Het engelenhuis

 
image
 
Gustav Mahler
Kindertotenlieder
1901-1905

 

Gustav Mahlers beste single zou ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ kunnen zijn, uit een ep met vijf Rückertliederen. ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ gaat over iemand die al zó lang niks van zich laat horen dat de wereld zou kunnen denken: die man is uitgezongen, misschien zelfs gestorven. De wereld is natuurlijk het wereldse leven, voor toondichter Mahler een misleiding die moet worden overwonnen. Hij gebruikt een tekst van Friedrich Rückert, die pakweg een halve eeuw voor de componist op een gelijkaardige world shut your mouth-achtige wijze alleen leefde, in zíjn hemel, in zíjn liefde en in zíjn lied.
 

 
Mahlers mooiste verzameling songs heet ‘Kindertotenlieder’, liederen die in het prille begin van de 20e eeuw werden geschreven en dus alleen bij wijze van spreken een mini-lp van vijf stuks vormen. Alles opnieuw op tekst van Friedrich Rückert. Uit de ‘Kindertotenlieder’ mag je wel geen single trekken.

Kindertotenlieder! Denk ‘Atmosphere’ van Joy Division. Denk de meest donkere, deprimerende of melancholische film die u ooit zag. Neem een stuk tekst uit het ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’-lied in u op (bijvoorbeeld: ‘Ich bin gestorben dem Weltgetümmel / Und ruh’ in einem stillen Gebiet!’). Schuif er het via de film ‘Death in Venice’ zeer beroemd geworden adagietto uit Mahlers 5e symfonie onder, een compositie uit dezelfde periode waarvoor geldt: Mahler samplet Mahler. En hoe! Ook dit adagietto wil tot rust komen in een stil gebied. Bezoek nu op het kerkhof om de hoek de kleinste grafzerkjes. U bent mogelijk nog steeds niet klaar voor ‘Kindertotenlieder’, het strafste en schrijnendste mij bekende kunstwerk over wat sowieso de ergste vorm van rouw moet zijn: die na de dood van een eigen kind.

Heeft Mahler met de Kindertotenlieder de dood van zijn eigen dochter voorvoeld, vroegen mensen zich af, of nog erger: heeft hij die ellende over zich afgeroepen? Kom nu, zeg!

Tekstschrijver Friedrich Rückert (1788-1866) verloor eerst twee kinderen: in een tijdspanne van twee weken overleden ze allebei aan roodvonk. Meer dan 400 gedichten kwamen uit zijn pen, a rato van 2 à 3 per dag. Rückert heeft ze tijdens zijn leven nooit gepubliceeerd.

Toen Mahler in 1901 was ingestort van uitputting (en bijna was gestorven), lagen de Rückertgedichten op het nachttafeltje naast zijn herstelbed. Mahlers jeugd was de hele tijd een verlies van broers en zussen geweest: zeven van de dertien kinderen waren voor hun tweede verjaardag gestorven. Zijn lievelingsbroer overleed als jonge tiener. In 1902 moest Mahler ook de zelfmoord van een andere broer meemaken. De Rückertgedichten sneden door Mahlers merg en been. Liederen begonnen zich te vormen, drie werden in 1901 geschreven, twee verstopten zich in zijn hoofd en kwamen er in 1904 uit.

Eenmaal hersteld trouwde Mahler ondertussen met de piepjonge Alma Schindler. Ze kregen twee kinderen. Toen Mahler zich in 1904 opnieuw over de liederen boog, was zijn jonge vrouw geschokt door zoveel tarting van het noodlot. En ja, een dochter overleed. De feiten hebben dus hun rechten: Mahler was eerst lange tijd obsessief met deze liederen bezig, en na voltooiing stierf inderdaad een van zijn kinderen.

Zeer belangrijk detail: het rouwperspectief is in de orkestliederen dat van de vader. Wellicht wil ik daarom een man horen zingen. Mag Matthias Goerne zijn, Dietrich Fischer-Dieskau of Thomas Hampson… maakt me weinig uit.

Kom ook niet met pianobegeleiding alleen langs. Ik wil opener ‘Nun will die Sonn’ so Hell aufgehen’ aftastend horen beginnen via hobo en hoorn, ik wil blazers en strijkers horen afwisselen, samenvallen, uiteengaan en verdwalen, ik moet om de twee lang uitgerekte versregels de subtiele horror van die paar tikjes op het glockenspiel horen, mogelijk de nagalm van een engeltje.

