Een grote, bruinrode traan boven het orkest

 
image
 
Arvo Pärt
Lamentate
2002

 

Over de Estse / Estische / Estlandse toondichter Arvo Pärt is de documentaire ’24 preludes for a fugue’ gemaakt: naast mekaar gerangschikte fragmenten die proberen verschillende aspecten van de kunstenaar te capteren.

Als Pärt ergens in zijn huis gaat zitten, hangt altijd en overal een orthodoxe icoon aan de muur. De man gelooft niet in numerologie, talismannen en ruimtereizen. Hij gelooft gewoon in god. That ol’ time religion is good enough for him.

Hij bidt en brandt kaarsjes. Als hij tomaten zit te eten zegt hij dat hij als kind tomaten met suiker at.

Zijn vroegste herinnering is die aan een hoek in het huis waar hij opgroeide: ‘Een kleine rode hoek, met rood behangpapier. Er kwam een straal licht uit. Het was zondag voor mij. Ik moest altijd aan zondag denken. Ik weet niet wat het betekent.’

We zien de man ook voorovergebogen boven zijn piano zitten (één keer gaat hij er zelfs met zijn hoofd op liggen) om bij het repeteren alles beter te kunnen horen.

Als kind speelde Arvo Pärt op een goedkope piano waarvan niet alle toetsen geluid maakten, dus zong hij er de ontbrekende noten bij. Of hij veranderde de hamertjes van de buitenkant naar het midden.

De piano stemmen deed hij ook zelf, maar hij had geen stemsleutel, dus gebruikte hij een tang; op de duur kreeg hij geen grip meer op de moeren.

Studeren op die piano werd steeds moeilijker en voor de jonge, eigenlijk al componerende pianist steeds oninteressanter. Hij fantaseerde er zelf dingen bij, en die dingen namen de boel over.

Pärt vertelt over een droevige dag uit zijn jeugd: ‘Mijn moeder verstond niet wat voor soort muziek ik op school leerde. Ze dacht dat ik gewoon mijn lessen oefende. Op een dag kwam ze mijn pianoleraar op straat tegen. ‘Arvo doet het niet goed’, zei hij. ‘Hij oefent amper.’ Waarop mijn moeder: ‘Wat bedoel je? Hij doet niks anders. Hij speelt de hele dag.’ Mijn leugen kwam uit. Ik werd ontmaskerd.’

image

In de ‘Lamentate’-uitvoering die in 2005 op het ECM-label werd uitgebracht zijn heel wat muzikanten van het SWR Stuttgart Symphony Orchestra lange, traag wegtikkende minuten werkloos. Alexei Lubimov speelt wél veel piano.

‘Lamentate’ klinkt soms groots aan de extraverte kant als het hoge Mahleriaanse kathedralen betreedt, maar creëert meestal bescheidener ruimte en geringer overzicht. Alles blijft – ook als de muziek losbarst – rustig en sereen.

Een hoorn, een trompet en pauken (waarop meestal zacht geroffeld wordt) zijn belangrijke personages, maar de piano heeft de hoofdrol: volgens Pärt is het de ik-figuur. Misschien valt die een beetje samen met de man zelf, die zijn dode lichaam zag toen hij overdonderd werd door Anish Kapoors ‘Marsyas’: drie gigantische van staaldraad en PVC gemaakte hoorns die een jaar lang verschillende ruimten van de Tate Gallery innamen. Van het een kwam het ander, van ‘Marsyas’ kwam ‘Lamentate’. De première vond plaats in het museum in 2003, een van de hoorns hing als een grote, bruinrode traan boven het orkest.
 
image
 
De piano draagt het stuk nergens, speelt ook geen centrale rol, is zeker geen er boven uit torenende held in dialoog of in gevecht met het orkest. Het instrument probeert samen met de andere instrumenten deemoedig puin te ruimen. Een haast onhoorbare wind waait ondertussen de hele tijd waarheen hij wil. De treiterig ingehouden, ogenschijnlijk onjuist geplaatste climax en de momenten waarop onder het orkest de bodem uit de muziek wegvalt verwarren alleen wat, maar zitten nergens echt ongemakkelijk.

