Het begon in Polen

 
image
 
Scraping Foetus Off The Wheel
Hole (1984)
Nail (1985)

 

Midden jaren 80. In plaats van naar ‘Controversy’ en ‘Purple rain’ van Prince te luisteren en op vrijdagavondjacht te gaan, zit ik in een gemeenschapshuis samen met een paar maten voor een tv met een binnenhuisantenne urenlang te kijken naar ‘De Nieuwe Orde’.

De rare grootinquisiteur Maurice De Wilde draagt een aktentas en belt aan bij een oudere man. De Wilde is niet vertrouwd met de techniek van de open vraag. Uit de haag zijner halfopeengeklemde tanden ontsnapt volgende zin: ‘U was streekleider van het NSJV in het Brugse. U heeft eind ’41-begin ’42 deelgenomen aan een cursus in de Gebietsführerschule van de HaJot, de Hilterjugend. Is het juist dat het daar tot een openlijke breuk is gekomen tussen de grote meerderheid van de kaderleden van het NSJV en de Duitse Gebietsführer van de Hitlerjeugd?’ De in lichte paniek verkerende ondervraagde zegt: ‘Dat is inderdaad zo’.

Een naar de minder fraaie buurten van New York verkaste Australiër doet in diezelfde periode óók moeite om de wereld wakker te schudden, en steekt daar ook ontzettend veel tijd in. Jim Thirlwell heet-ie, en hij heeft zich in zijn carrière achter veel alter ego’s verstopt; een paar keer achter het niet meteen songfestivalambities verradende Scraping Foetus Off The Wheel.

Wie aan Basil Fawlty’s ‘No, you started it, you invaded Poland’ uit ‘The Germans’ niet genoeg had, kon in 1984 op de Foetusplaat ‘Hole’ terecht voor een song vanuit het standpunt van Hitler die op 1 september 1939 Polen binnenviel (‘Well me and Stalin, we just signed a mutual non-aggression pact’), compleet met Sieg Heilsample en een tekst die verder luidde: ‘Today is the first of september / See you at your graveside baby / I’ll meet you in Poland, baby’.
 

 

Op de opvolger ‘Nail’ verlaat Thirlwell in zijn eenmansstudio de ’39-’45-jaren. Hij raakt in een Koude Oorlog met zichzelf verwikkeld. Nihilisme in z’n geheel en katers, volle asbakken en ontdooide, maar koud gegeten diepvriespizza’s in het bijzonder worden als duivels wapen gebruikt tegen… Ja, tegen wie of wat eigenlijk?

Nog ingrediënten? De moeilijke buurt, drummachines, jaren 80-synthesizers, gesamplede tekst- en filmmuziekflarden, Philipp Glass, de Ooo-wee-ooo-ooo van ‘I get around’ en de Papa-oom-mow-mow van ‘Surfin’ bird’. En het thema van ‘Batman’, dat gebruikt wordt in de song ‘Sickman’; de meeste grappen zijn beter.

Thirlwell heeft een jeugd achter de rug die niet met een luchtgitaar is doorgebracht. Hij heeft de hele tijd met een denkbeeldig dirigeerstokje voor een even denkbeeldig jazzorkest gestaan. Orkestraties van Lalo Schifrin tot zelfs George Gershwin zijn Thirlwells invloeden (ook op de filmische orkestmuziek die hij maakt als Steroid Maximus en Manorexia). Het resultaat ter hoogte van ‘Nail’ is een wereld die niet ver ligt van die van Mike Patton post-Faith No More: ook een reis door de krochten van een in lawaailagen verbeelde, nogal zieke en gedegenereerde geest. Een zin die het bij Thirlwell samenvat: ‘I’m the last surfer in hell’.