De tekst van ‘Nun will’ is er één van vier keer hellig licht naast vier keer aardedonker: 1. De zon schijnt ’s ochtends voor iedereen, als was er ’s nachts geen ongeluk gebeurd. 2. Het ongeluk is particulier, de zon niet. 3. ‘Je moet de nacht niet in jezelf opsluiten, maar haar integendeel in eeuwig licht onderdompelen’. 4. ‘Een lampje ging uit in mijn tent. Blijft over: het vreugdelicht van de wereld.’

Tot daar de tekst. Een eigenaardig contrast: in het begin is de zanger het wanhopigst in het lichtgedeelte. Na strofe 2 wordt duidelijk: tekst en muziek verwijderen zich van mekaar, zijn mekaars schaduwen, tegengestelden, ja zelfs vijanden. De dood belooft licht omdat het leven al donker is. Na strofe 3 neemt het orkest over omdat de ontreddering zo beter wordt uitgedrukt. Het slot van ‘Nun wil’ vat ik het liefst via één zin uit het in 2014 verschenen prachtboek ‘Orfeo’ van Richard Powers: ‘Als het instrumentale tussenspel de derde keer terugkomt, raakt het lied de weg kwijt en begint de 20e eeuw.’
 

 
Na die korte Ausbrechung lijkt de eerste rok van de ui der aanvaarding afgepeld. Maar dat lijkt alleen zo. ‘Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen’ zit vol herinneringen aan donkere vlammen van nog levende kinderogen, die toen al een verhaal wilden vertellen. Klinkt vrij traag, vrij schrijnend, vrij moedeloos, lijkt een beetje op het beroemde, slepende Mahleradagietto. Maar wat moet je anders met zo’n noodlotonderwerp? De in gedachten verzonken vader allerlei kanten opsturen?
 

 
‘Wenn dein Mütterlein’ is trouwens een andere kant. ‘Als je moeder in de deuropening staat’, gaat de tekst, ‘en ik mijn hoofd draai om haar te bekijken, gaat mijn eerste blik niet naar haar gezicht, maar naar de drempel, waar altijd jouw lief klein gezichtje verscheen.’ De muziek? Een hobo maakt Bachkringetjes, andere blazers vallen in, strijkers worden pizzicato gespeeld, pas aan het eind komt alles een beetje samen, maar alleen in de lage registers.
 

 
In Lied 4 spelen zoeter klinkende strijkers een hoofdrol. Een walsje is niet veraf. De tekst is er één van totale ontkenning: ‘Oft denk’ ich sie sind nur ausgegangen / Bald werden sie wieder nach Hause gelangen / Der Tag ist schön! O, sei nicht bang / Sie machen nur einen weiten gang’. De muziek gaat enthousiast door. De vader is een beetje gek aan het worden via zijn visioen van een mooie dag en via zijn ‘slechts een wandelingetje makende’ kinderen. Hij lijkt ver verwijderd van een begin van aanvaarding.
 

 
En dat terwijl we in tijdnood raken, want ‘In diesem Wetter, in diesem Braus’ is de afsluiter. Een minikakofonie verbeeldt een storm, die niet meer af en toe door een paar blazers en hier en daar antwoordende strijkers wordt getoonzet, maar waarin voor het eerst een heel symfonie-orkest de borstkas ophoogt: ‘Bij zulk een weer, bij zulk een storm / zou ik de kinderen nooit naar buiten hebben gestuurd’, zingt de bariton, ook op dreef. Dit is bijna een Wagner-Walkürenrit, één waarin de zanger plots ontdekt dat hij zich om deze storm en om de eventueel erin verzeild geraakte kinderen geen zorgen meer hoeft te maken. Want! Ze! Zijn! Gewoon! Dood!! De storm gaat nu liggen, het spooky glockenspiel van het Lied 1 is terug van weggeweest, bastonen nemen over boven een godgezonden tekst: ‘Von keinem Sturm erschrecket / Von Gottes Hand bedecket / Sie ruh’n, sie ruh’n / Wie als in der Mutter Haus’. Een hoorn brengt nog een laatste groet, een cello steelt een liefdesboodschap uit de finale van Mahlers eigen 3e symfonie, en zelfs de fade out is indrukwekkend.
 

