Your life is over!

 
image
 
Titus Andronicus
The airing of grievances
2009

 

1.
Ergens in 2009. Ik lees een bespreking van de debuutplaat van Titus Andronicus in Humo. De recensie is er boenk op. Tegelijk: het zijn niet de vergelijkingen met The Pogues en Conor Oberst die mij naar de winkel hebben doen rennen – of in mijn geval, in die dagen: naar de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek in Brussel. Worden in het stuk ook als invloed op Titus Andronicus vernoemd: The Replacements, van wie ik toen voornamelijk zéér vroeg werk beluisterde, in porties van drie (meestal korte) songs. Als ik op dat Replacementspad was blijven wandelen, zou ik vandaag een voorkeur hebben gehad voor een paar seconden gekrijs, opgenomen in de wieg van opper-Replacement Paul Westerberg.

Nee, wat mij in de recensie van (nq) echt over de streep heeft getrokken? De zin ‘Als alles overspoeld wordt door ironie, werpt Titus Andronicus een barricade op van waarachtigheid.’

Enfin, een maand of drie later (ik ren heel traag) stop ik ‘The airing of grievances’ in de cd-speler. Tsjongejonge!

2.
Over ‘The monitor’, de tweede Titus, berichtte ik hier al.

3.
Het is dus hun debuut ‘The airing of grievances’ dat op 83 staat. Vanuit de verkeerde richting binnenrijdend: de plaat is in vergelijking met ‘The monitor’ gebalder – iets méér vroege Replacements, iets mínder dronken Pogues – en er wordt in gerockt met de hoogdringendheid van een hooikoortsniesbui. De zeurderige stem van Titushoofdman Patrick Stickles is inderdaad aan die van Conor Oberst van Bright Eyes gewaagd.

Ook hier – net als op ‘The monitor’ – hoogdravende conceptthema’s? Jawel! Het toneelstuk ‘Titus Andronicus’ van Shakespeare (ondertitel: ‘Laat bloed vloeien’) wordt geciteerd net op het moment dat een personage half begraven voor dood wordt achtergelaten, terwijl hij zijn gruwelijke misdaden opsomt en maar van één ding spijt heeft: dat hij er niet méér heeft begaan.

In ‘Upon viewing Bruegel’s landscape with the fall of Icarus’ zit de zanger met de schrik: van de Icarus die met wassen vleugels de zon tegemoet vliegt en in zijn jeugdige hoogmoed te hoog klimt en in zee neerstort, zijn in de achtergrond alleen de spartelende benen te zien. Ploegende boer, herder en visser (die laatste zit er met z’n neus op) merken zelfs niks van de val. De zanger is gewoon bang dat hij wordt als de onverschillige anderen, en zijn rebelse zelf kwijt raakt.
 
image
 
 

 

Op eenzelfde manier kan je ook het veelvuldig herhaalde refrein uit de titeltrack lezen: ‘Your life is over’. Misschien bedoelt Patrick Stickles niet dat zijn laatste uur is geslagen, maar wel dat – als hij leraar of verzekeringsagent wordt – zijn kans op een avontuurlijk leven voorbij is. ’t Is dus een coming of age-plaat. Hoop ik toch.
 

 

Nog tekstvoorbeelden? ‘Life’s been a long, sick game of Would You Rather / so now I’m going to medical school… as a cadaver’ en ‘There’s no doctor that can diagnose me / I’m dying slowly from Patrick Stickles Disease’.

De plaat bevat twee(!) No futures. Deel 2 heet voluit ‘No Future Part II: The Day After No Future’ en bevat een stuk ‘L’étranger’ van Albert Camus, het deel aan het einde waarin de hoofdpersoon nog op één ding kan hopen: op een massa kijklustigen bij zijn terechtstelling.

Wie een hekel heeft aan kunstenaars met een voorliefde voor de thema’s depressie en hoe die uit te drijven met harde punk (en door ze nog eens vol te schenken) raden we goeie sportschoenen aan en grote concentrische cirkelbewegingen om Titus Andronicus heen. Respect verder!

