Analoge stilte

 

John Cage 4’33” – 1952

Eerste keer ‘Limit to your love’ – versie James Blake: dat zit vol stiltes, zo straf, daar val je van omver. Veel van de beste muziek zit vol witruimte.

4’33” (uitspraak: vier minuten en drieëndertig seconden of vier drieëndertig) is een compositie die in 1952 werd geschreven door John Cage. De Amerikaanse componist noemde het een silent piece. In een opvoering van 4’33” is 273 seconden lang geen noot – of beter: geen enkel bedoeld geluid – te horen. Het is eng en beklemmend. De waanzin ligt inderdaad op de loer.

John Cage was gefascineerd door het bijna-niets. Er waren hem artiesten voorgegaan die met minimale middelen de kleinst mogelijke dingen deden, maar Cage verlegde de grens. Hij sloot zich in een geluidsdichte ruimte op om te ontdekken dat stilte gewoon niet bestaat. Hij hoorde altijd zijn hartslag nog, of het stromen van zijn bloed.

Op Youtube staan een aantal opvoeringen van 4’33”. Een wat stijve, strak in het pak zittende pianist markeert nadrukkelijk de drie delen van de compositie. Ondertussen schuift een voet over de grond, zucht of hoest iemand, rommelt mogelijk een maag.

Er is ook een versie voor groot orkest op een BBC-Promsavond. Veel mensen doen op het podium heel ingespannen en supergeconcentreerd niks. Na deel 1 veinst de dirigent een bezweet voorhoofd, dat hij afveegt met een zakdoek. Uiteraard lacht het publiek; van pure opluchting.
 

 

Er bestaan ook covers van die paar minuten stilte. Van Frank Zappa en Chiccone Youth bijvoorbeeld; the usual suspects. Het groepje The Planets, dat het tot in het voorprogramma van Deep Purple schopt, neemt in 2002 de track ‘A One Minute Silence’ op, en songschrijver Mike Batt laat (Batt/Cage) achter de songtitel noteren. Dat levert hem een copyright-proces op vanwege de erven Cage, die bij deze een taart in het gezicht verdienen. Anderzijds, wat waar en wat vals is in dit proces is niet helemaal duidelijk. Mike Batt zei tevreden te zijn na een minnelijke schikking. Hij zou uiteindelijk geen bedrag ter grootte van een getal met vijf nullen, maar slechts 1000 pond hebben overgemaakt aan The John Cage Trust, een steunfonds voor jonge artiesten. ‘En toch is mijn stilte beter’, zei Batt achteraf. ‘Ze is digitaal, die van Cage is analoog.’ Iemand noteerde nog een Battquote: ‘I think my 1,000 quid was well spent – so long as it didn’t subsidise some avant-garde fucker to write more silence and call it art.’

Mijn favoriete 4’33”-performance is die van 2010 in de televisieshow ‘De wereld draait door’. De pianist is Reinbert de Leeuw. Hij legt op tv uit dat het stuk dwars staat op het tempo van het programma. ‘Hoe mogen we ons hier gedragen?’, vraagt de ook aanwezige praatgast Jan Mulder hem. Antwoord van de Leeuw: ‘Daar heb je het al.’ Hij gaat naar de piano. 273 (!) seconden stilte kruipen binnen in een programma waarin Tourette al eens hand in hand huppelt met ADHD en de hik. Een man in het publiek legt tijdens de performance iets uit aan een vrouw. Iemand drinkt iets. Een paar mensen hoesten. Jan Mulder, die de hele voorstelling lang zijn nagels bestudeerd heeft, maakt aan het eind nog een grap: ‘Nou, indrukwekkend. Ik ben blij dat ik erbij ben geweest. Jaaah!’

Aanleiding voor dat geweldige tv-moment: in 2009 was het een Facebookgroep gelukt Rage Against The Machine op nummer 1 te krijgen in de Britse iTuneshitparade, uitgerekend in de week van kerstmis, periode waarin het de bedoeling is dat de jaarlijkse X-factorhit bovenaan staat. In 2010 probeerden dezelfde mensen het met Cage Against The Machines stiltesingle 4’33”. Het mislukte.
 
image
 

Wir könnten, aber…

 

Eind jaren 80 en begin jaren 90 was ik er een paar keer bij voor, tijdens en na de val van de Berlijnse muur. Ik had – op het moment van de val zelf – niet veel oog voor de grote, verplichte emotie. Een hoop DDR-bewoners kochten in West-Berlijn bijvoorbeeld bananen en porno.

Ik herinner me van voor en na dat punt in de geschiedenis de bruinkoolgeur van de DDR, de goths uit Kreuzberg (die van drie kanten door de muur waren omsloten en in 1990 plots in het midden van de stad woonden), de baseballknuppels die in de nieuwe anarchistencafés in het oostdeel achter de toog klaar lagen om zich tegen een volgende aanval van neonazi’s te verdedigen, het chique visrestaurant op de toen nog Oost-Duitse Alexanderplatz (waar je je verplichte hoeveelheid wisselmarken niet op kreeg), de tentoonstelling in een vervallen chemielokaal van rottend voedsel vol maden, de staart van een oorlogsvliegtuig die uit de grond stak in de tuin van de Tacheles-club, een schilderij van Paul Klee, overleven op broodjes falafel.

