Zeer geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer

 
image
 
Olivier Messiaen
Quatuor pour la fin du temps
1940

 
 

Op de cover van de Philips Digital Classics-uitgave van Arnold Schönbergs ‘Verklärte Nacht’ staat het schilderij ‘Umarmung’ van Egon Schiele. Geen kunstliefhebber die nog in de war raakt van Schieles rauwe naakten. Ze zijn al lang geen hier-en-nukunst meer, dit is erfgoed geworden moderne kunst, en ’t zou erg zijn als het anders was, want ‘Umarmung’ is bijna een eeuw oud.

‘Verklärte Nacht’ blaast – in de oorspronkelijke versie voor strijksextet – dit jaar 115 kaarsjes uit, is van voor Schönbergs atonale periode, is met orkest erbij bloedmooi, lijkt op iets ingehoudens van Weense tijdgenoten, ja zelfs van traditioneler voorgangers, is veel, veel braver dan Schieles naakten, en toch wil ik ze niet allemaal kost en inwoon geven, de mensen die rustig voor het werk van Anselm Kiefer en Jackson Pollock staan, zonder te verpinken naar rare films kijken, gamesbeelden over zich laten gaan, maar ongemakkelijk worden als ze in een zaal (zonder een film erbij) geconfronteerd worden met een kwantumbeetje onwelluidendheid. Klassieke concerten die de stilte opzoeken: gegarandeerd meer hoesters dan er op metaloptredens mensen pink en wijsvinger in de lucht gooien.

De kans is groot dat ik een hele tijd naar gehoest moet luisteren als ik ooit een uitvoering van ‘Quatuor pour la fin du temps’ van Olivier Messiaen bijwoon. In het geval van dit kwartet zijn er verzachtende omstandigheden. Hoesten op concerten komt voort uit onwennigheid, en dit stuk zit heel de tijd zéér ongemakkelijk.

De sfeer is religieus, maar heel anders religieus dan in de geheel toevallig binnengewandelde Ter Duinenkerk in Koksijde, dan op de schilderijen van Marc Chagall, en dan via de lichtinval in de film ‘The tree of life’ van Terrence Malick. ‘Quatuor pour la fin du temps’ is een verzameling zéér geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer. Dit is zware kost!

Vandaag staan stukken van ‘Quatuor pour la fin du temps’ gewoon op ‘A beginners’ guide to 20th century classical music’, maar ik leerde het lang geleden kennen via een lijstje geheimtips van Mauro Pawlowski in Humo. Het bracht mij serieus in verwarring. Het derde deel, de klarinetsolo die ‘De afgrond der vogels’ heet, legt al uit waarom. Het geruststellende deel ervan, het stuk dat het oor het best verwerkt, de trage melodie en de crescendo’s, dat is de afgrond, die van het tijdelijke leven. De chaos vol duisterder klanken komt van vogelgekwetter van hoog in de lucht. Die vogel, legt Messiaen uit, staat voor de eeuwigheid, eigenlijk het tegenovergestelde van Tijd, of het einde ervan.

Het kwartet begint acht minuten eerder, maar de ontstaansgeschiedenis – en wat voor één – begint bij deze zeven minuten klarinet, en alleen klarinet. De Afgrond Der Vogels is geschreven in de citadel van Verdun, waar Messiaen in het voorjaar van 1940 bij het Franse leger was ingelijfd en ’s ochtends moest wachtlopen. Bij zonsopgang luisterde hij naar het eerste getsjilp van de dag.

Het is dit omzeggens afgewerkte stuk dat Messiaen een tijd later laat inoefenen door bevriend klarinettist Henri Akoka, met wie hij zich in mei 1940 wekenlang op een met prikkeldraad afgespannen weide nabij Nancy bevindt. Ze slapen er onder de sterrenhemel. Ze zijn door de Duitsers gevangen genomen. Ze hebben al een hongermars achter de rug, waarbij ze constant onder schot werden gehouden. Het Franse leger is gevallen. Ook bevriend topcellist Etienne Pasquier is bij de ongelukkigen.