Maar wie de slotzinnen van ‘The airing of grievances’ (‘We think nothing of ourselves at all’, ‘Death, be not proud because we don’t give a fuck about nothing’ en ‘We only want what we are not allowed’) wil afdoen als puberaal en aanstellerig gezwets, kan van mij enig armworstelweerwerk verwachten. De song heet niet zomaar ‘Albert Camus’: het denken van die schrijver (die er trouwens uit zag alsof hij Joe Strummer van The Clash wilde leren roken) wordt hier aan de hand van een paar goeie voorbeelden geschetst. We verlangen, zei Camus, naar het onmogelijke en naar een wereld waarvan de toegang altijd versperd zal blijven, want we willen een doel in een onverschillig universum, en een god in een goddeloze wereld. Als we onze verwachtingen over het leven naar bijna niks terugbrengen, heeft de onvermijdelijke dood veel minder te stelen. Puberaal? I think not! Het leven is eerder wat we gewoon ervaren dan een wensdroom vol verwachtingen, en op deze plaat (die gemaakt lijkt met minimale, analoge apparatuur, in een soort van permanente staat van dronkenschap, en in een kot met kartonnen muren achter een Ierse pub), zijn de verwachtingen onbeduidend. En nu we toch klote-realistisch bezig zijn: is de vanuit de pub aangevoerde alcohol een motherfucker van een harddrug. Tja!

4.
Hét moment waarop de groep voor mij echt te ver gaat staat niet op deze plaat, maar zit in hun latere song ‘Theme from Cheers’, naar de begingeneriek van de serie die zich in dat café in Boston afspeelt – where everybody knows your name. Patrick Stickles stelt zich in het lied zijn oude dag (alweer) realistisch voor – hij is dus nog steeds alcoholicus – en bewerkt een tekst van Paul Simon: ‘Funny we’re still doing carbombs after all these years’. Goed, maar weet u ook wat een carbomb is? Blijkbaar een duikboot, maar dan niet gemaakt van jenever en pils, maar van – Hou u vast! Gaat u zitten! – Baileys en Guinness. Opdrinken voor de Baileys begint te klonteren, weet een kenner. Freaks!

5.
Het is 15 september 2014. Ik tik de groepsnaam Titus Andronicus in op Youtube. ‘Stranded (on my own)’ belandt bovenaan. Ik denk: ha, een cover van punkpioniers The Saints. Nee dus! Kijk, waarom een opstel schrijven over punk, als vier minuten beeld en klank zoveel meer vertellen!
 

 

 

 

De romantische punthelm

 
image
 
Robert Schumann
Dichterliebe
1840

 

 
Robert Schumanns ‘Dichterliebe’ is gemaakt op tekst van Heinrich Heine. Na wat Wikipedia-en-uiteindelijk-veel-meer-dan-Wikipedia moet dat worden: op tekst van de nog jonge Heinrich Heine.

De Heine in de ‘Dichterliebe’-cyclus is in 1827 nog even rechttoe-rechtaan romantisch als Wilhelm Müller die Franz Schubert teksten schenkt over een mooie molenaarsdochter.

De oudere Heine (een Duitse Jood die naar Parijs vluchtte voor de restauratiecensuur en voor het antisemitisme van een eeuw voor Hitler) is een andere artiest. Als hij in ‘Een wintersprookje’ opnieuw een reis door Duitsland maakt handelt hij in harde spot: aan de grens wordt Heines koffer door de ‘dwaze’ Pruisische douane besnuffeld. Heine denkt: ‘De smokkelwaar die met me meereist zit in mijn hoofd weggestoken’.

De dichter is keihard als het gaat over de stijfheid van de Duitsers: ‘Als hadden ze de stok ingeslikt waarmee men hen slaag heeft gegeven’. ‘De punthelm op hun romantische hoofd’ rijmt op ‘wordt misschien door de hemelse bliksem verdoofd’.

Het is satire vol verzuchtingen van een man die zijn land van herkomst een beetje moderner en toleranter wil zien worden. Heeft eigenlijk weinig of niks met de voorwaarts-in-de-mogelijk-verpletterende-liefde-gedichten van de jongere Heine te maken, een bundel waaruit Schumann 16 stuks koos voor zijn ‘Dichterliebe’.

‘Im wunderschönen Monat Mai’ opent die cyclus gracieus: het is mei, alle bloemknoppen springen open, de dichter heeft zijn liefde verklaard – we zitten in het basiskamp.

Daarna is de geliefde twee songs lang alles, bijvoorbeeld roos, lelie, duif en zon samen. De songs zijn kort en gebald.