Herkenbare Pärthandtekeningetjes zitten in de zeldzame strijkersclusters en in de into the wild verdwaalde maar geen mens missende piano, die slechts een paar keer aan de bekende tintinnabulistijl herinnert – omdat het Pärt op die momenten toevallig te binnen schiet dat hij als geen ander een druppende kraan kan imiteren. Ook dit reflectieve gedeelte houdt het vrij luchtig.

‘Lamentate’ is een wide open road van een compositie. Op hoeveel plekken heeft de componist hier ook niet zitten schrappen, zeg. Hoe? Door eerst met zwart potlood heelder partijen onherkenbaar te maken en er dan uitgeknipte blanco notenbalkjes over te plakken. En door daarna te zeggen: ‘Dat is beter’.

Een ander devies moet zijn geweest: ‘De toonspraak moet niet té atonaal worden’. Uitstekend, want in theorie ben ik te vinden voor de kunstenaar die eeuwen traditie wil inruilen voor een vreemd en afgelegen geluid, maar in de praktijk is mijn tolerantiemarge dikwijls kleiner. Niet hier.

Als het kind Arvo Pärt niet aan de piano zat, luisterde het naar Radio Tallinn. ’s Avonds mocht dat thuis niet van ma en pa, en dan trok Arvootje naar een plein met een paal met luidsprekers, wellicht van Sovjetmakelij. Hij cirkelde de hele avond met zijn fiets rond de muziek, ‘omdat ik dacht dat het raar zou overkomen als ik daar gewoon wat ging staan’. Hij wist toen al dat hij componist wilde worden, maar niet één zoals die op de radio.

Het uit die kinderdroom tot wasdom gekomen ‘Lamentate’ lijkt als geheel inderdaad volstrekt nergens op. Het werd in de pers met gemengde gevoelens ontvangen. ‘Disappointing in its looseness and lack of ideas, and at 37 frustrating minutes, it is a lamentable waste of time’ is het oordeel van iemand op allmusic.com. Al wie positief reageerde, deed dat óók vanuit het hart. En zo hoort het.
 

 

 

Oost-Belfast

 
image
 
Van Morrison
Astral weeks
1968

 

Dit is een lange bevalling geweest. Eén van dagen en dagen luisteren naar al wat ik van Van Morrison te pakken kon krijgen, op plaat, op cd, op Spotify, op Youtube.

Ik heb geluisterd naar meer dan 10 van de platen die na ‘Astral weeks’ komen – een paar daarvan bevatten evenveel keer de woorden ‘searching’ en ‘healing’ als er ‘whisky’ voorkomt in songs van The Pogues. Nee, ik zit niet met Van Morrisons ‘spirituele’, ‘meditatieve’ periode te lachen. Integendeel. Maar mijn conclusie is wel: ‘Moondance’, ‘St Dominic’s Preview’, ‘Veedon fleece’ en ‘No Guru, no method, no teacher’ zijn ook goeie Van Morrisonplaten, die op 343 of 732 zouden kunnen staan. ‘Astral weeks’ staat op 16. Ik ben dus een vogeltje waarvoor geldt: ‘Gij zijt gevangen / en in het kotteke ‘Astral weeks’ blijven hangen’.

Let’s briefly summarize what we know, shall we? ‘Astral weeks’ is van 1968. Van Morrison is dan 23. Hij groeit op in een rijhuis vol muziek in Belfast. Vader, die een tijd in het overzeese Detroit heeft gewerkt, draait traditionele jazz, bigbandmuziek, Chicago blues, countryblues en rhythm-and-blues. Op zaterdagavond, als de Morrisonfamilie binnenvalt bij folkvrienden om te drinken en te zingen, spant moeder de kroon. Ze zingt en speelt piano, harmonica en doedelzak.