De gevangenen worden na een paar weken naar Stalag VIII A in het Duitse (eigenlijk Silezische) Görlitz afgevoerd. Ze zullen er, samen met 30.000 anderen, een bikkelharde winter beleven. 400 gevangenen zullen ook de live-première van dit kwartet meemaken, een droefgeestige, complexe, intrieste aangelegenheid, met hier en daar een lichtflits die klinkt als een visioen van een wereld waarin tijd inderdaad is afgeschaft, mogelijk zoals in De Openbaring van Johannes, een inspiratiebron voor de componist.
 

 
Ter verduidelijking: Olivier Messiaen is een vogelliefhebber, maar niet één die zich in de duinen verstopt met een verrekijker en een veldgids. Hij luistert naar vogels en schrijft notenbalken vol met wat hij hoort. Zijn Parijse buren moeten na de oorlog een tijdlang naast een virtuele volière hebben gewoond.
 

 
Maar we waren in 1940 en in Stalag VIII A gebleven. Het is nog geen winter. Het kwik is nog niet naar -25°C(!) gezakt. Het roggebrood komt wel al in dun gesneden plakjes, en de soep is zeer waterig. De overal kleuren horende Olivier Messiaen gaat, net als alle andere gevangenen, met grote honger slapen, maar hij droomt in felle kleurenbeelden met grote pixeldichtheid.

De muzikanten hebben al bij al geluk. Ze hebben een plaats in de barakken kunnen bemachtigen. De cellist werkt zelfs in de keuken. Hij steelt al eens een restje dat hij deelt met zijn maten. Een van zijn keukencollega’s, die betrapt wordt tijdens het stelen van een paar aardappelen, wordt omgebracht.

Het trio krijgt er een vierde man bij. Jean Le Boulaire is violist. Ook hij kent Messiaen, van in zijn Parijse conservatoriumjaren voor de oorlog.

De muzikanten zijn een pak pragmatischer en wereldser ingesteld dan Olivier Messiaen. Als er niet lang na de gevangenname gevechten uitbreken bij een waterverdeling, blijkt de componist zich te hebben teruggetrokken: men vindt hem voorovergebogen boven zijn klarinetpartituur. Als de cellist later een ontsnapping tot in de puntjes heeft voorbereid, zegt Messiaen: ‘Ik blijf. Dit is waar god me wil hebben.’

Het krijgsgevangenkampverhaal dat volgt doet van heel ver aan ‘Schindler’s list’ denken. Van heel, heel ver dan toch. Een paar van de Duitsers in dit strafkamp zijn niet de naziste nazi’s. Een melomane kampcommandant herkent de beroemde cellist. De muzikanten krijgen meer te eten dan de anderen. Hun werktaken zijn lichter. De componist wordt zelfs een tijdlang van zijn kamptaken ontheven, krijgt potlood, gom en muziekpapier en wordt in een bewaakte(!) barak afgezonderd om te werken.

Messiaen herinnert zich in die barak twee composities die hij voor de oorlog heeft geschreven, knobbelt ook de klarinetsolo verder uit en schrijft vijf nieuwe delen voor cello, piano, viool en klarinet, stukken waarin die instrumenten lang niet altijd sámen kwartetten, maar alleen dáár invallen waar de componist ze nodig acht.

Een klarinet hebben ze al. Een goedkope viool kan geregeld worden. Voor Messiaen zelf is er een naar verluidt volstrekt kapotte piano voorhanden. Er wordt door de gevangenen geld ingezameld, en met de centen trekt de cellist, begeleid door twee gewapende bewakers, naar het centrum van Görlitz om er een beschadigde cello en een strijkstok te kopen. Als hij met het instrument terugkomt, wordt hij als een popster bestormd en moet hij de hele avond alle stukken spelen die hij kent.