 
Dus het inzicht komt plots, een soort van eeuwig leven is de troostbrenger, het verdriet neemt af, het engelenhuis is op de valreep gebouwd en de wereld vergaat een beetje minder dan drie minuten ervoor. De vraag is niet: ‘Kunnen we dit leed vandaag nog op deze manier verwerken?’ De vraag is: ‘Hoé anders?’

Er zijn mensen die beweren dat deze muziek afkomstig is van een kamerorkest, en inderdaad: het grote, volle geluid van de symfonie is hier amper te horen. Symfonie, roepen anderen, als wilden ze een tegensprekelijk debat organiseren, en dat klopt ook, want de ontreddering en de aanvaarding aan het eind van Lied 1 duiken pas aan het eind weer op als thema, het moment ook van de terugkeer van de glockenspiel, hier scherp als een naald geschikt voor beenmergpunctie. Requiem, wordt ook in de groep gegooid, en spreek dát eens tegen.

‘Kindertotenlieder’ is dus een drielandenpunt. Voor mij staan er in dat grensgebied ook wegwijzers naar symfonieën van Mahler van later; de 9e is hier tegenwoordig de meest gedraaide. Ik neem aan dat het verkeer ook vlot verloopt naar de periode voor deze Lieder, want ook daar moet ik een en ander inhalen.

Ook het samen met de 9e in Mahlers laatste levensjaren gecomponeerde ‘Das Lied von der Erde’ staat in de verte te glimmen. Kwam na de dood van Mahlers kind, na een hartaanval, na een confrontatie met het grote niets. ‘Das Lied’ is een meditatie die wijdlopig ingaat op allerlei in Azië bijeengesprokkelde details: geplukte Lotusbloemen, een aap die danst op een graf, de als jadepoeder uitgestrooide rijp op de grassprieten, de naar het paviljoen leidende boogbrug die na een paar bekers wijn omgekeerd in het water begint te staan. Bij het afscheid legt de hoofdpersoon zich neer bij de eeuwige wederkeer der dingen.

‘Das Lied’ is veel ineens: een verslag van de laatste winter voor de dood, een trip doorheen symboliek van een ander continent, een fragment binnen de grote geschiedenis van de filosofie en een rode loper richting veel meer 20e-eeuwse toontaal.

Ik ben, maar dat vermoedde u al, een Gustav Mahlerliefhebber in opbouw.
 

 

De lang opgegeven feniksvogel

 
image
 
Portishead
Third
2008

 

De writer’s block en Portishead, ze kennen mekaar al héél lang, om precies te zijn van in de jaren 1994-1997, periode tussen debuut ‘Dummy’ en opvolger ‘Portishead’.

De groep vergist zich in die dagen in Geoff Barrow. Normaal brengt iedereen maar wat aan, en bepaalt hij de lijn. Maar bij het maken van de tweede plaat hakt hij geen pad in de jungle. Hij stuurt integendeel eerst demo’s naar zangeres Beth Gibbons, maar voor ze in haar bus vallen, heeft hij haar al opgebeld met de boodschap dat het niet de moeite loont om op dié backing tracks aan de melodieën te beginnen werken. Alles wat ze op hun debuut hebben gedaan – samples van Isaac Hayes en een theremin invlechten – is taboe voor Barrow.

Commentaar van Adrian Utley (ook iemand van het Portisheadkernkabinet): ‘Het werd absurd. Ik begon me af te vragen of we Beth wel opnieuw mochten laten zingen. Ik bedoel: had zij ‘Dummy’ al niet vol gezongen?’

Barrow zit muurvast en beseft eerst niet dat hij iedereen meesleurt in de malaise. Twee voorbeelden van de omleiding die de groep moet nemen om de uitgang te vinden: 1. het begint pas opnieuw te vlotten als ze hun improvisaties op vinyl persen en dáárvan beginnen te samplen; 2. pas als Barrow de door een groot orkest opgenomen strijkers op een goedkope cassette overtrekt heeft de groep eindelijk z’n tweedehandsklank terug.