De schok van herkenning – iets herkennen dat je nooit eerder kan gehoord hebben – komt aankloppen via Mahalia Jackson: de kleuter Van is aan de grond genageld. Het komt ook via Leadbelly, die toont wat er allemaal mogelijk is: bijvoorbeeld een folkzanger zijn die ook blues speelt, en populaire melodieën, ja zelfs kinderliedjes en cowboy- en accordeonsongs die dan al totaal uit de mode zijn. De muziek van Ray Charles klinkt later in Morrisons tienerhoofd alsof hij werkelijk een sleutel in handen krijgt: Charles zingt ook alles door elkaar, maar toont daar bovenop hoe je met een groep moet werken.

’s Mans eerste groep is een skiffle-ensemble: wasbord uit de keuken van Kwik, de Flupkebas gemaakt van een theekist, een stok en een stuk paktouw. Skifflekoning Lonnie Donegan is een grotere invloed dan Elvis: Morrison houdt wel van de energie van rock’n’roll, maar tegen de tijd dat die via Elvis langskomt, voelt het alsof hij het al beter heeft gehoord; zwarter waarschijnlijk.

Van Morrison gaat werken bij showensembles, acts die de mensen aan het dansen moeten brengen a rato van drie of meer shows per avond. Daarna is er Them, dat begint als bluesgroep, bekend wordt via ‘Gloria’ en – voor Morrison althans – totaal het verkeerde pad op wordt gestuurd: ‘Andere mensen beslisten in mijn plaats over een groep die stilaan als veevoeder begon te klinken.’

Mede onder invloed van de ‘oorspronkelijke geest’ Bob Dylan begint hij minder over jongen-ontmoet-meisje te schrijven, en meer ‘onbewust’ te componeren (Morrison, al lachend: ‘Daarna moest er nog veel aan gesleuteld worden, natuurlijk’).

Zijn eerste soloplaat ‘Blowin’ your mind’ komt uit, met een psychedelische hoes en Latininvloeden in de songs: twee dingen die bij de Ierse keikop passen als iets met tang en varken bij een origineler vergelijking. ‘Brown eyed girl’ wordt een pophit.
 
image
 
Morrison woont en werkt ondertussen in New York. Bert Berns, een in de sixties populaire songschrijver/producer die ook platenbaas van Bang records is, overlijdt aan een hartaanval. De weduwe drijft het zo ver dat ze de zoekende, waarschijnlijk af en toe met een woedeaanval kampende lastpost Morrison de schuld geeft van Berns’ dood. Hij krijgt in New York geen optredens meer vast, vlucht naar Boston, trouwt (waardoor hij in de States kan blijven) en probeert zich via optredens en nieuwe contacten uit de greep van Bang records te worstelen.

Dat laatste lukt half: op zijn volgende plaat moeten twee songs staan die hij eerder voor Bang heeft geschreven: ‘Beside you’ en ‘Madame George’ zullen op ‘Astral weeks’ heel anders en 1000 keer beter klinken. De opbrengst van de singles moet ook naar Bang gaan: uit ‘Astral weeks’ wordt géén single getrokken.

‘Astral weeks’ dus. De titelsong opent. Als hij zich in het zog van de viaducten van de droom van zijn geliefde zou wagen, zingt Van Morrison, en nog veel verder in haar gedachten zou graven, naar waar al de eigenaardigheden van het gewone leven wegvallen, naar de kern van haar ziel… Eigenlijk vraagt hij: ‘Zou je ook daar… Met mij… enzovoort?’ Laten we het erop houden dat hij het – zoals we dat in correct Vlaams zeggen – zwaar heeft zitten. Twee akoestische gitaren, contrabas, fluit, strijkers en percussie gaan indrukwekkend op en neer tot aan het fluistereinde.
 

 
Het hoogtepunt van ‘Beside you’ is de herhaling van ‘You breathe in you breathe out / you breathe in you breathe out’. Ook No en Never gaan in repeat. Morrison heeft het een paar keer gehad over de manier waarop John Lee Hooker zijn stem gebruikte: ‘Hij herhaalde en herhaalde en herhaalde dingen, maar je werd het nooit beu.’ De versie van ‘Beside you’ die hij voor Bang records maakte klinkt als een slechte ‘Like a rolling stone’ en als een matige ‘House of the rising sun’, deze remake als extase via vocalise.
 