Maar daar is de winter, daar zijn de pakken sneeuw. Mensen sterven bij bossen. De Duitsers blijven de muzikanten hout geven om te stoken. De klarinet smelt een keer bijna weg tegen een kachel. Het kwartet repeteert in de toiletten. Dit zijn geroutineerde muzikanten, maar ze beklagen zich alle drie bij Messiaen. Het stuk bevat onhaalbare passages, is te vrij, te onregelmatig, te kronkelend, te moeilijk. De componist begint over metrum verlaten, klank vergroten, noten aanhouden tot je niet meer kunt, vliegen, vrijheid. Hij zegt: doe het oneindig langzaam, oneindig zacht. Hij verlangt extase. Hij wil de engel uit de apocalyps leven inblazen.

En dan, uiteindelijk, verandert er iets bij deze mensen, hebben ze iets onder de knie dat ze een paar maanden eerder niet kenden, en krijgen de in het kamp in Art Nouveaustijl gemaakte programmaboekjes een datum. Op 15 januari 1941 vindt een van dé bizarre comes alive-momenten uit de 20e eeuw plaats:

image

Het stuk wordt dus in Stalag VIII A voor het eerst opgevoerd, in een primitief, onverwarmd kamptheater. Er komen mensen op af die zelfs nooit naar een klassiek klinkend klassiek concert zijn geweest, en dus zeker niet vertrouwd zijn met een modern, moeilijk ding als dit kwartet. Er zijn mannen bij die vanuit de ziekenbarak worden binnengedragen, en die niét hoesten omdat ze gewoon op hun ongemak zijn, maar eerder omdat ze niet lang meer zullen leven. De rest zit dicht tegen mekaar aan gedrukt op houten banken. De Duitse kampbewakers zitten op de eerste rij. Het is een verzameling mensen van allerlei nationaliteiten over wie de diepgelovige Messiaen later zal zeggen: ‘Nooit had ik een aandachtiger publiek’.

De vier muzikanten dragen houten klompen. Buiten ligt een halve meter sneeuw. Het is berekoud en het waait. Beginnen doet het Quatuor ook in deze theaterbarak met een liturgie van kristal: ‘L’oiseau fait un peu peur, la musique aussi en fait’ is een commentaar op Youtube dat niet alles zegt, want er zijn twee vogels te horen: een merel aan de klarinet, een nachtegaal aan de viool.
 

 
De vocalise voor de engel als brenger van de openbaring zit eerst vol opgewekter vogels, die verweer bieden tegen hard pianogehamer, tot er smeltwater uit de piano druppelt en de sfeer ingetogener wordt. Het zal in 1940 nog acht jaar duren voor John Cage de prepared piano uitvindt, een instrument met schroeven, moeren, papier en gommetjes tussen de snaren. Deze van de nazi’s gekregen piano klinkt ook al kaduk.

‘Intermède’ klinkt als vogels in gevecht met een tegendraadse folkdeun van Béla Bartók, en klinkt in de context van dit kwartet luchtig.

De twee ongelooflijk mooie huil-of-ik-schiet-momenten waarvoor je dit kwartet een kans moet geven zijn ‘Louange à l’éternité de Jésus’ voor piano en cello (hier zegt Messiaens aanduiding: eerst oneindig langzaam, dan extatisch spelen) en tweelingzus ‘Louange à l’immortalité de Jésus’ voor piano en viool dat van de componist extréém langzaam én teder moet gespeeld worden tot het ook richting extase gaat. Erg ingehouden extase, moet dat zijn. Aan het slot hoor ik een piano en een viool koorddansen zonder vangnet en zonder bestemming, de wolken happen beide instrumenten uiteindelijk op.
 

 

 
Tussen die twee stukken zit nog een eerst hoekige, robuuste, krachtige en granieterige brok emotie (Messiaen had het over paarse woede), maar ook die slaat de weg in van overpeinzingen zonder eind in een stuk met het woord ‘regenboog’ in de titel. Hier klinkt Messiaen naar mijn gevoel een beetje te veel als andere 20e eeuwers uit hetzelfde genre.