In de periode 1998-2008 moet het allemaal nóg erger geweest zijn. Pas na 10 jaar smeulende asse vliegt eindelijk de lang opgegeven feniksvogel uit. Hij heet ‘Third’. Als dat meesterwerk in de lente komt aanbellen, ben ik enigszins van m’n melk. Ik stuur de paar tracks met een zéér scherpe rand (‘Silence’, ‘Machine gun’, de sfeer van Vikingen die opnieuw binnenvallen in de outro van ‘Threads’) naar een vriend die z’n biertjes in de woonkamer wel eens drinkt met snerpende dubstep (en veel erger) in de oren, en ik krijg uitgerekend van hem een mail terug met: ‘Gooi uw gordijnen open, zwartzak. De zon schijnt.’ Ik denk eerst ‘Oei’ en dan: ‘Dat Geoff Barrow op beide oren slape: niémand zal Portishead nog afdoen als de ideale achtergrondmuziek voor trendy wine bars.’

De plaat opent met Esteja alerta para a regra dos três / O que você dá retornará para você’: Portugees over goeie dingen die in drie komen, maar dat ik niet helemaal beheers. ‘Silence’ is naar Portisheadnormen zéér uptempo en een mierenhoop van piepende dansdingen op gitaar, piano en viool, en laat meteen de hoogdringendheid horen die opzet als iemand veel te lang niks van zich heeft laten horen. Ik kom uit bij ‘je kiekenvel zien dansen als James Brown’. Vanaf 2’12” – moment waarop Beth Gibbons begint te zingen als de muziek onder haar wegvalt – houdt de verbijstering aan tot de track zéér abrupt stilvalt.
 

 
Het enige moment dat in de buurt komt van de vroege Portisheadjaren is het begin van ‘Plastic’; al snel doen zeer kortgeknipte percussie en een heuse helikopter de song ook op de planeet ‘Third’ belanden.

Ik hoorde van bij de eerste beluistering dat het water tussen ‘Dummy’ (Isaac Hayes, scratching en film noir) en ‘Third’ (veel folk, nog veel meer industrial, Kraftwerk, Can en Joy Division) diep is en altijd diep zal blijven, maar vandaag komt er via een simpel track by track-interview met Geoff Barrow en Adrian Utley een dimensie bij.

‘Hunter’, leer ik bijvoorbeeld, is een psychedelisch folkdeuntje waarvan de groep jarenlang niet heeft geweten waar het naartoe moest. Er zit tussen 1’26” en 1’40” een Steve Reicherig orgeltje. 2’23”: een zeer ongepaste, van een scheet een donderslag makende gitaar. Aan het eind: een beat die je niet hoort komen, en die weg is voor je er erg in hebt.
 

 
Over ‘Nylon smile’ zegt de groep dat het een ode aan New Yorks straatpercussionist Moondog is. Ik kan sinds ik dat weet niet veel meer dan ‘Inderdaad’ terugzeggen.

‘The rip’ verandert halfweg (als Gibbons’ oooooowwww-uitgang van ‘follow’ lang wordt aangehouden) van een hemelse akoestische gitaarsong in iets waarvan ik denk: als ik hier niet ‘Can, maar veel mooier’ mag zeggen, mag ik het ter hoogte van ‘Third’ nergens doen. ‘Funny little arpeggiated keyboard part on the end’, zegt de groep laconiek. Zouden het trouwens deze wat ongemakkelijk zittende ‘grappige arpeggiootjes’ zijn die van ‘Third’ (dat nochtans tot nummer 2 geraakte in de Vlaamse Ultratop) het soort muziek maakt waarover Public Enemy ooit rapte: ‘In the daytime radio’s scared of me?’
 

 
‘We carry on’ kennelijk beïnvloed door sixtieselektronikagroepje Silver Apples? Nooit van gehoord, dus even inzoomen. 1. Het klopt. 2. Shame on me! Vanaf 1’44” hoor ik Joy Division in crappy gitaar en Nationaalsocialistisch trommeltje, vanaf 2’30” hoor ik via echo’s van ‘Ceremony’ New Order zelfs de draad weer opnemen, maar het schijnt niet de bedoeling geweest te zijn.
 