 
‘Sweet thing’ heeft een gewoner contrabas, een perfect uitgelijnde akoestische gitaar, een ritmischer strijkje en een jazzdrummer die ergens anders naartoe wil. Het is een van drie songs met ene Anonymous op fluit: niemand die weet wie de partijen heeft ingespeeld. Dit is een lied over sterren plukken, sugar baby zeggen en wandelen en praten in tuinen, nat van de regen. In de jaren 80 schrijft Morrison ‘In the garden’, en daar regent het ook. Als Morrison een inzicht krijgt, regent het meestal. Of het regent gewoon veel in het land van herkomst, dat kan ook.

Deze plaat gaat over Belfast, en ‘Cypress avenue’ over the avenue of trees in een villawijk van de stad. Klinkt een beetje als de Robert Johnsoncover ‘Love in vain’ in de versie van de Stones, maar de Stones hebben geen staande bas, klavecimbel, fluit en viool in de aanbieding. ‘And I’m caught one more time / Up on Cyprus Avenue’: Morrison werd in de cipressenlaan naar verluidt ooit opgetild zoals hij door Mahalia Jackson ooit aan de grond werd genageld. Deze stotterblues loert vanuit een auto naar een 14-jarig schoolmeisje: ‘Wait a minute, yonder come my lady / Rainbow ribbons in her hair’.
 

 

 
‘The way young lovers do’ is iets dat naast Glenn Millers ‘In the mood’ loopt, en ernaast zit als het de toekomst van St Germains ‘Rose rouge’ voorspelt, maar niet zó ver ernaast.

Tekstfragment van het magistrale ‘Madame George’: ‘And the loves to love to love the love… Oooooo… Mmmmmmm… Say goodbye goodbye goodbye goodbye to madame Joy!’ De song maakt een zoveelste keer duidelijk dat de plaat gedragen wordt door een fantastische bassist. Lewis Merenstein is de platenfirmaman die Van Morrison de songs live hoort spelen en de jazzmuzikanten contacteert die op drie uit mekaar liggende dagen de boel opnemen. De jazzcats waren trouwens niet onder de indruk van Van The Man. ‘Kwam verlegen binnen, gaf geen hand, kroop in zijn hok, deed zijn ding.’ Morrison zelf: ‘We hebben nooit gerepeteerd. Die gasten improviseerden maar wat. Van verstandhouding en magie was er geen sprake. Het werkte alleen omdat ze heel goed konden spelen.’
 

 
Volgt: de song met ‘Step right up / Just a like a / Just a like a / Just a like a ballerina’. Morrison zingt het lied niet meer gewoon, maar dat deed Satchmo ook niet toen hij in de jaren 20 de scat uitvond.

In afsluiter ‘Slim slow slider’ gaat iemand bijna dood. Aan het eind – ik bedoel in de laatste seconden – begint geweldige jazzmuziek, die producer Lewis Merenstein onmiddellijk in de kiem smoort, ‘want het ging god weet waar naartoe, maar het had niets met deze plaat te maken’. Ook wie wil proberen er ooit een halve minuut van te kopen, is eraan voor de moeite: verdwenen, die opnamen!
 

 
Toen Jon Wilde, die in 2005 een uitstekend, ‘definitief’ interview met Van Morrison deed voor Uncut, vroeg hoe het voelt om mensen ook vandaag nog te horen zeggen dat ‘Astral weeks’ hun leven heeft veranderd, zei Van: ‘Kan best, maar ze heeft mijn fuckin’ leven niet veranderd. Ik stierf van de honger vóór ‘Astral weeks’, en ik bleef van de honger sterven ná ‘Astral weeks’. Ik heb er geen cent aan verdiend.’ Op dat interview van Jon Wilde leunt het stuk dat u nu leest trouwens even hard als ‘Astral weeks’ op de contrabas van de geweldige Richard Davis; ik had de man nog geen naam gegeven.