Vandaag moet ik meer lachen om ‘Nail’ dan ruim een kwarteeuw geleden, vooral omdat ik nu besef dat het één lange rit van geestelijk strompelen is van iemand die onderweg veel bijleert over hiërarchie, namelijk dat hij in sneltempo op weg is naar de bodem: ‘I don’t need to touch their toes / to know I’ve already reached my all time low’.

Waarom er dan te lachen valt? ‘Nail’ is er volstrekt over. Neem nu ‘Enter the exterminator’: Mijnheertje Foetus voelt zich een kakkerlak in de lichtstad, slaapt in bloed, sperma, kots en pis, en rukt zich af om het warm te krijgen: ‘Too much of a coward to snuff myself… GUESS I’LL JUST HAVE TO SUFFER MYSELF’. Daarboven soms drums die klinken als dichtslaande stalen deuren. Daarna kan evengoed een tapdansje beginnen.

Ik had ook Morrissey en Ian McCulloch als leraars Engels, maar bij hen moest ik de woorden agony, lechery, lobotomy en tracheotomy niet gaan opzoeken. Andere vaak terugkerende woorden: Inferno, Hades, Hell, Pigs, Destroy, Exterminator. Hardst ontploffende refrein aan de manische kant: ‘I can do any goddamn thing I want!’
 

 

Hoe zal ik de depressieve kant uitleggen? ‘Hello operator, gimme no man’s land, collect call to no one at all’, begint ‘Nail’. Foetus zit met een bizarre mix van zuurstoftekort en grapdwang tegen de rotswand van de hem verpletterende wereld te tikken en plots belandt hij in een gigantische zaal, waar hij een gestoorde musicalsoundtrack begint te dirigeren. Het cynisme is dat van een gecrepeerde spinnenkop die lemmingenmantra’s stijl ‘Alles is vervelend en naar / ’t Is nog erger dan vorig jaar’ a rato van drie per minuut naar onze kop gooit.

Bevat ‘Nail’ een woordspeling te veel? Zeer zeker. Is ‘Nail’ een aanrader? Ja en nee. De kans dat iemand ‘em goed gaat vinden is statistisch alvast zeer klein. Hoe ik dat weet? Scraping Foetus Off The Wheel is al eens de poort naar de Youtubewereld van 373 keer bekeken, 30 niet-leuks en 1 reactie in het Japans.

’t Is ook een plaat uit de tijd van toen! Om het met Foetus te zeggen: ‘Time dies when you’re having fun!’

Dat John Cleese moest uitleggen dat ‘The Germans’ geen grap tegen de Duitsers was, maar wel één tegen dié Britten die Duitsers als nazi’s blijven zien… we worden omringd door idioten.

De stijl van Maurice De Wilde wordt in deze politiek correcte tijden ook bestudeerd en beoordeeld op z’n beleefdheidsgehalte, terwijl iedereen zou moeten weten: als die man niet zo’n bezeten pitbull was geweest, hoe hadden we dán in deze regio ooit collaboratie en repressie verwerkt? Met de literatuur van Hugo Claus alleen, zeker!

En dat harde, meedogenloze lawaai à la Foetus dat zich aan het andere eind van het spectrum van Coldplay en James Last bevindt, dat leidt gewoon héél vaak ook tot interesse voor werkelijk stille en andere muziek. Fact! Onderweg natuurlijk oppassen voor gehoorschade. En voor Duitsers!

De jaren 80. Op zondagmiddag was er ‘Confrontatie’. Vandaag heet dat programma ‘De zevende dag’.

 

 

Your life is over!

 
image
 
Titus Andronicus
The airing of grievances
2009

 

1.
Ergens in 2009. Ik lees een bespreking van de debuutplaat van Titus Andronicus in Humo. De recensie is er boenk op. Tegelijk: het zijn niet de vergelijkingen met The Pogues en Conor Oberst die mij naar de winkel hebben doen rennen – of in mijn geval, in die dagen: naar de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek in Brussel. Worden in het stuk ook als invloed op Titus Andronicus vernoemd: The Replacements, van wie ik toen voornamelijk zéér vroeg werk beluisterde, in porties van drie (meestal korte) songs. Als ik op dat Replacementspad was blijven wandelen, zou ik vandaag een voorkeur hebben gehad voor een paar seconden gekrijs, opgenomen in de wieg van opper-Replacement Paul Westerberg.