Olivier Messiaen recenseerde zijn gevarieerde ‘Quatuor’ zelf: ‘Muziek die wiegt en zingt, nieuw bloed, een ontroerend gebaar, een onbekend parfum, een vogel die zonder slaap kan, muziek in glas-en-lood, een theologische regenboog, een tornooi van complementaire kleuren.’ Vooral dat laatste intrigeert: complementaire kleuren zijn ontdekt door de dichter Goethe, die in een herberg naar de rode jurk van een serveerster keek, en toen die wegliep in dezelfde richting naar een witte muur bleef staren, en exact dezelfde vorm in het groen zag verschijnen.

Ja, Messiaen hoorde in kleuren. Niet dat er bij zintuigmenging voor het publiek veel verklarends te rapen valt, want synesthesie leidt voor mensen die het hebben tot de allerindividueelste waarneming van de wereld. Concreet: ergens hoort Messiaen blauworanje lava stromen, maar hij zal wellicht de enige blijven die die blauworanje lava ooit in zijn compositie heeft gehoord.

‘Quatuor pour la fin du temps’ is diepreligieuze, maar alles behalve godvrezende muziek. Messiaen zou er achteraf over zeggen: ‘Wat ik ermee won, was dat ik tussen 30.000 gevangenen waarschijnlijk als enige geen gevangene was.’

Ik vond dit Quatuor al uitstekend lang voor ik er dankzij het boek ‘Orfeo’ van Richard Powers meer details over heb vernomen. Powers Quatuorpassage is lang en een van de hoogtepunten van het boek. Ik heb overigens geprobeerd uit die Powersvertelling niks over te schrijven, maar dat is eigenlijk eh… keihard mislukt.

Nog dit: de welwillende kampbewaker bezorgt – op gevaar voor eigen leven – de vier muzikanten papieren richting vrijheid. Cellist Etienne Pasquier verzorgt de première in Parijs, en draagt tot aan zijn dood in zijn portefeuille de programmakaart van de enige echte première van 15 januari 1941 in Stalag VIII A met zich mee. Ik zet Pasquiers Quatuorversie op Spotify, maar laat ‘em eerst horen in de kamer van een Brits grammofoonplatenverzamelaar:
 

 

 

De steen opnieuw naar beneden zien rollen

 
image
 
Nick Drake
Five leaves left
1969

 
 

Nick Drake is een man die tijdens zijn korte leven niet veel applaus krijgt. Hij trekt op een heel andere manier een wissel op de eeuwigheid.

Na een korte, totaal mislukte muzikantencarrière gaat de ontgoochelde artiest opnieuw bij zijn ouders wonen, en sterft hij in Tanworth-in-Arden na inname van te veel antidepressiva. Hoe we ons die ouderlijke villa in het kader van de niet ver van de boom vallende appel moeten voorstellen? Als moeder Molly Drake van achter de piano zong, was heel het huis vol weemoed.

Een gedicht van haar heet ‘The shell’, naar de schelp (eierdop is nog beter) waarbinnen de gezapigen ijsberen, hun benepen vreugdemomenten beleven en de donkere buitenkant ontkennen. ‘Some break the shell / … / and make a hole / and through that cruel slit / stare out across the cinders of the world / … / They look both in and out knowing themselves / and too much else beside.’
 

 

Tot waar zou Nick Drake trouwens hebben gelezen in Albert Camus’ zelfmoordessay ‘De mythe van Sisyphus’, dat aan het eind van zijn leven op zijn nachtkastje lag? Ik mag hopen verder dan de beginzin: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord’. Waarschijnlijk tot bij het al vroeg opduikende onderscheid tussen het leven dat niet de moeite loont om geleefd te worden en het leven dat geen zin heeft. Kort door de bocht samengevat: ’t is niet omdat het leven geen zin heeft dat het niet de moeite loont! Enfin, volgens Camus toch.