In 2008 speelt Van Morrison de hele plaat live. Hij probeert met een grote groep zelfs de juiste sfeer op te roepen, die volledig anders is dan die op eender welke andere Van Morrisonplaat. Er zijn platen, er zijn concerten, en er zijn concerten waarin een plaat van vroeger nog eens wordt overgedaan. Drie songs ver in ‘Astral Weeks, Live At Hollywood Bowl’ weet ik weer: categorie drie mijden.

Van Morrison is in interviews overal en altijd zijn norse zelf gebleven. Hij heeft er een song over geschreven die ‘Why must I always explain?’ heet. Fragment: ‘It’s not righteous indignation that makes me complain / It’s the fact that I always have to explain’. Uitstekende uitleg, eigenlijk.

2014-epiloog: dat van ‘overal en altijd zijn norse zelf gebleven’ klopt niet meer. Van Morrison is in Belfast gaan wonen. Hij heeft er tijdens een concert een grap(!) gemaakt: ‘Welcome to the grumpiest gig in town’. Journalisten beschrijven hem als een gelouterd(!!) man. De nukkige troubadour promoot tegenwoordig eigenhandig(!!!) een biografische wandelroute van 3,5 kilometer door Oost-Belfast, een traject dat loopt langs de plekken waarover de zanger heeft gezongen. Met de smartphone kun je onderweg op elk moment de passende muziek beluisteren. Ter hoogte van het ouderlijke Morrisonhuis on Hyndford Street zingen de smartphones wellicht dit lied:
 

 

That weren’t no dj

 
image

Aphex Twin
Selected ambient works (85-92) (1992)
Selected ambient works Volume II (1994)

 
 

Aphex Twin is Richard D. James. Voor hij beroemd en berucht werd woonde hij op het schiereiland Cornwall, in een heel klein dorpje bij de krijtrotsen. Zijn ouders werkten in een psychiatrisch ziekenhuis. Ma en pa gaven soms LSD aan patiënten. Het overschot namen ze naar verluidt mee naar huis.

Vandaag heeft Richard D. James twee kinderen. Hij woont met zijn familie in een afgelegen, klein dorpje in Schotland. Tussen zijn voorlaatste cd ‘Drukqs’ en het in 2014 uitgebrachte ‘Syro’ liggen 13 jaar, maar in die tussentijd heeft hij niet liggen niksen.

Als we D. James mogen geloven (het mag, maar het is even riskant als pakweg Bob Dylan geloven) heeft hij thuis keurig gerangschikte stapels onuitgebrachte tracks liggen: experimentele, halfdansante, fluisterzachte én moddervette composities. We krijgen slechts de topjes van al die ijsbergen te horen.

Experimenteren op een podium doet hij ook. Zo dirigeert D. James in 2011 in Polen met de afstandbediening 48 strijkers en 24 zangers via visuals. Als u denkt: de muziek klinkt als het modern klassiek van Krzysztof Penderecki, dat was de bedoeling: de Poolse componist werd in de stad Wroclaw gehuldigd.
 

 
Nog een probeersel dat veel bloed, zweet, tranen en geld heeft gekost? Ooit liet Steve Reich microfoons heen en weer slingeren boven speakers. Reslultaat: een compositie voor feedback. Richard D. James ontdekte een procédé om de feedback naar een bepaalde toonhoogte te stemmen. Toen hij genoeg toonhoogtes had gecreëerd, had hij een orkest van feedbackgeluiden bij mekaar. Hij gebruikte geen slingermicrofoons, maar wel elektronisch versterkte discobollen, waarop laserstralen werden geprojecteerd.

Noot. Hoor ik waar de feedback van toonhoogte verandert? Nee. Lach ik met dit soort experimenten? Evenmin. Ik aanvaard het zelfs als u dit soort muziek liever overslaat.
 

 

 
Wat Richard D. James nog doet? Steevast programmeren op oude samplers: van die lastige, versleten bakken. Hij ontleedt die apparaten graag, en onderweg luistert hij naar alle door de fabrikant voorgeprogrammeerde samples. Als hij oude muzikale helden op gebruik van die preset-samples betrapt wordt hij kregelig. Het grote Aphexdevies is altijd geweest: weg met presets! Alleen met zelf gevonden, liefst helemaal zelf gemaakte geluiden componeren, dat is ’s mans kernfilosofie.

