Hyde Park, Londen. 5 juli 1969. The Rolling Stones.
Beetje chaos. Minstens 250.000 mensen zijn opgedaagd. De Hells Angels doen de security. Het is juli, en heet.
Later dat jaar, in december in het Amerikaanse Altamont, zullen er doden vallen op een Stonesconcert. Hier, in Londen, zijn de sixties nog niet voorbij.
De Stones zijn wel hun gitarist Brian Jones kwijt. Hij is twee dagen voor het concert gestorven. Als de groep op moet, zegt Mick Jagger: ‘Als het van jullie mag, ga ik eerst iets doen voor Brian’.
Jagger trotseert een opgewonden menigte, vraagt twee keer of de mensen zich asjeblief willen gedragen, en leest een stuk voor uit een gedicht van Shelley, ooit geschreven voor zijn overleden vriend Keats: ‘Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep / He hath awakened from the dream of life / ‘Tis we, who lost in stormy visions, keep / With phantoms an unprofitable strife / And in mad trance, strike with our spirit’s knife / Invulnerable nothings.’
Het is een modern gebed dat niet in eerste instantie de gestorvene helpt de verlossing te bereiken, want: niet de overledenen hebben hulp en troost nodig, maar de nabestaanden. Ik denk dat Mick Jagger en Perce Bysshe – dat moest ik even gaan opzoeken – Shelley gelijk hebben. Als we van iemand afscheid nemen, zijn wij het, de nabestaanden. ‘Tis we.
De Stones laten in Hyde Park vlinders los en introduceren Mick Taylor (die zijn eerste show speelt voor het grootste publiek denkbaar).
Mick Jagger wordt tijdens afsluiter ‘Sympathy for the devil’ nog niet bijna beschoten (en op de valreep door een Hells Angel gered, zo zal blijken uit de beelden) zoals later dat jaar in Altamont.