Heeft een van mijn favoriete akoestische gitaarmannen liggen lezen tot aan de ervaring van het absurde, die ons zomaar kan komen aanwaaien, ‘bijvoorbeeld in de draaideur van een restaurant’? Opnieuw kort door de bocht: de mens vraagt, de wereld zwijgt, en dat is het absurde. Doet me aan de Drakesong ‘Time of no reply’ denken, een outtake van de debuutplaat ‘Five leaves left’, een plaat die op 11 belandt. De wereld zwijgt in die song als vermoord: ‘The sun went down and the crowd went home / I was left by the roadside all alone / I turned to speak as they went by / But this was the time of no reply’. De filosoof Camus aanvaardt dat absurde, maar dan om vanop die plek vrij, hartstochtelijk, bewust en intens te leven en in opstand te komen.
 

 

Maar tot waar heeft Nick Drake gelezen, vroeg ik me af. Misschien tot bij Sisyphus, een koppige sterveling die wordt veroordeeld tot een oneindige straf: almaar een rotsblok de helling op duwen en de steen er opnieuw zien af rollen; hij vindt zijn last onderaan de berg altijd terug. Telkens als Sisyphus naar beneden wandelt, wordt hij zich bewust van het absurde van zijn situatie. Hij overwint het noodlot door verachting. Zijn noodlot hoort hem op de duur toe.

Laatste Camuszinnen: ‘De strijd op zichzelf is voldoende om het hart van de mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

image

Ik weet niet op welke plek Drake het boek weglegde, maar het zou kunnen dat sommige mensen het wel weten, want wat een hoop details kennen we ondertussen niet over Drakes leven, zeg: dat hij die noodlottige nacht van 24 november 1974, voor hij die overdosis antidepressiva nam, is opgestaan om cornflakes te eten, bijvoorbeeld. Het staat allemaal in de Nick Drakekrant.

De vraag is: hoeveel van die details blijven er bijkomen? X aantal jaren geleden kende ik al zijn Vier letzte Lieder van februari 1974, en dus van ná de derde plaat ‘Pink moon’. De twee meest schrijnende van die hekkensluiters zijn ‘Hanging On A Star’, mogelijk een bitter commentaar op de onderwaardering voor zijn werk (‘Why leave me hanging on a star / When you deem me so high?’) en ‘Black Eyed Dog’, over een zwartogige hond die Drake als een duivel uit een hasjdroom achtervolgt, een spookverschijning met een blaf als een gong, een dier dat hem in de laatste ronde van zijn leven bij de voornaam kende.
 

 

Wat blijkt nu? In het nieuwe millennium is ook een vijfde lied opgedoken, een ‘allerlaatste’ opname van juli 1974. Als om het raadsel nog groter te maken, is dat ‘Tow the line’ een positief verhaal en een uitstekende, evenwichtige song. Ben ik blij om. Ik bedoel: blij dat het raadsel onder de microscoop van deze tijd hier en daar onopgelost blijft.

In 2007 verscheen ook ‘Family tree’, een goudmijn van demo’s waarop vroege invloeden bijna periodiek worden gerangschikt. Een paar traditionals leveren talkin’ blues op in een Engelse villawijkvariant. Er zijn songs bij van Jackson C. Frank, wiens fingerpicking in de buurt komt van die van Drake. Een enkele keer worden Bert Jansch en Bob Dylan gecovered. Eerst Dave Van Ronks ‘If you leave me’ horen en dan Nick Drakes versie is een glimp opvangen van de grandeur die gaat komen. Drakes stem is zeer verwant aan die van moeder Molly Drake, aan wie ik u al heb voorgesteld.

