Nóg een metaversie van de feiten

 
GetAttachment-5.aspx
 
Fucked Up
David comes to life
2011

 

In het atelier van mijn fietsenmaker staat de radio op MNM. ‘Ain’t nobody’ van Rufus & Chaka Khan is het zeer aangename oorwurmpje op de terugweg naar huis; het is vakwerk van het kaliber van dat van mijn fietsendokter. ‘Ain’t nobody / loves me better’ is 10 minuten lang de beste muziek ter wereld.

Bij thuiskomst leg ik iets afmattenders op. ‘David comes to life’ van het uit Toronto, Canada afkomstige Fucked Up is een kathedraal van riffs, met daartussen de schreeuwzang van een man als een grizzlybeer zo groot, en na een winterslaap zo hongerig. Alle namen der Fucked Upverdachten? Pink Eyes, Young Governor, Mr. Jo, 10,000 Marbles, Mustard Gas (moet iets met scheten in de tourbus te maken hebben) en Concentration Camp (huh?).

De video van ‘Queen of hearts’ is de ideale binnenkomer.
 

 

Ik moet, als ik naar Fucked Up luister, aan twee groepen denken die voor mij ooit het raam van de tegentonen op een kier hebben gezet: Hüsker Dü en My Bloody Valentine. Fucked Ups vurige punk zit qua sfeer Hüsker Dü op de huid: ogenschijnlijk drammerig, onuitgewerkt en rudimentair, tot daar plots een bos verschijnt tussen de bomen. In ‘Queen of hearts’ zou Hüskers voorman Bob Mould bijvoorbeeld ‘New day rising’ kunnen beginnen schreeuwen.

De hoog en laag overvliegende lagen gitaren die producer 10,000 Marbles al dan niet doet absorberen, ze doen in zowat alle 17 mokerslagen van songs aan My Bloody Valentine denken. Fucked Up heeft overal veel geluid in gepropt, dromerige popvocalen zitten op veel plaatsen in de mix, en ’t is niet dat het weelderige sonische Valentinepalet zelf hier concurrentie krijgt, maar er is wel één moment waarop gastzangeres Jennifer Castle zich echt volledig op de wijze van MBV door de gitaarbrij elleboogt.

De zes eerste songs van ‘David comes to life’ zijn fenomenaal. Fucked Up is niet alleen op de schouders van veilige undergroundgiganten gekropen, ze kennen ook het uitzicht vanop de hoogste torens van de mainstream. ‘The other shoe’ en ‘Running on nothing’ zijn, wanneer de drums invallen, de beste punkrockers sinds The Boss zijn twee songs schreef die met Born begonnen, alleen spreken de teksten hier veel minder over hoop en verlossing: ‘Those better days have all run out / because those better days were all a lie’.
 

 

‘Remember my name’ heeft een intro die achtereenvolgens aan The Who, AC/DC en Status Quo doet denken. De hemelse Beach Boysbackings zijn een paar keer van Young Governor. Af en toe klautert ook een sologitaar in deze wall of sound omhoog, maar geen idee van welke van de drie gitaristen die is.

Zoals Patrick Stickles van generatiegenoten Titus Andronicus lijdt Pink Eyes in zijn lyrics niet aan beknoptheidsdrang. In elk mogelijk minidal tussen twee bergen gitaren worden lange zinnen gewrongen, waarin bij voorkeur wordt uitgeweid over het negatieve: ‘It’s better to be alone than feel your heart turn to stone / better to be born blind than see and then lose sight / better a desolate peace than to fight with your memories.’

Ook het conceptverhaal dient aangestipt: hoofdpersonage David wandelt in het Engeland van de jaren 80 de lampenfabriek uit waar hij werkt, en waar Veronica extreemlinkse pamfletten uitdeelt. Ze worden verliefd, hetgeen leidt tot een verhaal met titels én ondertitels bij elk hoofdstuk, maar die leggen mij niet uit dat de geliefden samen de lampenfabriek tot ontploffing brengen, en Veronica bij die aanslag omkomt. Ik kan best tegen drie beluisteringen die ‘tekstblad erbij’ verplicht maken omdat ik anders niks versta van wat de grizzlybeer Pink Eyes brult, en ik heb niks tegen verwarrende verhaallijnen – ‘Die sieben Todsunden’ van Weill en Brecht hebben die tenslotte ook.