 
Sirene kan zowel machine voor luchtalarm als halfgodin betekenen, en ze geven allebei present in ‘Machine gun’, dat ook een Stalinorgel bij zich heeft, en een drumgeluid dat echt (ik bedoel echt ‘echt’) boem tsjak zegt, waarna het openklapt en vertraagt zoals ik nog nooit drums van klankkleur heb horen verschieten. De track komt op het einde een beetje op z’n poten terecht via een ode aan John Carpenterhorror in de synthesizer.

‘Small’ is een composiet: ‘Our own weird Deep Purple prog type jam’. Ik ruil al mijn ‘Child in time’-herinneringen met plezier om voor dit ene progrockprentje dat ik nog niet heb.

‘Magic doors’ begint met oorsuizingen en een honkytonkende koeienbel terwijl Beth Gibbons nóg meer krassen toont op een al flink geruïneerde ziel. Barrow en Utley zien het gebeuren en zijn niet onder de indruk (‘Klinkt dit niet te normaal?’), en zonderen iemand af met een sax en met de opdracht Get ur freak on. Resultaat: een wow op 2’19”.
 

 
Afsluiter ‘Threads’ is sowieso misselijk makend perfect, maar mondt ook uit in het hardste stuk van de plaat: Gibbons die eerst boven steeds sneller pingpongend geluid de metertjes in het rood zingt (denk een overstuurde Grace Slick van Jefferson Airplane) en daarna ook zelf moet vluchten voor de Waanzinnige Hoornblazers Van De Dreigende Ondergang. In de hitparade van indrukwekkendste eindsprints zou Portishead in mijn top 10 belanden.

Is dit het juiste moment om het over het overgeslagen ukeleleminiatuurtje ‘Deep water’ te hebben? Oké dan. Is gepikt uit de film ‘The jerk’ van en met de volstrekt onnozele Steve Martin. Op het strand speelt Martin banjo en zingt hij: ‘My darling I know with the dawn / That you will be gone / But tonight you belong to me’. De vrouw die geadresseerd wordt begint plots trompet te spelen. Als ze stopt zegt Martin, terwijl een veelbelovende romantische golfslag hem tot achtergrond dient: ‘I had the craziest fantasy that I could float right through the end of this cornet, through these valves, right along this tube, come right up against your lips and give you a kiss.’ Waarop de vrouw: ‘Why didn’t you?’ Martin weer: ‘I didn’t wanna get spit on me.’ Dus daar kijken die van Portishead ook naar. Oef, ’t zijn gewoon mensen met mensenwensen.

Mijn ode aan het radicaal z’n tijd nemende Portishead is dat ik de groep in 2013 voor het eerst in 15 jaar live meemaak. Natuurlijk vlakt ook bij hen een liveoptreden de breuklijnen tussen de verschillende platen enigszins af. Halfweg denk ik ook: ha, een nieuwe song, één waarin Donna Summerdisco zich in het ondertussen overbekende Kraftwerk-Joy Divisionuniversum begeeft, maar ‘Chase the tear’ blijkt een tussendoortje van 2009 dat ik heb overgeslagen. Uitstekend concert trouwens! Maar op nieuwe songs moeten we wellicht opnieuw een decennium wachten.

Ach wat!
 

 

 

Zeer geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer

 
image
 
Olivier Messiaen
Quatuor pour la fin du temps
1940

 
 

Op de cover van de Philips Digital Classics-uitgave van Arnold Schönbergs ‘Verklärte Nacht’ staat het schilderij ‘Umarmung’ van Egon Schiele. Geen kunstliefhebber die nog in de war raakt van Schieles rauwe naakten. Ze zijn al lang geen hier-en-nukunst meer, dit is erfgoed geworden moderne kunst, en ’t zou erg zijn als het anders was, want ‘Umarmung’ is bijna een eeuw oud.

‘Verklärte Nacht’ blaast – in de oorspronkelijke versie voor strijksextet – dit jaar 115 kaarsjes uit, is van voor Schönbergs atonale periode, is met orkest erbij bloedmooi, lijkt op iets ingehoudens van Weense tijdgenoten, ja zelfs van traditioneler voorgangers, is veel, veel braver dan Schieles naakten, en toch wil ik ze niet allemaal kost en inwoon geven, de mensen die rustig voor het werk van Anselm Kiefer en Jackson Pollock staan, zonder te verpinken naar rare films kijken, gamesbeelden over zich laten gaan, maar ongemakkelijk worden als ze in een zaal (zonder een film erbij) geconfronteerd worden met een kwantumbeetje onwelluidendheid. Klassieke concerten die de stilte opzoeken: gegarandeerd meer hoesters dan er op metaloptredens mensen pink en wijsvinger in de lucht gooien.