Nee, wat mij in de recensie van (nq) echt over de streep heeft getrokken? De zin ‘Als alles overspoeld wordt door ironie, werpt Titus Andronicus een barricade op van waarachtigheid.’

Enfin, een maand of drie later (ik ren heel traag) stop ik ‘The airing of grievances’ in de cd-speler. Tsjongejonge!

2.
Over ‘The monitor’, de tweede Titus, berichtte ik hier al.

3.
Het is dus hun debuut ‘The airing of grievances’ dat op 83 staat. Vanuit de verkeerde richting binnenrijdend: de plaat is in vergelijking met ‘The monitor’ gebalder – iets méér vroege Replacements, iets mínder dronken Pogues – en er wordt in gerockt met de hoogdringendheid van een hooikoortsniesbui. De zeurderige stem van Titushoofdman Patrick Stickles is inderdaad aan die van Conor Oberst van Bright Eyes gewaagd.

Ook hier – net als op ‘The monitor’ – hoogdravende conceptthema’s? Jawel! Het toneelstuk ‘Titus Andronicus’ van Shakespeare (ondertitel: ‘Laat bloed vloeien’) wordt geciteerd net op het moment dat een personage half begraven voor dood wordt achtergelaten, terwijl hij zijn gruwelijke misdaden opsomt en maar van één ding spijt heeft: dat hij er niet méér heeft begaan.

In ‘Upon viewing Bruegel’s landscape with the fall of Icarus’ zit de zanger met de schrik: van de Icarus die met wassen vleugels de zon tegemoet vliegt en in zijn jeugdige hoogmoed te hoog klimt en in zee neerstort, zijn in de achtergrond alleen de spartelende benen te zien. Ploegende boer, herder en visser (die laatste zit er met z’n neus op) merken zelfs niks van de val. De zanger is gewoon bang dat hij wordt als de onverschillige anderen, en zijn rebelse zelf kwijt raakt.
 
image
 
 

 

Op eenzelfde manier kan je ook het veelvuldig herhaalde refrein uit de titeltrack lezen: ‘Your life is over’. Misschien bedoelt Patrick Stickles niet dat zijn laatste uur is geslagen, maar wel dat – als hij leraar of verzekeringsagent wordt – zijn kans op een avontuurlijk leven voorbij is. ’t Is dus een coming of age-plaat. Hoop ik toch.
 

 

Nog tekstvoorbeelden? ‘Life’s been a long, sick game of Would You Rather / so now I’m going to medical school… as a cadaver’ en ‘There’s no doctor that can diagnose me / I’m dying slowly from Patrick Stickles Disease’.

De plaat bevat twee(!) No futures. Deel 2 heet voluit ‘No Future Part II: The Day After No Future’ en bevat een stuk ‘L’étranger’ van Albert Camus, het deel aan het einde waarin de hoofdpersoon nog op één ding kan hopen: op een massa kijklustigen bij zijn terechtstelling.

Wie een hekel heeft aan kunstenaars met een voorliefde voor de thema’s depressie en hoe die uit te drijven met harde punk (en door ze nog eens vol te schenken) raden we goeie sportschoenen aan en grote concentrische cirkelbewegingen om Titus Andronicus heen. Respect verder!