In de maanden voor de muur met beitel en hamer pal onder hun studio in Kreuzberg tot souvenirs zou verkruimeld worden maakte Einstürzende Neubauten ‘Haus der Lüge’. De Prolog is al raar. Een twijfelende dictator spreekt tot de massa: ‘Meint ihr nicht: wir könnten unterschreiben / auf dass uns ein bis zwei Prozent gehören / und Tausende uns hörig sind’. Na ‘Wir könnten, aber…’ komt er lawaai uit de boxen. Ik bedoel lawaai! Een stellingname wordt overspoeld door chaos. Of door realisme, dat kan ook.

 

image

 

Anekdote twee: in 2006 loop ik in Berlijn voorbij de plek waar net de Palast der Republik is afgebroken. De DDR-cultuurtempel moest weg, de Neubauten hebben er in 2004 nog concerten gegeven toen de meeste asbest er uit was gehaald en alleen een geraamte van het gebouw overbleef. Een keurig in een Karel De Guchtpak zittende man toont me de maquette van wat het Hohenzollernschloss gaat worden dat hier opnieuw in z’n 18e-eeuwse glorie naast de Spreerivier zal komen te staan.

 

 

Ik wandel naar Kreuzberg, naar een permanente tentoonstelling over de Berlijnse krakersbeweging. Hier dezelfde professionele maquettes en meticuleuze documentatiedrang, en ergens op een tv’tje oude Neubautenbeelden. Het concertfragment dat me aan de grond nagelt – het lef, de overtuiging, de hongerwinter die alsnog is overleefd – is de song ‘Einsame Wölfin’. Het jaar is 1980, de Berlijnse punkclub heet SO 36. De club werd in die dagen gerund door Turken, die aan het woord komen: ‘Die job in de culturele sector was een hele vooruitgang voor ons, behalve als de Neubauten speelden, op die momenten was het alsof we opnieuw in de fabriek werkten.’ Hilariteit alom. Wat een geschiedenis!

 

 

Hoe mijn favoriete levende oosterburen hier in de media doorheen de jaren begroet werden? In een recensie uit Humo van ‘Zeichnungen des Patiënten O.T.’ van 1984 komen werklieden de centrale verwarming van de journalist ‘niet bepaald zachtzinnig, niet bepaald geruisloos’ behandelen. De man stopt hen een Black and Decker in handen en bezorgt hen een optreden bij autokerkhof Willy Derijke, niet zonder toe te geven dat het geniale idee afkomstig is van Einstürzende Neubauten.

Tijden veranderen: 23 jaar later moet in datzelfde medium in verband met ‘Alles wieder offen’ zelfs de truc met de vorige plaat die beter is worden bovengehaald: ‘Het fabelachtige niveau van voorganger ‘Perpetuum Mobile’ wordt nét niet gehaald’. En het wordt nóg lyrischer: ‘De manier waarop Blixa Bargeld hier de taal van Heine & Heino bezigt geeft ons zin om sofort naar Keulen te emigreren en voortaan als Wolfgang door het leven te gaan’. Vooral die sofort is goed. Ook Heino is uiteraard uitstekend gevonden.

‘Als de Neubauten hier ophouden is dat voor mij al lang goed, als ze nog een bisnummer hebben zitten: nog beter’, ging ik een paar maanden geleden schrijven, maar toen las ik op neubauten.org dat het bisnummer in 2014 begint bij ons, In Flanders Fields: ‘Die Premiere mit einem speziell konzipierten Konzert findet am 8.11.2014 in Diksmuide, Belgien statt.’ Tickets gekocht? Tickets gekocht. Uitverkocht? Uitverkocht.

Omdat het om een Wereldoorlog I-herdenking gaat, krijgt iedereen die de grap ‘Sie sind wieder da!’ bovenhaalt een GAS-boete. En terecht, want die ‘wieder’ sloeg op de tweede wereldoorlog.

De vanuit een souterrain opgenomen video bij het fenomenale ‘Ich warte’ is van de hand van Ans Volkers.

 

 

In living color

 

Iedereen distilleert zijn geheel eigen crossover door te wonen in ~, te luisteren naar ~, naar de ingang gebracht te worden van ~, discipline te ontwikkelen om ~ en bewust of onbewust heelder treinen te missen richting ~. Inderdaad, de grote motor blijft het strakke regime Toeval.

Mijn toevallige omstandigheden? Klassieke muziek was thuis en op de speelplaats geen hoofdrolspeler. Op kot was er soms de minimal music van Philip Glass, Steve Reich, Wim Mertens en Michael Nyman, die via film en via de Leuvense radio Scorpio binnenkwam. Wim Mertens’ werk is vooral bekend geworden via de begintune van het BRT-nachtprogramma en via reclame voor telefonie.