Het voordeel van met het tekstboekje onder de koptelefoon te moeten kruipen is trouwens dat ik al snel weet dat hier geen op hol geslagen gitaristen op goed geluk af dramatische riff na dramatische riff te pakken hebben, maar dat het tot in detail opgebouwde laagjesrock is die alleen de schijn wekt dat ze ter plekke uit de mouw is geschud. Ik stel me na een paar songs zelfs een donker decor voor van nauwelijks zichtbare rekwisieten: een hoek van een fabrieksgebouw, een straatlantaarn,…

Ik ben dus klaar voor een hardcore rock opera, een thrashversie van ‘Quadrophenia’, een ‘Tommy’ zonder flipperkast. Maar waarom dan in godsnaam vanaf song 7 een verteller laten opdraven, die David in een slecht daglicht komt plaatsen, waarna nóg een metaversie van de feiten zich aandient. Enfin, ik weet hoe het in de muziek afloopt: op machtige wijze, want afsluiter ‘Lights go up’ is een waar hoogtepunt, maar in de tekst ben ik na 1/3 al afgehaakt. Ontgoocheling in de liefde is een thema, leid ik af uit stukjes rijmelarij zoals deze: ‘Swans mate for life I’ve heard / which is fitting because that shit’s for the birds’.
 

 

 

Culture Club en Duran Duran

 
GetAttachment-10.aspx
 
The Jesus And Mary Chain
Psychocandy
1985

 

In een tijd waarin feedback geven en ontvangen nog niks te maken had met ‘elkaar binnen een bedrijf bijsturen’, maakte The Jesus And Mary Chain ‘Psychocandy’. 1985 is ook het jaar van ‘The firstborn is dead’ van Nick Cave And The Bad Seeds. Ik leid daaruit af dat ik in die tijd een voorkeur had voor kleine drumstellen en subliem klungelende muzikanten die niet bepaald in fluokledij rondliepen.

Aan de twee trommels en verder niks: Bobby Gillespie, later Primal Scream. Toen hij op de tweede plaat vervangen werd door een drummachine, klonk het minder. Toen nog later een echte drummer inviel, mét cimbalen en mét alle trommels die bij een stel horen, klonk The JAMC even goed als The Primitives, Ride, Slowdive en Lush.

’t Was alleszins niet meer de groep waarvoor ik in de houding was gaan staan toen Luc Janssen op een zaterdagavond in het radioprogramma Domino deel 2 (de B-kant) ‘Upside down’ draaide, een song die begon met feedback die pieeeeeeeeeekggggggggggg deed. Blij! dat ik was dat een cassette meedraaide.

The JAMC stonden niet langer dan een paar songs op het podium en zochten ruzie (of beter: toen na een pershype rellen uitbraken op concerten, leerden we hen niet als topdiplomaten kennen). De rellen braken naar verluidt vooral in Engeland uit.
 

 

Ze namen ‘Psychocandy’ op vanuit een bramenbos van feedback, waar ze zich ternauwernood een weg uit kapten via een hey hey hey, yeah, of door een zachte song in te lassen die op meidenpop van de Phil Spectorschool leek. Ze hadden natuurlijk ook het boek ‘Hoe pluim je The Velvet Underground?’ gelezen.
 

 

Het volstrekt relloze concert dat ze in 1985 in De Brielpoort in Deinze gaven herinner ik me niet als te kort. Misschien viel het op dat Futuramafestival niet op. Misschien waren hen zoveel verhalen vooruitgereisd over 20 minuten spelen dat 24 minuten lang leek; ik weet het niet meer. Ze stonden stokstijf stil (als ik het me goed herinner ging er zelfs eentje zitten), deden alsof ze compleet tegen hun zin daar waren, en toch ging de zaal plat. Die combinatie had ik nooit eerder ervaren, en maakte ik daarna nooit meer even indrukwekkend mee. Er waren nóg groepen die amper bewogen en er zouden er nog velen volgen (My Bloody Valentine is een prima voorbeeld), maar die creëerden geen Ramonesachtige verwachtingen en ontlading. De Mary Chain toen wel.
 

 

In die tijd niet gezien op tv, nu wel op internet: het hilarische interview dat Bart Peeters met Jim en William Reid en Bobby Gillespie deed. Gillespie zit de hele tijd een meisje te muilen. William Reid zegt niks. Jim Reid is in een goeie scheldbui. ‘JAMC is een commerciële groep’, zegt hij. ‘We’ve got our eye on the charts, our competition is Culture Club and Duran Duran.’ Waarop Bart Peeters zegt: ‘In de Britse pers staat dat jullie als livegroep straten voor liggen op Joy Division. Dat moet flatterend zijn.’ Reid weer, met dat rare Glaswegian-accent: ‘Not really, because it’s not difficult to be streets ahead of Joy Division. J.D. were particularly awful. J.D. were shit. They were fuckin’ rubbish. I don’t even want us to be mentioned in the same sentence as Joy Division.’ En daarna komt de beste: ‘They were so unambitious’.