‘Been smoking too long’ is van Robin Frederick, die met Drake in het zuiden van Frankrijk une belle histoire had toen ze allebei 18 waren. Zelfs de tekst ‘Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard / Elle descendait dans le midi’ uit het lied van Michel Fugain zou in hun geval op een rare manier kunnen kloppen. Frederick geeft tegenwoordig muziekles en heeft laag na laag van het Drake-universum afgepeld: ‘Hij ontdekte een nieuwe manier om akkoordprogressie met melodie te verknopen, zoals Brian Wilson ons akkoorden als pretzels leerde rollen.’ Ze redeneert mooi tot het einde door: ‘Zeggen dat het bij Nick Drake vooral om donkere romantiek gaat, is als zeggen dat het bij Brian Wilson om surfen te doen is.’ Hé, da’s eens wat anders dan Drakes graf bezoeken! Om daarna in het bos een onschuldig hertenjong te willen tegenkomen!
 

 

Eén heel belangrijke invloed vind je niet terug op de ‘Family tree’-demo’s: de song ‘Who knows where the time goes?’ van Fairport Convention. Eenzelfde zachtheid die een beetje ongerust maakt, gemaakt in hetzelfde jaar, en qua sfeer en arrangement bijna een kopie van wat eigenlijk dé Drakegeboortekaart is: de opener van dit debuut die begint met ‘Time has told me / You’re a rare, rare find’. ‘Time has told me’ is een deelverzameling vol folk, country, blues en fietsen op de heide.

De gelijkenis met de Fairportsong is er niet zonder reden: producer Joe Boyd is dezelfde, Fairports Richard Thompson speelt in de song gitaar en bassist Danny Thompson (geen familie van Richard), kwam van bij Pentangle (muzikaal wél dezelfde folkfamilie). Drake komt dus via de grote poort binnen en weet in de studio heel goed wat hij wil, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat zijn studiemakker Robert Kirby de strijkers mag arrangeren. Een van de hoogtepunten is ‘Way to blue’, alléén stem en strijkers.

Mijmering. Als Drakes debuut tijdens zijn leven half het succes was geweest van wat het postuum is geworden, had hij bij het maken van opvolger ‘Bryter layter’ veel meer zeggenschap gekregen en waren die parels soberder uitgevoerd, en als daar ook applaus en geld bij gehoord had, was de derde plaat vanzelf minder somber geworden. Denk ik weer maar eens. Ik weet dat het wishful thinking is, en dus bullshit, en toch blijf ik het denken.

Dat wil zeggen: tot ik ‘Day is done’ en ‘Three hours’ en ‘River man’ en de congas van ‘Cello song’ hoor, want dan is zelfmoordland plots weg, en zie ik een rijzige jonge man die van de campus in Cambridge naar het station stapt en die er minder als een hippie uit ziet dan de andere studenten.

Hij is op weg naar een studio in Londen en loopt over van de ambitie. Hij zal een plaat maken die zo weergaloos tijdloos is dat ze vandaag precies zo zou kunnen verschijnen. Ze zou alleen anders heten, want in pakjes Rizla zit geen geel sigarettenvloeitje meer met daarop in rode waarschuwingsletters ‘Only five leaves left’. Vandaag is het ’10 papers left’ geworden.

image

Aan de tekstkant is de song ‘Fruit tree’, waarin wordt nagedacht over beroemdheid, uitgelegd als een profetie, alsof de zanger wist dat hij tijdens zijn leven slechts een voetnoot bij een voetnoot zou blijven. De tekst is evengoed een genre waarin jonge dichters overdrijven – pakweg over het relatieve van roem – zeker als ze zich al van jongs af door de Engelse romantici laten kneden.

Aan de muziekkant blijft bij Drake de uitstraling over van iemand bij wie de hele fuckin’ wereld als water door de vingers lijkt te glijden, behalve als hij zich over zijn gitaar buigt, instrument waarover hij meer meester was dan vijf Elliott Smiths samen, en die Elliott Smith was evenmin een krabber.