En dan gebeurt er iets raars: de kus die ooit zal komen zal zelfs gezond maken, maar bij de eerste woorden van de geliefde (nochtans een ordinair ‘Ik hou van jou’) wordt er 1. In de tekst meteen ‘bitter geweend’ 2. even bitter geweend in de schitterende piano-outro. Er wordt wel niet uitgelegd waarom.

De sfeer wordt daarna alweer – en niet voor het laatst – compleet omgegooid in ‘Im Rhein, im heiligen Strome’, waarin een Mariabeeld in goudleer uit de Dom in Keulen opduikt dat aan de geliefde doet denken, maar vooral: waarin uit de piano iets Bachachtigs loskomt met daarboven aan het eind… ja, wat eigenlijk? De noodklokken van de passie?
 

 

‘Ich grolle nicht’ is gebald, kwaad, kort, to the point: ‘Ik treur niet want ik zag het serpent dat vreet aan je hart, jij valse tik.’ In het lied dat volgt zit nog meer haat: ‘Sie hat ja selbst zerrissen / zerrissen mir das Herz’: zij en zij alleen heeft mijn hart aan stukken gereten.

Alsof violente gemoedsschommelingen toen de gewoonste zaak ter wereld waren, wordt plots een halve liter gedronken, en is er gefluit, violengezang en getrompetter waarop zelfs gedanst wordt. De piano weent en klaagt soms. Dat komt: het mannelijke hoofdpersonage staat naar de bruiloft van zijn verloren geliefde te kijken.

Volgt: meer afstand en controle over de gevoelens, via een ‘x gaat met y’-verhaal in ‘Ein Jüngling liebt ein Mädchen’, waarin y natuurlijk liever met z gaat, die weer met iemand anders wil. Een oud, compleet afgezaagd verhaal, zegt de tekst, tot het jou of mij of jouw dan wel mijn geliefde overkomt: dan is het weer actueel en uniek. Is hier al de ironische Heine van ‘Een wintersprookje’ aan het woord? Misschien. Volgt er een mooie, dit keer luchtige Schumannoutro die even ironisch zou kunnen zijn? Ook mogelijk.
 

 

Onze romantische held wandelt ondertussen door een tuin in ‘Am leuchtenden Sommermorgen’. Er staan bloemen in bloei. Ze vragen de bleke, treurige man niet kwaad te zijn op hun zuster, want zo is ze nu eenmaal. ‘Ich hab’ im Traum geweinet’ is het moment met de minst beroerde piano, maar tegelijk het meest intens spokende lied.
 

 

‘Aus alten Märchen winkt es’ wil er nog eens invliegen: in de sprookjes, in de bloemen, in de bronnen, de beken, de twijgjes, de blaadjes en de mistige vergezichten, maar de droom vervliegt met de ochtendzon.

De cyclus sluit af met een grote kist, groter dan het vat van Heidelberg, dan de brug van Mainz en dan de heilige Christoffel in de Dom van Keulen.

Heinrich Heine legt in 1827 al zijn liefde in die kist, én al zijn pijn, en verhuist naar het progressievere Parijs. Robert Schumann laat in 1840 zijn laatste outro klinken als een al bij al vrij luchtige uitvaart, en laat de piano nog eens met glans véél, véél meer doen dan commentaar geven op de tekst. Wat zei Bob Marley ook weer? ‘One good thing about music, when it hits, you feel no pain.’ Deze piano levert die afwezige pijn met acupunctuurprecisie.

Daaronder en -boven de moderne wereld – versie 1840. Een complexe aangelegenheid.
 

 

 

Condorhoog en stoptreinlaag

 
image
 
The Rolling Stones
Exile on main street
1972

 

‘Exile on main street’ is een dubbelaar.

De namen Nellcôte (het domein) en Villefranche-sur-Mer (het Zuid-Franse stadje) moet ik gaan opzoeken, ik heb de onlangs uit de vaults opgediepte extra’s niet gehoord, en de film over de making of niet gezien.

Ik ken ondertussen wel de sleutelwoorden: belastingontduiking en vochtige opnamekelder. Op de verdiepingen daarboven: waarschijnlijk een m’as-tu vu, en een drugleverancier te veel. Wie niet aan de overschot van Keith Richards’ heroïne wil zitten staat erbij en kijkt ernaar, of verdwijnt richting een Pastisterras in het nabijgelegen Nice; het is trouwens zomer.