 

 

Omdat minimal music niet zó ver bij Erik Satie vandaan woonde, heb ik tegen Satie wel eens ‘Soyez le bienvenu’ gezegd.

 

 

Mijn eerste zéér ongemakkelijke zittende dissonantie kwam aankloppen via John Cales ‘Music for a new society’. Cale was op die demonenuitdrijving duidelijk alle ‘zo triest en zo mooi’-emoties kotsbeu. ‘New society’ bleek daarna een prima rode loper richting andere 20e eeuwse tegentonen.

Omdat ik nog later af en toe naar jazz luisterde, was ook Claude Debussy geen moeilijke noot om te kraken. Meer dan 23 miljoen keer bekeken, deze clip van ‘Clair de lune’!

 

 

En toen begon Radio Klara ook overdag op te staan. Op de klassieke zender heb ik het zo vaak gehoord in middagprogramma’s: eerst polyfonie, dan barok, dan klassiek op z’n Mozarts, en gelukkig maar: anders had ik nooit mijn weg gevonden. Omdat mij door 1001 kenners was verteld dat het bij Bach was begonnen, heb ik ‘Geboren in 1685 – Gestorven in 1750’ onthouden, ter oriëntatie.

 

 

Maar ik bleef vooral hangen in de romantiek van begin 19e eeuw.

 

 

De 2e helft van de 19e eeuw, die is voor mij heel lange tijd virtuoos maar onbestemd gebleven. Ik hoorde te vaak de esthetica van monocles, benefietgala’s, koekjesdozen en Koningin Elisabethwedstrijden. Ik kreeg te weinig momenten die me ondersteboven gooiden. Nuance was er natuurlijk ook: toen ik op de klassieke zender ’s middags na mekaar Johannes Brahms’ Variaties op een thema van Haydn, het eerste Pianotrio van Felix Mendelssohn en Peter Tsjaikovski’s vioolconcerto hoorde, dacht ik: die onbestemdheid is misschien ‘voorlopig’.

Vandaag komt er qua 2e helft van de 19e eeuw niet veel goeds bij, want ik zit een en ander op te zoeken over een liederencyclus van Robert Schumann uit 1840, een cyclus die in Honderd zal staan. De liederen zelf zijn natuurlijk prachtig. Laten we het werk late romantiek noemen. En laten we wel wezen: als Schumanns for piano only-werken ‘Kreisleriana’ en ‘Kinderszenen’ reeksen popsongs waren, er zouden er maar een paar op B-kantjes belanden. In zijn werk voor grotere bezetting meandert ergens een cello sierlijk tussen orkestklanken, elders weert een piano zich dapper tegen blaas- en strijkinstrumenten… natuurlijk hoor ik dat allemaal in Schumanns Verzameld Werk. Maar de romantiek blíjft krachtiger en duidelijker galmen in het Beethovenbegin en in het Schubertantwoord, en ik heb blijkbaar de heer Gustav Mahler als gids gekozen om me de 20e eeuw binnen te leiden – eeuw waarin de 19e eeuw door weer andere favorieten vakkundig in stukken wordt gekapt.

Waarom er trouwens qua 2e helft van de 19e eeuw vandaag niet veel goeds bijkomt? Ik heb net een draak van een film uit 1947 bekeken, één waarin Katharine Hepburn Schumanns echtgenote Clara speelt: een kleffe liefdesgeschiedenis die wordt verteld vanuit één Schumannstuk (‘Träumerei’), en waarin de kinderen van Robert en Clara Schumann even ergerlijk zijn als die van de familie Von Trapp. Die kinderen moeten tegen vriend-aan-huis Johannes Brahms ‘nonkel’ Brahms zeggen. Soit. Wat ik zal onthouden: Schumann en Brahms, er is een verband en een tijdsketting, maar veel muziek van beide meesters zindert opnieuw amper na, laat me integendeel wederom na elke luisterbeurt onmiddellijk met rust.

Nog een kleurplaat dan maar?

 

 

De man die verantwoordelijk is voor al dat moois op youtube is Stephen Malinovsky of Smalin. Als u in een mum van tijd wil weten hoe verdomd lang Smalin al met hart en ziel aan zijn Music Animation Machine werkt, klik dan hier. Als u een beetje langer in Smalins wereld duikt, zal u het vanzelf merken: de man is ondertussen de geestelijke vader van vele getalenteerde kinderen.

Smalins revolutionaire visualisering van klassieke muziek is voor mij overigens prima tweedekansonderwijs, want muziek lezen en schrijven ik niet kan, en het voordeel van deze muzieklessen is dat ze geen schriftelijke cursus zijn.

In de playlist hieronder een paar favorieten uit die ‘moeilijke’ 2e helft van de 19e eeuw: werk van César Franck, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski en Antonín Dvořák.