Maar wie de slotzinnen van ‘The airing of grievances’ (‘We think nothing of ourselves at all’, ‘Death, be not proud because we don’t give a fuck about nothing’ en ‘We only want what we are not allowed’) wil afdoen als puberaal en aanstellerig gezwets, kan van mij enig armworstelweerwerk verwachten. De song heet niet zomaar ‘Albert Camus’: het denken van die schrijver (die er trouwens uit zag alsof hij Joe Strummer van The Clash wilde leren roken) wordt hier aan de hand van een paar goeie voorbeelden geschetst. We verlangen, zei Camus, naar het onmogelijke en naar een wereld waarvan de toegang altijd versperd zal blijven, want we willen een doel in een onverschillig universum, en een god in een goddeloze wereld. Als we onze verwachtingen over het leven naar bijna niks terugbrengen, heeft de onvermijdelijke dood veel minder te stelen. Puberaal? I think not! Het leven is eerder wat we gewoon ervaren dan een wensdroom vol verwachtingen, en op deze plaat (die gemaakt lijkt met minimale, analoge apparatuur, in een soort van permanente staat van dronkenschap, en in een kot met kartonnen muren achter een Ierse pub), zijn de verwachtingen onbeduidend. En nu we toch klote-realistisch bezig zijn: is de vanuit de pub aangevoerde alcohol een motherfucker van een harddrug. Tja!

4.
Hét moment waarop de groep voor mij echt te ver gaat staat niet op deze plaat, maar zit in hun latere song ‘Theme from Cheers’, naar de begingeneriek van de serie die zich in dat café in Boston afspeelt – where everybody knows your name. Patrick Stickles stelt zich in het lied zijn oude dag (alweer) realistisch voor – hij is dus nog steeds alcoholicus – en bewerkt een tekst van Paul Simon: ‘Funny we’re still doing carbombs after all these years’. Goed, maar weet u ook wat een carbomb is? Blijkbaar een duikboot, maar dan niet gemaakt van jenever en pils, maar van – Hou u vast! Gaat u zitten! – Baileys en Guinness. Opdrinken voor de Baileys begint te klonteren, weet een kenner. Freaks!

5.
Het is 15 september 2014. Ik tik de groepsnaam Titus Andronicus in op Youtube. ‘Stranded (on my own)’ belandt bovenaan. Ik denk: ha, een cover van punkpioniers The Saints. Nee dus! Kijk, waarom een opstel schrijven over punk, als vier minuten beeld en klank zoveel meer vertellen!
 

 

 

 

De romantische punthelm

 
image
 
Robert Schumann
Dichterliebe
1840

 

 
Robert Schumanns ‘Dichterliebe’ is gemaakt op tekst van Heinrich Heine. Na wat Wikipedia-en-uiteindelijk-veel-meer-dan-Wikipedia moet dat worden: op tekst van de nog jonge Heinrich Heine.

De Heine in de ‘Dichterliebe’-cyclus is in 1827 nog even rechttoe-rechtaan romantisch als Wilhelm Müller die Franz Schubert teksten schenkt over een mooie molenaarsdochter.

De oudere Heine (een Duitse Jood die naar Parijs vluchtte voor de restauratiecensuur en voor het antisemitisme van een eeuw voor Hitler) is een andere artiest. Als hij in ‘Een wintersprookje’ opnieuw een reis door Duitsland maakt handelt hij in harde spot: aan de grens wordt Heines koffer door de ‘dwaze’ Pruisische douane besnuffeld. Heine denkt: ‘De smokkelwaar die met me meereist zit in mijn hoofd weggestoken’.

De dichter is keihard als het gaat over de stijfheid van de Duitsers: ‘Als hadden ze de stok ingeslikt waarmee men hen slaag heeft gegeven’. ‘De punthelm op hun romantische hoofd’ rijmt op ‘wordt misschien door de hemelse bliksem verdoofd’.

Het is satire vol verzuchtingen van een man die zijn land van herkomst een beetje moderner en toleranter wil zien worden. Heeft eigenlijk weinig of niks met de voorwaarts-in-de-mogelijk-verpletterende-liefde-gedichten van de jongere Heine te maken, een bundel waaruit Schumann 16 stuks koos voor zijn ‘Dichterliebe’.