De kans is groot dat ik een hele tijd naar gehoest moet luisteren als ik ooit een uitvoering van ‘Quatuor pour la fin du temps’ van Olivier Messiaen bijwoon. In het geval van dit kwartet zijn er verzachtende omstandigheden. Hoesten op concerten komt voort uit onwennigheid, en dit stuk zit heel de tijd zéér ongemakkelijk.

De sfeer is religieus, maar heel anders religieus dan in de geheel toevallig binnengewandelde Ter Duinenkerk in Koksijde, dan op de schilderijen van Marc Chagall, en dan via de lichtinval in de film ‘The tree of life’ van Terrence Malick. ‘Quatuor pour la fin du temps’ is een verzameling zéér geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer. Dit is zware kost!

Vandaag staan stukken van ‘Quatuor pour la fin du temps’ gewoon op ‘A beginners’ guide to 20th century classical music’, maar ik leerde het lang geleden kennen via een lijstje geheimtips van Mauro Pawlowski in Humo. Het bracht mij serieus in verwarring. Het derde deel, de klarinetsolo die ‘De afgrond der vogels’ heet, legt al uit waarom. Het geruststellende deel ervan, het stuk dat het oor het best verwerkt, de trage melodie en de crescendo’s, dat is de afgrond, die van het tijdelijke leven. De chaos vol duisterder klanken komt van vogelgekwetter van hoog in de lucht. Die vogel, legt Messiaen uit, staat voor de eeuwigheid, eigenlijk het tegenovergestelde van Tijd, of het einde ervan.

Het kwartet begint acht minuten eerder, maar de ontstaansgeschiedenis – en wat voor één – begint bij deze zeven minuten klarinet, en alleen klarinet. De Afgrond Der Vogels is geschreven in de citadel van Verdun, waar Messiaen in het voorjaar van 1940 bij het Franse leger was ingelijfd en ’s ochtends moest wachtlopen. Bij zonsopgang luisterde hij naar het eerste getsjilp van de dag.

Het is dit omzeggens afgewerkte stuk dat Messiaen een tijd later laat inoefenen door bevriend klarinettist Henri Akoka, met wie hij zich in mei 1940 wekenlang op een met prikkeldraad afgespannen weide nabij Nancy bevindt. Ze slapen er onder de sterrenhemel. Ze zijn door de Duitsers gevangen genomen. Ze hebben al een hongermars achter de rug, waarbij ze constant onder schot werden gehouden. Het Franse leger is gevallen. Ook bevriend topcellist Etienne Pasquier is bij de ongelukkigen.

De gevangenen worden na een paar weken naar Stalag VIII A in het Duitse (eigenlijk Silezische) Görlitz afgevoerd. Ze zullen er, samen met 30.000 anderen, een bikkelharde winter beleven. 400 gevangenen zullen ook de live-première van dit kwartet meemaken, een droefgeestige, complexe, intrieste aangelegenheid, met hier en daar een lichtflits die klinkt als een visioen van een wereld waarin tijd inderdaad is afgeschaft, mogelijk zoals in De Openbaring van Johannes, een inspiratiebron voor de componist.
 

 
Ter verduidelijking: Olivier Messiaen is een vogelliefhebber, maar niet één die zich in de duinen verstopt met een verrekijker en een veldgids. Hij luistert naar vogels en schrijft notenbalken vol met wat hij hoort. Zijn Parijse buren moeten na de oorlog een tijdlang naast een virtuele volière hebben gewoond.
 

 
Maar we waren in 1940 en in Stalag VIII A gebleven. Het is nog geen winter. Het kwik is nog niet naar -25°C(!) gezakt. Het roggebrood komt wel al in dun gesneden plakjes, en de soep is zeer waterig. De overal kleuren horende Olivier Messiaen gaat, net als alle andere gevangenen, met grote honger slapen, maar hij droomt in felle kleurenbeelden met grote pixeldichtheid.