Ter zake!

Er zijn twee platen van Richard D. James die zich nog meer in me nestelden dan het op 103 belande ‘I care because you do’. Het zijn ‘Selected ambient works (85-92)’ en ‘Selected ambient works Volume II’ (dat twee jaar later verscheen, in 1994). Ik zal die twee platen van hier af respectievelijk SAW 85-92 en SAW 2 noemen.

image

1. SAW 85-92

Brian Eno zou in verband met deze verzameling vroege tracks tegen Aphex Twin gezegd hebben: ‘Dit is geen ambient’. En inderdaad: in ‘Heliospan’ wordt zelfs ‘Apache’ van The Incredible Bongo Band gesampled, en de leden van The Incredible Bongo Band dragen liefst twee feestneuzen tegelijk en zijn geen familie van Brian Eno, niet als hij buitenaards spacerockt en ook niet als hij muzak voor wachtkamers maakt.

‘Ptolemy’ leunt op de sfeer van ‘Rock it’ van Herbie Hancock. Wie inscheept voor een tocht op de stoomboot-in-de-mist ‘Hedphleym’ komt eerder in een schilderij van William Turner terecht dan in ambientland. Luidsprekers in een Japans treinstation geven present in het wonderlijke ‘Tha’.

Bijna alle tracks klinken alsof ze in de eindmix geluidskwaliteitsverlies kregen door ze nog eens naar een andere cassette over te trekken.

Ik ken het onwezenlijk mooie ‘Heliospan’ als nummer 7 en het nog briljantere ‘Schottkey 7th path’ – een reis onder water in een bathyscaaf – als nummer 9. De twee tracks samen ken ik als de hoogtepunten die ik telkens opleg als ik iemand wil laten horen hoe fuckin’ geniaal dit is én blijft. Dus doe ik dat ook hier.
 

 

 
Er zat voor mij vroeger veel fantoomklank in deze cd, die ook een all-nighter in 1993 in Brixton Academy in herinnering brengt: een paar 1000 mensen stonden op deze kaduke, roteigenzinnige minisymfonieën voor muziekdoosjes en Duracellkonijn te wachten, maar mijnheer Twin vlijmde en slijpschijfde er liever meedogenlozer op los.

Het is het Gentse R&S-records dat ‘Selected ambient works (85-92)’ en een hoop vroege Aphexmaxi’s heeft uitgebracht. Zie ook ‘Klavierwerke’ van James Blake (samen een paar tracks die niet voor het echte debuut ‘James Blake’ moeten onderdoen) dat niet zo lang geleden bij datzelfde R&S uitkwam. Dat betekent dat de mannen en vrouwen van dat label alvast bij de eersten ter wereld waren die oor hadden naar twee (!) super-super-supertalenten, en dat R&S dus z’n plek in de geschiedenisboeken al lang verdiend heeft.

Of D. James zelf naar ‘SAW 85-92’ luistert?, vroeg Koen Poolman ‘em niet zo lang geleden in OOR. Het antwoord: ‘Heel veel. Maar niet naar de plaatversie die jullie kennen. In mijn computer staan alle tracks in de chronologische volgorde van opname opgeslagen. Mijn eigen muziek is altijd mijn favoriete muziek geweest. Het is een soort dagboek waarin ik kan terugblikken op mijn jeugd. Ik zou niet zonder die tracks kunnen.’

 
image
 

2. SAW 2

Toen ‘SAW2’ uitkwam begreep ik er geen snars van. De eerste percussie valt na een half uur, in track 5. Die track heet gewoon 5. Die ervoor heet 4. Die erna 6. Alleen de track ‘Blue calx’ heeft een naam.