‘Im wunderschönen Monat Mai’ opent die cyclus gracieus: het is mei, alle bloemknoppen springen open, de dichter heeft zijn liefde verklaard – we zitten in het basiskamp.

Daarna is de geliefde twee songs lang alles, bijvoorbeeld roos, lelie, duif en zon samen. De songs zijn kort en gebald.

En dan gebeurt er iets raars: de kus die ooit zal komen zal zelfs gezond maken, maar bij de eerste woorden van de geliefde (nochtans een ordinair ‘Ik hou van jou’) wordt er 1. In de tekst meteen ‘bitter geweend’ 2. even bitter geweend in de schitterende piano-outro. Er wordt wel niet uitgelegd waarom.

De sfeer wordt daarna alweer – en niet voor het laatst – compleet omgegooid in ‘Im Rhein, im heiligen Strome’, waarin een Mariabeeld in goudleer uit de Dom in Keulen opduikt dat aan de geliefde doet denken, maar vooral: waarin uit de piano iets Bachachtigs loskomt met daarboven aan het eind… ja, wat eigenlijk? De noodklokken van de passie?
 

 

‘Ich grolle nicht’ is gebald, kwaad, kort, to the point: ‘Ik treur niet want ik zag het serpent dat vreet aan je hart, jij valse tik.’ In het lied dat volgt zit nog meer haat: ‘Sie hat ja selbst zerrissen / zerrissen mir das Herz’: zij en zij alleen heeft mijn hart aan stukken gereten.

Alsof violente gemoedsschommelingen toen de gewoonste zaak ter wereld waren, wordt plots een halve liter gedronken, en is er gefluit, violengezang en getrompetter waarop zelfs gedanst wordt. De piano weent en klaagt soms. Dat komt: het mannelijke hoofdpersonage staat naar de bruiloft van zijn verloren geliefde te kijken.

Volgt: meer afstand en controle over de gevoelens, via een ‘x gaat met y’-verhaal in ‘Ein Jüngling liebt ein Mädchen’, waarin y natuurlijk liever met z gaat, die weer met iemand anders wil. Een oud, compleet afgezaagd verhaal, zegt de tekst, tot het jou of mij of jouw dan wel mijn geliefde overkomt: dan is het weer actueel en uniek. Is hier al de ironische Heine van ‘Een wintersprookje’ aan het woord? Misschien. Volgt er een mooie, dit keer luchtige Schumannoutro die even ironisch zou kunnen zijn? Ook mogelijk.
 

 

Onze romantische held wandelt ondertussen door een tuin in ‘Am leuchtenden Sommermorgen’. Er staan bloemen in bloei. Ze vragen de bleke, treurige man niet kwaad te zijn op hun zuster, want zo is ze nu eenmaal. ‘Ich hab’ im Traum geweinet’ is het moment met de minst beroerde piano, maar tegelijk het meest intens spokende lied.
 

 

‘Aus alten Märchen winkt es’ wil er nog eens invliegen: in de sprookjes, in de bloemen, in de bronnen, de beken, de twijgjes, de blaadjes en de mistige vergezichten, maar de droom vervliegt met de ochtendzon.

De cyclus sluit af met een grote kist, groter dan het vat van Heidelberg, dan de brug van Mainz en dan de heilige Christoffel in de Dom van Keulen.

Heinrich Heine legt in 1827 al zijn liefde in die kist, én al zijn pijn, en verhuist naar het progressievere Parijs. Robert Schumann laat in 1840 zijn laatste outro klinken als een al bij al vrij luchtige uitvaart, en laat de piano nog eens met glans véél, véél meer doen dan commentaar geven op de tekst. Wat zei Bob Marley ook weer? ‘One good thing about music, when it hits, you feel no pain.’ Deze piano levert die afwezige pijn met acupunctuurprecisie.

Daaronder en -boven de moderne wereld – versie 1840. Een complexe aangelegenheid.