De muzikanten hebben al bij al geluk. Ze hebben een plaats in de barakken kunnen bemachtigen. De cellist werkt zelfs in de keuken. Hij steelt al eens een restje dat hij deelt met zijn maten. Een van zijn keukencollega’s, die betrapt wordt tijdens het stelen van een paar aardappelen, wordt omgebracht.

Het trio krijgt er een vierde man bij. Jean Le Boulaire is violist. Ook hij kent Messiaen, van in zijn Parijse conservatoriumjaren voor de oorlog.

De muzikanten zijn een pak pragmatischer en wereldser ingesteld dan Olivier Messiaen. Als er niet lang na de gevangenname gevechten uitbreken bij een waterverdeling, blijkt de componist zich te hebben teruggetrokken: men vindt hem voorovergebogen boven zijn klarinetpartituur. Als de cellist later een ontsnapping tot in de puntjes heeft voorbereid, zegt Messiaen: ‘Ik blijf. Dit is waar god me wil hebben.’

Het krijgsgevangenkampverhaal dat volgt doet van heel ver aan ‘Schindler’s list’ denken. Van heel, heel ver dan toch. Een paar van de Duitsers in dit strafkamp zijn niet de naziste nazi’s. Een melomane kampcommandant herkent de beroemde cellist. De muzikanten krijgen meer te eten dan de anderen. Hun werktaken zijn lichter. De componist wordt zelfs een tijdlang van zijn kamptaken ontheven, krijgt potlood, gom en muziekpapier en wordt in een bewaakte(!) barak afgezonderd om te werken.

Messiaen herinnert zich in die barak twee composities die hij voor de oorlog heeft geschreven, knobbelt ook de klarinetsolo verder uit en schrijft vijf nieuwe delen voor cello, piano, viool en klarinet, stukken waarin die instrumenten lang niet altijd sámen kwartetten, maar alleen dáár invallen waar de componist ze nodig acht.

Een klarinet hebben ze al. Een goedkope viool kan geregeld worden. Voor Messiaen zelf is er een naar verluidt volstrekt kapotte piano voorhanden. Er wordt door de gevangenen geld ingezameld, en met de centen trekt de cellist, begeleid door twee gewapende bewakers, naar het centrum van Görlitz om er een beschadigde cello en een strijkstok te kopen. Als hij met het instrument terugkomt, wordt hij als een popster bestormd en moet hij de hele avond alle stukken spelen die hij kent.

Maar daar is de winter, daar zijn de pakken sneeuw. Mensen sterven bij bossen. De Duitsers blijven de muzikanten hout geven om te stoken. De klarinet smelt een keer bijna weg tegen een kachel. Het kwartet repeteert in de toiletten. Dit zijn geroutineerde muzikanten, maar ze beklagen zich alle drie bij Messiaen. Het stuk bevat onhaalbare passages, is te vrij, te onregelmatig, te kronkelend, te moeilijk. De componist begint over metrum verlaten, klank vergroten, noten aanhouden tot je niet meer kunt, vliegen, vrijheid. Hij zegt: doe het oneindig langzaam, oneindig zacht. Hij verlangt extase. Hij wil de engel uit de apocalyps leven inblazen.

En dan, uiteindelijk, verandert er iets bij deze mensen, hebben ze iets onder de knie dat ze een paar maanden eerder niet kenden, en krijgen de in het kamp in Art Nouveaustijl gemaakte programmaboekjes een datum. Op 15 januari 1941 vindt een van dé bizarre comes alive-momenten uit de 20e eeuw plaats:

image

Het stuk wordt dus in Stalag VIII A voor het eerst opgevoerd, in een primitief, onverwarmd kamptheater. Er komen mensen op af die zelfs nooit naar een klassiek klinkend klassiek concert zijn geweest, en dus zeker niet vertrouwd zijn met een modern, moeilijk ding als dit kwartet. Er zijn mannen bij die vanuit de ziekenbarak worden binnengedragen, en die niét hoesten omdat ze gewoon op hun ongemak zijn, maar eerder omdat ze niet lang meer zullen leven. De rest zit dicht tegen mekaar aan gedrukt op houten banken. De Duitse kampbewakers zitten op de eerste rij. Het is een verzameling mensen van allerlei nationaliteiten over wie de diepgelovige Messiaen later zal zeggen: ‘Nooit had ik een aandachtiger publiek’.