Mijmering. In de Drakedocumentaire ‘A skin too few’ worden een paar mensen die Drake gekend hebben, maar mekaar niet (de enen waren zijn studiemakkers, de anderen zijn platenfirmacontacten) bij een goed glas wijn samengebracht. Ze discussiëren over de waarde van Drakes muziek. Een vriend ziet in hem een tragisch miskend genie, en een briljant tekstschrijver. De platenfirmaman relativeert met de stelling dat Drakes probleem erin bestond dat hij niet wilde optreden, omdat hij een keer het geroezemoes en het glazengerinkel – een enkele keer zelfs de dronken zeemansstemming – niet had kunnen overstemmen.

In het pluche van de grote zalen, in het voorprogramma van de folkadel van die tijd, lukte het nog, maar in de kroegen trok Drake naar het schijnt bleek weg. ‘In die tijd’, zegt de firmaman, ‘was er voor slaapkamerartiesten met ernstige podiumvrees veel minder plaats dan vandaag.’ Is genoteerd, en is waarschijnlijk waar.

Lichtpuntje: heel wat muziekhelden zijn op hun 27ste gestorven. Nick Drake is 26 geworden en is dus geen lid van de 27-club.

Zo. Nog 10 platen te gaan in Honderd. In zekere zin ’10 papers left’.
 
image
 

 

Songs of experience

 
image
 
Mark Lanegan
Field songs
2001

 

2012. De meest introverte song op Mark Lanegans hitplaat ‘Blues funeral’ heet ‘Deep dark vanishing train’. Lanegan ziet de trein verdwijnen, staat in de regen op het perron, handen op de rug. Boven alleen wat gitaargepingel en spookgeluiden uit doosjes zingt hij: ‘Lost on a violent sea / Day on endless day / I have finally freed myself / But it’s been hard to break away’.

De opener van ‘Bubblegum’ uit 2004 is ook zoiets creepy onopgesmukts: ‘When your number isn’t up’ gebruikt de metafoor van de nachtwaker die lege ruimtes controleert. Zelfs de beats klinken hier afwezig en afstandelijk. Lanegan ruikt bloed dat warm wordt. Er kruipt iets langs zijn ruggengraat naar boven, zingt hij ook. Zijn strottenhoofd is sowieso geen wilgenfluitje, en wat er in dit geval uit komt: ‘I stay close to this frozen border / so close I can hit it with a stone’. Doet aan de frozen borderline van Nico denken, aan de dood, aan een minimum aan gevoelens, aan iemand die niet meteen geneigd is om constant door het leven te What’s up-pen, aan realisme, werken, doorgaan, volgende song keihard laten rocken, en dat laatste kan Lanegan natuurlijk als de besten, evengoed naast Polly Harvey en Greg Dulli, als bij QOTSA en lang geleden bij Screaming Trees. Allemaal waar, maar vooral Lanegans blik naar binnen is mijn ding, dus is in de eerste plaats het onder de radar gebleven ‘Field songs’ van 2001 mijn ding.

Opener ‘One way street’ is een half mirakel. ‘The stars and the moon / aren’t where they’re supposed to be / but a strange electric light / it falls so close to me’ zingt Lanegan met een aan Chris Rea (jawel) verwante stem, terwijl vooral bassisten Mike Johnson (in de jaren 90 invaller bij Dinosaur Jr.) en Ben Shepherd (onlangs opnieuw aan Soundgarden begonnen) hier akoestische, elektrische en basgitaren mooier doen rondslenteren dan Boards Of Canada hun elektronica. En dan hebben we het geeneens over de piano, de meeuwengeluiden en de fluisterstemmen achter het behang gehad.
 