Er hoort een nerd-verhaal uit de begindagen van internet bij ‘SAW2′. Op grond van de wazige micromacro-foto’s op de hoes (die naar cirkeldiagrammen verwezen op het vinyl zelf; taartstukken waarvan de grootte overeenstemde met de lengte van de tracks) gaven fans op internetfora elke track een naam. Makkelijkst herkenbaar zijn ‘Domino’, ‘Tree’, ‘Curtains’ en ‘Radiator’. Nog steeds geen idee welke foto bij ‘Weathered stone’, ‘Hexagon’ en ‘Window sill’ hoort.

image

‘SAW 2’ is eigenlijk een micromacro-ervaring: het gaat hier ruim twee uur lang van zeer weids naar zeer claustrofobisch. Ik ken Brian Eno’s mening over deze plaat niet, maar als hij vindt dat een paar tracks heel goed hun best doen om de stijl van zijn eigen ‘Apollo’-plaat na te bootsen ga ik ‘em geen ongelijk geven. ‘SAW 2’ doet ook aan ‘Twin peaks’ denken, en soms aan ‘The shining’. Ik voel dikwijls de drang opkomen om Mark Rothkoschilderijen te googlen, maar ik ben te dom om uit te leggen waarom.
 

 

 

Aphexecho’s weergalmen tegenwoordig overal. Eén sondtrackvoorbeeld uit de duizend: zijn track ‘Jynweythek’ waart in Sophia Coppola’s ‘Marie Antoinette’ door de gangen van het Paleis van Versailles.

Er zijn ook de Youtubecovers van de London Sinfonietta en Alarm Will Sound: klassieke ensembles die meticuleus Aphextracks van de partituren aflezen. Iemand moet dan ook ergens Pretty good, yeah roepen, omdat die onzin ooit in een elektronisch miniatuurtje is gekropen.

Bovenal zijn er de honderden solopianisten en -gitaristen die van Richard D. James én een eenmansVelvetUnderground én zowat de bekendste moderne, zogenaamd ernstige componist van deze tijd aan het maken zijn. Terecht!

In 2014 is Aphex Twin dus de retour met ‘Syro’. Richard D. James is er een tijdlang in geslaagd me onderweg naar en van het werk naar een magnifieke plaat te doen luisteren: soms een upgrade van Detroit techno, een enkele keer worden de wortels van drum and bass nog eens blootgelegd. Er wordt eigenlijk heel de tijd haasje-over gespeeld tussen al mijn favoriete Aphexen. De weelderige productie doet – na al die kraakpanden en caravans waar Aphex vroeger in woonde – denken aan een comfortabele passiefwoning.

‘Syro’-afsluiter ‘Aisatsana’ reken ik tot zijn beste composities. Hieronder beelden van de ‘Aisatsana’-première in 2012 in Londen. De trage ritmes lijken op die van Erik Satie, de piano zit op een schommel en na 45 seconden houdt de rookmachine er eindelijk mee op andere geluiden te overstemmen:
 

 
Eén keer heb ik Richard D. James geïnterviewd, in 1992, in het American Hotel in Amsterdam. Toen we uit de lift stapten, keken we uit op een lange gang. D. James wees naar de patronen van de hoteltapijten. ‘The shining’, zei hij. We zijn geen spokende meisjestweeling tegengekomen. ’s Mans hotelkamer was ook geen REDRUM. Maar de toon was wel gezet.

In 2014 lees ik het zéér goeie Aphexinterview dat Koen Poolman voor OOR deed: ‘Het draait allemaal om concentratie. Ken je die scene in ‘The shining’ waarin Jack Nicholson zit te typen en zijn vrouw komt binnen? Dat ben ik. Als ik ergens mee bezig ben en ik word gestoord, dan zie ik altijd die scene voor me. You’re distracting me! Dan wil ik een bijl pakken en erop los hakken.’

Verbaast me niks. Ik herinner me een cd-cover uit 1996.
 
image
 
Trouwens! Hoe het technisch precies in z’n werk is gegaan weet ik niet, maar beide ambientselecties en ál mijn andere Aphexfavorieten werden door de immer zijn tijd lichtjaren vooruit zijnde David Bowie al in 1972(!) gerecenseerd in de song ‘Starman’: ‘That weren’t no dj, that was hazy cosmic jive’.