Ik moet keihard lachen. 1. De laatste rechte lijn van de song ‘In a hole’ is gewoon krék ‘Heart and soul’ van Joy Division. Ze zingen ‘Heart and soul’, zonder er één (tekst)idee aan toe te voegen, en ze spelen ‘Heart and soul’, met als enige verschil die aardverschuiving aan feedback eroverheen. In hun trage songs krioelt het van de echo’s van JD’s meest Spectoriaanse song ‘Atmosphere’. En dan op Joy Divsion schelden, natuurlijk. Zo moet het. 2. Reid is hier textbookcomedy: hij is geen levende persoon, een ingebouwde mechaniek voert in deze vogelschrik het woord.

The Mary Chain! Hun sterkste wapens? De keteldrums van Gillespie. De zonnebrillen en de arrogantie. De drugsteksten stijl ‘I’m kneedeep in myself, but I want to get more of that stuff’. En natuurlijk de feedback, die eerst op jonge chihuahua’s is uitgetest. Daardoor geldt voor hen ter hoogte van ‘Psychocandy’, en alleen daar: ‘There’s a million of ‘em just like ‘em / Who cuss like ‘em / who just don’t give a fuck like ‘em / Who dress like ‘em / walk, talk and act like ‘em / Could have been the next best thing but not quite them’.

‘Iiiiiiiiiiieeeeeekkkkkkkgggggggg…’
 

 

Vrouwen met vissenstaarten

 
image
 
Dirty Projectors
Swing Lo Magellan
2012

 

Het naar een trendy hotspot in Brooklyn (en dus naar vele soorten koffie en kaneel en muffins) ruikende Dirty Projectors van de periode voor de platen ‘Bitte Orca’ en ‘Swing Lo Magellan’ kwam hier al aan bod.

De wereldsong ‘Stillness is the move’ uit ‘Bitte Orca’ ben ik een lijflied van een hele nieuwe generatie gaan vinden, maar qua vinger aan de pols moet ik me zwaar vergist hebben. Als ik in 2012 de AB binnenstap 1. zit die nog niet voor de helft vol 2. kom ik er leeftijdgenoten tegen en 3. (maar dat heeft met 1. en 2. en ‘Stillness is the move’ niks te maken) is een van de drie vrouwen met vissenstaarten en zéér rekkelijke stembanden vervangen door een andere.

De titeltrack ‘Swing Lo Magellan’ opent het concert. Met de ogen dicht had ik geloofd dat Stephen Malkmus was begonnen.
 

 

‘Offspring are blank’ volgt: als een drummer keihard moet werken, voel ik me bij een kunstschoolgroep altijd meer op mijn gemak.

‘Just from Chevron’ biedt de Afrikaanse speelgoedgitaartjes die ook Vampire Weekend gebruiken en een knap ingehouden Tourette-aanval van stemmen.

‘Dance for you’ is een liefdeslied dat Brian Wilson vergat te schrijven en dat met elektrische tegengitaar, klaphandjes en een rare synthesizeravondzon helemaal verProjectord wordt.

‘The socialites’ doet het met rare microdrums, een paar zeehondgeluidjes, de schuchterste handjes van de plaat en de ondertussen via Major Lazer wereldbekende stem van Amber Coffman.

‘Impregnable question’ is nog minder: een paar harmonies, en een over kleine lettergrepen struikelende Longstreth.
 

 

Er staan ook twee rare, aan vroegere DP herinnerende songs op de plaat: in ‘See what she seeing’ spelen Mexicaanse springbonen iets van Aphex Twin, in ‘Unto Caesar’ stellen de vrouwen de vragen aan een gansch zijn ziel uitlatende zot van een zanger: ‘When should we bust into harmony?’ en een vraag recht uit het hart: ‘Whát are we singing?’

Besluit: een plaat uit 2012 – ik had nog niet verteld dat platen uit 2013 en 2014 niet mogen meedoen – maakt juist méér kans dan een andere om in Honderd te staan. Tenslotte is eerbied voor wie voorafgaat toegelaten, maar de ambitie om van niks of niemand een duplicaat te willlen zijn, die is verplicht.

Het hoogtepunt van hun AB-concert, ‘Beautiful mother’, is op papier niet meer dan ‘Hand clapping’ van Steve Reich, drie getalenteerde sirenes van wie er één de ah-ah-ah’s van Laurie Andersons ‘O Superman’ doet en een pompende bas stijl ‘Psycho killer’, maar telkens als een stemmencluster de hoogte in schiet, is het het nieuwste en het mooiste geluid ter wereld.
 

 

De topsongs ‘About to die’ en ‘Gun has no trigger’ zijn nóg anders: hier houdt de wereld der vergelijkingen gewoon op.
 

 

In ‘Irresponsible tune’ worden de laatste avant-gardeverworvenheden weggetrapt. Longstreth zingt over platenopnamen, wereldvrede en een vogeltje dat tikt tegen het raam. Achter hem begint een bewolkte dag.