 
‘No easy action’ zou je gothic kunnen noemen waarin nergens iemand zijn naam in zwart en goud in de lucht schrijft. ‘When all is done and turned to dust / And insects nest inside my bones’ is niet meer dan een droog ‘Gij zijt van stof en tot stof zult gij wederkeren’. De song lijkt zich na een tijd te schamen voor zijn uptempo bijna-gezelligheid, en brokkelt uiteen in gepeins dat in ‘Miracle’ overgaat, een schor als een poolvos gezongen (en in een ijshotel opgetekende) blues. Het stuk met ‘I need someone for my plaything / So lonesome in my playground’ verraadt een intact gebleven verlangen naar een eenzaam poolvoswijfje.
 

 
‘Pill hill serenade’ is een traditionele trage, waarin Lanegans stem naar een hoger register klimt: verrassend dat dat nog lukte, na al die als toast voor de heilige geest uitgebrachte whisky’s en de ontelbare sigaretten zonder filter tussen getatoeëerde vingers.

‘Don’t forget me’ wordt een soort Screaming Trees unplugged, en doet ook denken aan de bluessong van Leadbelly die Lanegan ooit samen met Kurt Cobain heeft gecovered.

‘Kimiko’s dream house’ is vintage Lanegan aan de gemoedelijk-weemoedige kant: ‘To make matters worse, the trains are on time / We’re lost at the station, still lost in our minds’ is geen coverinterview in Poëziekrant waard, maar werkt hier prima. ’t Is een song die hij ooit samen met Jeffrey Lee Pierce schreef, hetgeen nog meer doet vermoeden dat het droomhuis van Kimiko eerder een drugs- dan een sekshuis is.

Ondertussen zijn we aan een reeks minder gemoedelijke hoogtepunten begonnen. Aan het eind van ‘Resurrection song’ hoor ik meeuwen en geweerschoten en herinneringen aan zwaar weer; denk ‘Sitting on the dock of the bay’, maar dan na een tsnumani.
 

 

In ‘Field song’ kapt een harde gitaar zich door een afvalberg weemoed. ‘Low’ is inderdaad bodeminspectie (‘If you’ve ever seen something go down / To keep in mind all of your days’), ‘Blues for D’ een instrumental die doet denken aan een lentezonnetje dat uitblijft en ‘She done too much’ bijna even kort als de zin ‘Not a thing in this world to do / except being lonely’.

Afsluiter ‘Fix’ illustreert een laatste keer hoe diep deze plaat in de grofkorrelige Amerikaanse grond is geplant, die van blues, country én folk, maar ook hoe diep Lanegan gewoontes heeft aangekweekt die zijn gezondheid schaden. Drugsplaat? Beetje of een beetje veel, naargelang wat u vooral wil horen.

‘Field songs’ brengt voor mij altijd de AB-club van 3 en 4 december 2001 in herinnering. The White Stripes speelden eerst hun songs of innocence, Mark Lanegan stond de avond erna stokstijf stil aan zijn microfoon terwijl hij zijn songs of experience voorstelde. Zijn loutere aanwezigheid deed bevriezen. Ik wist toen niet dat Lanegan in 1999 de coverplaat ‘I’ll take care of you’ had gemaakt, een veldonderzoek dat de geest van ‘Field songs’ heeft opgeroepen. Ook de song ‘Hotel’ uit 1998, waarmee de Spotifylijst onderaan begint, is familie.
 

 

Iets compleet anders. In het mini-universum van Honderd zijn we ondertussen de Top 30 binnengewandeld. Paul Verbruggen, presentator van de BRT Top 30 van 1970 tot 1980, zei ooit: ‘Of het noodzakelijk is dat de platen in een volgorde gepresenteerd worden? Voor mij hoeft het niet. Voor anderen wel! Er zijn inderdaad meer luisteraars voor een hitparade dan voor een programma met precies dezelfde platen zonder cijfervolgorde! Het competitie-element van een hitparade blijkt de stimulans te zijn.’

Ik laat mijn gedachten gaan over het competitie-element in dit project. Om Winnie de Poeh te citeren: ‘Ik probeer te denken… Maar nu ben ik het weer kwijt.’