Zijn in het begin nog op tijd als om 8 u ’s avonds de bandopnemer van de mobiele studio in Richards’ kelder op rec. wordt gezet, maar daarna een keer te veel werkloos: Mick Jagger en ritmetandem Bill Wyman/Charlie Watts. Zitten wel aan de drugs: al de rest, de blazers die af en toe ook drummen en bassen, de twee gitaristen Richards en Taylor, en bezoekers uit de periferie: William Burroughs (die voor zover ik hoor niet in de opnameruimte is geweest) en country-upperclasskind Gram Parsons die zich als een gevallen engel gedraagt en wordt buitengezet, want de Gerdarmes de Saint-Tropez zijn gesignaleerd. Misschien is hij het die een countryspoor achterlaat in ‘Sweet Virginia’: prachtige song, die ofwel over een vrouw kan gaan, ofwel over een Amerikaanse staat. Geen van beide partijen zal hebben gelachen met de tekst: ‘Come on down you got it in you / Got to scrape that shit right off your shoes’.

Een zin die mij aan het begin van de plaat opvalt: ‘The sunshine bores the daylight out of me’. Sfeer: er ondanks alles tegen aan! Een meer tot inkeer aansporend moment aan het einde van de rit: ‘May the good lord / shine a light on you / make every song / your favorite tune’. Sfeer: het is wel geweest.

‘Exile’ is gemaakt in twee stappen. Keith Richards doet zijn blues-, rock-, gospel- en countrygoesting in Frankrijk, en Jagger neemt daarna de leiding in een studio in L.A. Gaan uitvissen in hoeverre songs in Frankrijk af waren en wie wat waar inspeelde: nee bedankt. Hoe blazerslagen en een rock’n’roll-piano hier over mekaar rollen in de machtige openers ‘Rocks off’ en ‘Rip this joint’: dat zal niet louter in Nellcôte gebeurd zijn. Maar tegelijk, overal worden in de eindmix uitschuivers behouden: van gitaar, orgel, zelfs de backing vocals aan het slot van ‘Let it loose’ gaan alle kanten op. Iemand moet gehoord hebben dat het je ne sais quoi van de basistracks niet kapot mocht.

Je hebt lp’s en singles, en dit is een lp waar ik geen single kan uithalen. Is niet altijd een compliment, maar hier wel. Is Jagger een fantastisch zanger? Ja. Een betere dan Richards op ‘Happy’? Absoluut. Maar ik hoor hem liever omringd door al deze mannelijke en vrouwelijke stemmen, waarna blazers overnemen en de stemmen de achtergrond in gedrukt worden, dan een piano erover, fade out, volgende song een tempo hoger of lager, of een Slim Harpo-cover, of een song die vanop een Dr. Johnplaat lijkt overgeschreven,… terwijl toch alles in de plooi valt, en over alle songs een gelijkaardige vibe hangt. En dan, daar ergens tussen, Keith Richards die ‘Happy’ zingt, a song so nice I mention it twice.

Als er in de jaren 80 al Youtube had bestaan, had ik bij pakweg ‘Happy’ (3e keer) of ‘All down the line’ kunnen schrijven: ‘The Replacements sent me here’. Als ik vandaag benieuwd ben waar precies Primal Scream op ‘More light’ te slordig zal zijn en waar briljant, waar condorhoog en waar stoptreinlaag, is dat om dezelfde reden. Heroïne als verklaring voor dit soort losvastmuziek is een reductie, maar de drug speelt onmiskenbaar een rol.

Ik weet niet wie of wat Keith Richards en C° gered heeft (Richards heeft het tenslotte tot een bijrol in ‘Pirates of the Carribean’ geschopt). De laatste zin van afsluiter ‘Soul survivor’ (‘You’re gonna be the death of me’) en een paar andere, over de plaat verspreide aanwijzingen doen mij gokken: niet de flikken, niet de drugsdouane, niet de vrouwen (hier wordt er ergens één bezongen met ‘All dressed up to do harm’), maar wel die niet te onderschatten motherfuckers die altijd op de loer liggen: plicht en geweten, die op de duur zijn gaan vergaderen met vakmanschap en discipline. My guess!

Mogen ze mij deze plaat afpakken? Nee. Wil ik er een volledige Stonesbox en een t-shirt met een tong bij? Nee en nog eens nee.