De vier muzikanten dragen houten klompen. Buiten ligt een halve meter sneeuw. Het is berekoud en het waait. Beginnen doet het Quatuor ook in deze theaterbarak met een liturgie van kristal: ‘L’oiseau fait un peu peur, la musique aussi en fait’ is een commentaar op Youtube dat niet alles zegt, want er zijn twee vogels te horen: een merel aan de klarinet, een nachtegaal aan de viool.
 

 
De vocalise voor de engel als brenger van de openbaring zit eerst vol opgewekter vogels, die verweer bieden tegen hard pianogehamer, tot er smeltwater uit de piano druppelt en de sfeer ingetogener wordt. Het zal in 1940 nog acht jaar duren voor John Cage de prepared piano uitvindt, een instrument met schroeven, moeren, papier en gommetjes tussen de snaren. Deze van de nazi’s gekregen piano klinkt ook al kaduk.

‘Intermède’ klinkt als vogels in gevecht met een tegendraadse folkdeun van Béla Bartók, en klinkt in de context van dit kwartet luchtig.

De twee ongelooflijk mooie huil-of-ik-schiet-momenten waarvoor je dit kwartet een kans moet geven zijn ‘Louange à l’éternité de Jésus’ voor piano en cello (hier zegt Messiaens aanduiding: eerst oneindig langzaam, dan extatisch spelen) en tweelingzus ‘Louange à l’immortalité de Jésus’ voor piano en viool dat van de componist extréém langzaam én teder moet gespeeld worden tot het ook richting extase gaat. Erg ingehouden extase, moet dat zijn. Aan het slot hoor ik een piano en een viool koorddansen zonder vangnet en zonder bestemming, de wolken happen beide instrumenten uiteindelijk op.
 

 

 
Tussen die twee stukken zit nog een eerst hoekige, robuuste, krachtige en granieterige brok emotie (Messiaen had het over paarse woede), maar ook die slaat de weg in van overpeinzingen zonder eind in een stuk met het woord ‘regenboog’ in de titel. Hier klinkt Messiaen naar mijn gevoel een beetje te veel als andere 20e eeuwers uit hetzelfde genre.

Olivier Messiaen recenseerde zijn gevarieerde ‘Quatuor’ zelf: ‘Muziek die wiegt en zingt, nieuw bloed, een ontroerend gebaar, een onbekend parfum, een vogel die zonder slaap kan, muziek in glas-en-lood, een theologische regenboog, een tornooi van complementaire kleuren.’ Vooral dat laatste intrigeert: complementaire kleuren zijn ontdekt door de dichter Goethe, die in een herberg naar de rode jurk van een serveerster keek, en toen die wegliep in dezelfde richting naar een witte muur bleef staren, en exact dezelfde vorm in het groen zag verschijnen.

Ja, Messiaen hoorde in kleuren. Niet dat er bij zintuigmenging voor het publiek veel verklarends te rapen valt, want synesthesie leidt voor mensen die het hebben tot de allerindividueelste waarneming van de wereld. Concreet: ergens hoort Messiaen blauworanje lava stromen, maar hij zal wellicht de enige blijven die die blauworanje lava ooit in zijn compositie heeft gehoord.

‘Quatuor pour la fin du temps’ is diepreligieuze, maar alles behalve godvrezende muziek. Messiaen zou er achteraf over zeggen: ‘Wat ik ermee won, was dat ik tussen 30.000 gevangenen waarschijnlijk als enige geen gevangene was.’

Ik vond dit Quatuor al uitstekend lang voor ik er dankzij het boek ‘Orfeo’ van Richard Powers meer details over heb vernomen. Powers Quatuorpassage is lang en een van de hoogtepunten van het boek. Ik heb overigens geprobeerd uit die Powersvertelling niks over te schrijven, maar dat is eigenlijk eh… keihard mislukt.

Nog dit: de welwillende kampbewaker bezorgt – op gevaar voor eigen leven – de vier muzikanten papieren richting vrijheid. Cellist Etienne Pasquier verzorgt de première in Parijs, en draagt tot aan zijn dood in zijn portefeuille de programmakaart van de enige echte première van 15 januari 1941 in Stalag VIII A met zich mee. Ik zet Pasquiers Quatuorversie op Spotify, maar laat ‘em eerst horen in de kamer van een Brits grammofoonplatenverzamelaar: