat er nu met een staande bas en een lap steel optreden op grote rockfestivals? Wie laat twee groepen (een vrouwelijke en een mannelijke) afzonderlijk van mekaar repeteren, om daarna avond aan avond te kunnen kiezen wie het best past? En vooral: wie verplicht iedereen in zijn groep in het wit en het blauw op te treden (ik denk dat er stond: alleen wit-en-blauwe kledij van voor 1930)?
 

 

Het kleurenpalet is prachtig: van helwit naar leigrijs, van lichtturkoois naar diephemelsblauw. White zelf staat er darker than blue tussen; hij zou verkleed als Edward Scissorhands komen opdagen als hij met die haagschaarhanden zou kunnen soleren.

De rood-wit-zwartgimmick is ooit ontstaan omdat White wilde zeggen: natuurlijk spelen we onze versie van authentieke, oude muziek, maar als je vindt dat we alleen authentiek zijn in jeans en basketschoenen, ga dan elders. Misschien zegt hij ter hoogte van ‘Blunderbuss’ in dat blauwe decor: natuurlijk ben ik door die scheidingen een appendix, al mijn vingernagels, een paar liter bloed en ontelbaar veel illusies kwijtgeraakt, maar als je dat niet door dit decor heen kan horen, jammer dan. Jack White is wellicht ook een ordinaire fetisjist.

Mijn ‘Blunderbuss’-favorieten:

1. De beginzin van opener ‘Missing pieces’: ‘I was in the shower so I could not tell my nose was bleeding’.

2. Aan het eind van ‘Missing pieces’ – een fantasie over vrouwen die weggaan en écht lichaamsdelen van je meenemen – valt de muziek weg en zingt White: ‘And they’ll stand above you and walk away / That’s right and take a part of you with them’. Op dat moment verlang je naar een trek van een Stripesriff zonder filter, en tweede song ‘Sixteen saltlines’ stelt niet teleur.

3. ‘I guess I should go to sleep’, omdat je er heel goed in hoort dat White op dezelfde manier als Bob Dylan songs demonteert, er de mechaniek van wil kennen, in dit geval alleen het geraamte van de lullaby ‘Goodnight Irene’ overhoudt, en van daaruit een heel mooie song schrijft.

4. De cover van ‘I’m Shakin’, waarin White in drie lettergrepen uitlegt hoe nerveus hij is: I’m noivous.

Ik vind ‘Blunderbuss’ uitstekend, maar af en toe mis ik klungelgenie Meg White.
 

 
 

‘Bang bang Lulu’

 
image
 
The Modern Lovers
The Modern Lovers
1972 / 1976

 

The Dream Syndicate ter hoogte van hun debuut ‘The days of wine and roses’, The Strokes op hún eerste ‘Is this it’, Joy Division, Slowdive, The Jesus And Mary Chain, Patti Smith op ‘Horses’… het zijn lang niet de enige muzikanten die op repetities zoveel mogelijk aandachtpunten uit het Grote Velvet Underground-10-puntenplan ter sprake brachten.

Een van de eerste en weirdste fans under the influence was Jonathan Richman. Hij droeg een streepjessweater uit de matrozenafdeling, bleef van de heroïne af (en ook van de drank, van de sigaretten en zelfs van de mayonaise en de zonnebrillen), kwam uit de Amerikaanse staat die het meest aanleiding geeft tot spelfouten (MassachuSeTTs) en bij uitbreiding uit de in zijn songs al eens verheerlijkte regio New England, ooit bakermat der Puriteinen. Een brave jongen dus, die nochtans al van eind jaren 60 lange tijd in de Grote Rotte Appel New York rondhing om van The Velvet Underground eh, … foto’s te maken.
 

 

Zes van de negen songs op het titelloze debuut van Jonathan Richmans groep The Modern Lovers werden door John Cale al in 1972 geproducet, en toen de plaat eindelijk uitkwam in 1976, en Cale de song ‘Pablo Picasso’ al had gepikt én uitgebracht, sloot ‘The Modern Lovers’ eindelijk een beetje bij de New Yorkse punk aan. Een beetje, want teksten stijl ‘I still love my parents’ en ‘I still love the old world’ werden niet élke avond in CBGB’s gezongen.
 

 

Doorgaans gaan we nu aan een onbegrepen genie denken en met het vingertje naar de platenfirma wijzen, of staat er iets als ‘de wereld was er nog niet klaar voor’, ‘artiest was tijd te ver vooruit’ en ‘de plaat bleef om onbegrijpelijke redenen op de plank liggen’, maar de wereld was er – getuige het livesucces van de groep in Boston en omstreken en de interesse van meer dan één firma – vollédig klaar voor.

De redenen waarom dit groepje niet van de grond kwam zijn helemaal niet onbegrijpelijk: die redenen zijn Jonathan Richman zelf en de muziek die hij in 1973 op het eiland Bermuda hoorde. Richman heeft er uitvoerig over bericht in de song ‘Monolgue about Bermuda’, die we eventjes scherper zullen afbeelden.
‘Jonathan, Jonathan / I wanna know something’, vraagt Jonathan aan zichzelf: ‘Wat ging er door je heen in Bermuda?’ Antwoord: ‘In Bermuda kwam ik er – Bum di dee Bum di dee Bum Bum Bum nog aan toe – voor mezelf achter wat voor een stijve hark ik was. In hotel Inverurie stond ik boven allerlei Fender stuff en smidshamers die we op aambeelden sloegen een drammerige tekst te zingen stijl ‘She cracked / She eats shit, eats creeps, gets stoned / I stay alone, eat health food at home’. Daar was niks snotneuzerigs aan, zeker? We waren bloedserieus, en het ergst van al: we dachten dat we het er bij het studentenpubliek keihard aan het inrammen waren. Maar de gasten die het er echt bij hen inramden waren 40 jaar oud, hadden allemaal dezelfde zonnebril en heetten The Bermuda Strollers. Ze hadden grote gitaren, en de studenten waren gek van hun song ‘Bang bang Lulu’: ‘Lulu had a boyfriend / Name was Tommy Tucker / Took her out to his house / To see if he could …’ De gitaar klonk echt vet, en de bassist was nóg beter: hij had een regenjas aan, bewoog amper en kauwde op z’n kauwgom terwijl hij simpel en los speelde; hij was de Bill Wyman van de Caraïben. Weet je, na die trip vlotte het niet meer met de Modern Lovers omdat ik Calypsoplaten begon te kopen…’

Ha! Dáárom was ‘The Modern lovers’ dus vier jaar te laat. Maar wat staat er wel op die ‘veel te stijve’, ‘snotneuzerige’ prepunkplaat? ‘Roadrunner’ moet u kennen, omdat het een beetje een hit is geweest, omdat de groep erin slaagt een vrolijke versie van ‘Sister Ray’ neer te zetten, omdat er in het begin niet tot 3 en niet tot 4, maar tot 6 wordt afgeteld en omdat de finale met ‘I’ve got the world / got the turnpike / got the RADIO ON’ even geweldig is als de miepmiepende renvogel van de gelijknamige cartoon. Hieronder versie 2 van 4 versies. Het is de versie die op de lp staat.
 

 

Het monumentale ‘Pablo Picasso’ is trager en dreigender: ‘Girls could not resist his stare and so / Pablo Picasso was never called an asshole… Not like you!… Not in New York’.
 

 

‘Hospital’ is regelrecht schrijnend: de ritmeveranderingen zijn verwant aan die van ‘Heroin’, de tekst zou kunnen gaan over een meisje dat drugs gebruikt: ‘I can’t stand what you do / but I’m in love with your eyes’.
 

 

In ‘Girlfriend’ staat echt alles in de voorwaardelijke wijs: museumbezoek, lief en met lief doorheen de schilderijen van Cezanne kijken: ‘If I were to walk to the Museum of Fine Arts in Boston / Well, first I’d go to the room where they keep the Cezannes / But if I had by my side a girlfriend / Then I could look through the paintings / I could look right through them / Because I’d have found something that I understand / I’d understand a girlfriend’.

In ‘Old world’ zit een New Yorks lief dat niet verstaat dat Jonathan ouders heeft die hij graag ziet en dat hij zijn plaats in de oude wereld wil behouden. In ‘Modern world’ klinkt het al helemaal anders: ‘Well the modern world is not so bad / Not like the students say / In fact I’d be in heaven / If you’d share the modern world with me’. Richman raadt hier een meisje het volgende aan: ‘Stop all this weak stuff / And drop out of B.U.’ Ik heb deze plaat oneindig veel gedraaid, maar onlangs pas geleerd dat B.U. staat voor Boston University. Leve Internet!
 

 

Fast forward naar 1976 en daarna. Terwijl ‘Modern lovers’ hier en daar lovende recensies krijgt, heeft Jonathan Richman geen zin meer in punk en ‘snotty’ pioniersschap. Hij kent nu de paar catchy Calypsoplaten die hij heeft gekocht uit het hoofd, schrijft een wereldhit met ‘Egyptian reggae’, en zingt ‘Ice cream man, ring your bell’ en ‘Hey there, little insect, don’t scare me so / Don’t land on me, and bite me no’ en ‘I’m a little airplane nyow nyow’.

Richmans liedjes verFischer-Pricen en versnotneuzen elk jaar meer. Het harpspel van Harpo Marx wordt opgehemeld, de Dodge Veg-O-Matic is een auto die niet rijdt, New England krijgt een lofzang vol met Dum-de-dum-de-dum-dum-da-dum-day’s. Als ik ‘em in ‘Dancing in the lesbian bar’ hoor zingen: ‘Well in the first bar, things were o-kay / But in this bar, things were more my way’, denk ik: hoe lang hou je dat eigenlijk vol, een levensstijl in Hawaï-shirt op de voorste rij van een Cure-concert?

Rewind naar 1972 en naar het einde van ‘Old world’. Een immer snipverkouden Richman zingt ‘Now we say bye bye old world’ boven ‘Sister ray’-gitaar en orgel dat door Jerry Harrison (later Talking Heads) wordt bespeeld: ‘Gotta help the new world’… ‘Oh bye bye’. Om in de fade out nog te besluiten met: ‘I say Bye. Bye. Bye. Bye. Old World’.

Al dat opzoekwerk rond dit sublieme, aan de wieg van de Amerikaanse seventiespunk staande debuut, en met wat word ik beloond? Met die verdomde Bang bang Lulumelodie die ik niet uit mijn hoofd krijg! U bent gewaarschuwd als u ‘Monologue about Bermuda’ aanklikt. Wie voor de afsluitende video (met de demo van ‘She cracked’) kiest, komt in de Grote Punkrivier terecht op een plek niet ver van de bron.
 

 

 

 

 

It was awful!

 
image
 
Dr. John
Gris-gris (1968) en Locked down (2012)

 
 

In het midden van de jaren 60 moet de excentriek uitgedoste muzikant Malcolm John Rebennack Jr. op bevel van de rechter de staat Louisiana verlaten; ik ben vergeten waarom. Mac Rebennack gaat in Los Angeles wonen. In ballingschap pikt hij Californische psychedelische muziek op. Die wil hij voorstellen aan de 1001 ritmes van zijn home town New Orleans.
 
image
 
In New Orleans zelf is er ondertussen geen werk voor muzikanten. Er zijn zelfs geen deftige opnamestudio’s meer. In L.A. krioelt het dus van de blanke, zwarte, Creoolse en anderszins gekleurde muzikanten die uit de melting pot genaamd The Big Easy zijn gebraindraind.

Mac Rebennack heeft zanger Ronnie Barron voor ogen als vertolker van een 19e-eeuwse, nighttrippende voodoodokter Dr. John (die echt heeft bestaan), maar omdat Ronnie Barron niet beschikbaar is, kroont hij zichzelf tot virtueel nachtburgemeester en wordt hij zanger en bandleider achter de keyboards.

De opener heet ‘Gris-Gris Gumbo Ya Ya’: Gris-Gris is voodoo, gumbo de hutsepot van La Nouvelle Orléans en van Ya Ya wist ik tot voor kort alleen dat stadsgenoot Lee Dorsey erop zat te wachten in ‘Sitting here, la la / Waiting for my Ya Ya’. Blijkt dat gumbo en ya ya er ook samen lekker uitzien:
 
image
 
Dr. John torst in ‘Gris-Gris Gumbo Ya Ya’ een EHBO-kist vol voodoopopjes, voodoo-amuletten en voodookruidentuiltjes. ‘I got medicine, to cure all your ills / I got remedies of every description’, fluistert hij als iemand die je elk moment met zalf gaat insmeren. Zijn arsenaal medicijnen helpen vooral als je te hard hebt gewerkt, als je je vrouw niet onder controle krijgt en als je vrouw een andere man heeft. John schrijft dan ‘control in the hearts get together-drops’ voor. Er is dus iets meer reden om de man dokter te noemen dan in het geval van Dr. Dre, Dr. Alban en Dr. Rockit, maar of John bij een strenge numerus clausus het ingangsexamen haalt? Blijft onzeker. De muziek? Da’s iets anders! Prachtige drums. Elegante banjo ook. Superieure backings.
 

 

‘Danse Kalinda Ba Doom’ doet het met fluit, grote trom, mandoline en een ander ritme uit het Grote Louisianaboek.

‘Mama Roux’ is iets barser gebrabbel boven, over en tussen succulente percussie en hemelse achtergrondstemmen; een roux is natuurlijk de basis waarmee moeder in de keuken sauzen bindt.

‘Danse fambeaux’ verkent, eerst aangedreven door bas, daarna ook door tuba, de moerasjungle; die swamps zijn ook een openluchtvolière.

‘Croker courtbullion’ (gepocheerde baars) is een woekerplant van een bijna-instrumental met een terugkerende hinkmelodie die je eens moet proberen te beluisteren zónder aan ‘Golden brown’ van The Stranglers te denken. Volgens mij doen hier meer percussionisten mee dan er officieel in de liner notes staan, ook al omdat Dr. John die zelf heeft neergeschreven. Het Grote Dictee van de Engelse Taal zal de dokter evenmin winnen. Hé, de man komt dan ook uit N’Awlinz.
 

 

Als u de zin ‘Jump Sturdy was her name’ hoort, die wordt gevolgd door ‘She came out the swamps like a crazy fool’, weet dan: u heeft nog twee parels van songs te goed. De tweede heet ‘I walk on guilded splinters’, klinkt als de boter in de bloem van de New Orleansroux en is subliem buiten categorie. Padre, madre, meme, pepe en the whole family mogen meedoen aan deze Cocorosieshow; jawel.
 

 

Ik vind ‘Gris-gris’ fantastisch, en ‘Babylon’ van een jaar later ook. De zachte songs van ‘Babylon’ lopen gelijke tred met de kosmische blues die Captain Beefheart in zijn minst hoekige werk steekt. Het sublieme ‘Twilight zone’ is een verslag van een reis naar het schemerduister tussen de op waarneming en ervaring gebaseerde reële wereld en de luchtspiegelingen erachter: space is hier the place, ‘fuckin’ high on drugs’ de mogelijke staat van zijn, en de kerngedachte zit aan het begin: ‘When you hear a lullaby / you once knew / and now you can’t recognize / you stepped into the twilight zone’.

‘In the right place’ van 1973 is zeer goeie funk, de single ‘Such a night’ eruit iets tussen Randy Newman en Tom Waits in: van ver lijkt het vollemaanromantiek bij een fotogenieke brug, maar van dichterbij valt op dat de dokter er met de vrouw van een vriend vandoor is en droog vaststelt: ‘If I don’t do it… / somebody else will’.

Voor veel van Johns latere werk loop ik niet warm: traditionals zijn te zwaar aangezet, songs overal volgeschilderd zoals op veel Van Morrisonplaten. Soms hoor ik de Stones en denk ik: dat kunnen de Stones beter.

Maar in 2012 gebeurt een klein wonder. Hoe de in 1979 geboren producer Dan Auerbach, die we vooral als gitarist van The Black Keys kennen, erin geslaagd is van ‘Locked down’ een van de allerbeste Dr. Johns te maken weet ik niet, maar het is wel gebeurd.

Auerbach is een man die sportpaleizen doet vollopen en de sound van Lana Del Rey heeft opgelapt; hij is dus geen kleine speler. Nergens een middelmatige track te bespeuren, hier. Geweldig geluid, stroomstoten in de blazers, superefficiënte gitaarriffs , en – als de maataccenten verlegd worden – de dokter die een traantje wegpinkt als hij denkt aan wat na hem komt. De Afro-voodoo-gumboyaya-mardigras-cool is ondertussen overal in perfecte doses uitgestrooid, en de beat goes on en on en on. Ik moet aan Daptone- en Motownrecords denken. Aan de hier bezongen voodoopriesteres Eleggua en aan de orkaan Katrina. Aan het bekendste werk van Van Morrison, Curtis Mayfield, Fela Kuti en John Lee Hooker. Aan de good times van Mardi Gras om 2 uur ’s nachts, maar ook aan het kruisje op het voorhoofd een paar uur later op aswoensdag.

‘Locked down’! Veel gedraaid? Amy Winehouseveel gedraaid!
 

 

 

 

Nu we toch in de Golf van Mexico zijn: in de nasleep van de Katrina-orkaan van 2005 (die op zich amper doden maakte, het lag aan de dijk die geen dijk meer was en aan het leger dat ergens ver weg aan het vechten was en dus niet ter hulp snelde) valt te huiveren bij de waarheden van de Spike Lee-documentaire ‘When the Levees Broke: A Requiem in Four Acts’.
 

 

Ik wil u nog vertellen over de beste ode aan de bayoudokter. Het betreft een naar Dr. John gemodelleerde handpop uit The Muppet Show: Dr. Teeth, bandleider van Dr. Teeth and the Electric Mayhem. Teeth heeft groene handen die aan langgerekte, in een gestreept t-shirt gestoken armen vastzitten, een oranje baard, een gouden tand, blinkende ringen en een roze, hoge hoed met veer. De achter keyboards, veel haar en veel bont verstopte stem is warm en hees; Teeth brabbelt net als John meer dan hij zingt. Sam The Eagle heeft het zeer moeilijk met Dr. Teeth. De meest gevreesde critici uit die dagen zitten op het balkon en heten Statler en Waldorf:
– Well, it wasn’t bad…
– Uh, there were parts of it that weren’t very good though.
– It could have been a lot better.
– I didn’t really like it.
– It was pretty terrible.
– It was bad.
– It was awful!