De echoput

 
image
 
Smog
A river ain’t too much to love
2005

 

Bill Callahan is in 2005 een man met een aan Johnny Cash en Lou Reed verwante bariton. Dat dient genuanceerd. Mocht de Johnny Cash-Callahan in Saint-Quentin optreden, er zouden er weinig yiiii-haaah roepen. De Lou Reedachtige Callahan doet het dan weer zonder mascara, zonder heroïne en zonder veel growing up in public with his pants down. Callahans carrière is, zeker in deze jaren, iets voor de luwte. Weinig publiek. Broek keurig opgetrokken.

Alleen al die griezelig traag gezongen opener ‘Palimpsest’: het winterweer is niet ’s zangers ziel, hij wacht op de lente. Maar de anderen zien dat verlangen naar een spreekwoordelijk voorjaar niet op zijn gezicht staan: ‘Why is everybody looking at me / like there’s something fundamentally wrong?’ klinkt als iets dat je zelf ook kan bedenken. De bijgedachte niet: ‘Like I’m a southern bird / that stayed north too long’.

In ‘Say valley maker’ beweegt iemand – ik vertaal gewoon flarden tekst – zich met het gemak en de elegantie van een lijk in een stroomversnelling. Wat een beeld! In handgalop rijdt hij tot bij het besef dat alles van waarde moeite kost, dat er bijvoorbeeld helemaal geen liefde te vinden is op het ene, ware, al van netels en doornen ontdane pad. De man wil tegenstand, geen sleur, en wil vechten, niet zomaar genieten of grazen in de kudde, dus hij galoppeert terug. De instrumenten versnellen mee naar galop terwijl in de tekst niet zomaar opnieuw geboren wordt: er wordt uit hout gesplinterd, uit steen geaardbeefd, uit water gegeiserd en uit de as gefenikst.
 

 

‘Het is geen ik-vertelling’, zegt Callahan over zijn platen. ‘Ik heb de indruk dat op elke plaat een ander personage aan het woord is’. Het hoofdpersonage van ‘The well’ heeft dus geen werk meer, en gooit een fles in het bos. Maar hij voelt zich slecht (‘voor de konijnenpoot en voor de reeënpoot’), dus gaat hij op zoek naar de scherven van de fles (die hij heeft gegooid omdat hij geen werk had). Ik vermoed: ledigheid is des duivels oorkussen. Als je niks om handen hebt, ga je domme dingen doen. Maar: je kan, omdat je over tijd beschikt, die dingen ook herstellen. Dus gaat dit lied diep het bos in (verder dan het kan gooien) en komt tijdens omzwervingen bij een oude verlaten waterput. Callahan roept iets in het diepe zwart, omdat hij iets moét roepen om de eigen (echo)stem terug te krijgen. In dit geval: ‘A couple of hoo-iiie’s, a hello and a fuck all y’all’; wat een portret. Daarna zingt hij de echo van die woorden echt één voor één, terwijl de muziek vertraagt; een geweldig moment. De rest is een verhaal over een druppel die maar niet wil vallen, over teruggaan, loslaten, water, vrijheid, het onderbewustzijn, en een nieuwe druppel die aan de emmer verschijnt. ‘Ze zeggen dat zwart alle kleuren tegelijk is’, zingt de bard (ik dacht eerder de afwezigheid van kleur, maar soit). Enfin, hij geeft bij de put zijn rode woede, zijn gele gekte ook, en de groenste delen van zichzelf; zelfs zijn blues!
 

 

Callahan over de song ‘I feel like the mother of the world’: ‘Het idee was: een zo simpel mogelijke oorlogssong schrijven.’ Iemand herinnert zich ruzies met zijn zuster, en daar kwamen alleen tranen en zuchten van. Hun arme moeder stond erbij, en zei: het heeft geen belang, stop nu eens met vechten. De zanger voelt zich de moeder van de wereld, met twee kinderen die vechten. Meer moet dat niet zijn.

Er is de bijna-cover van Leadbelly’s stokoude ‘In the Pines’ – een song die we van de Unplugged-cd van Nirvana kennen: Smog op z’n luchtigst en toegankelijkst.

Er is ook ‘Rock Bottom Riser’: hier Smogs meest aangrijpende riviersong, en degene waarin hij het diepst onder water gaat. Een wondermooie Youtubevideo tilt Smog voor één keer boven de 700.000 beluisteringen.
 

 

Van ‘Drinking at the dam’ heb ik nooit veel gemaakt tot ergens op dat wonderlijke web iemands interpretatie een balletje deed rollen. Callahan heeft het over seksboekjes: ‘For the first part of my life / I thought women had orange skin / It was the first part of my life / Second is the rest’. Hij denkt in strofe twee aan kindsoldaten, die alleen een eerste deel van hun leven hebben. Er is daarna geen echt refrein meer.

Er gebeurt altijd wat op ‘A River’. In een mijmering over een hutje op de heide is de gewone gedachte: ‘Oh, to live in the country… to take a wife and no paper’. De Bill Callahanhinkstap? ‘Never again to wonder / did that rapper rape her’.

Ook in de middagzon zitten gebeurt niet zomaar: ‘With sunlight around / my skin turns brown / and you wouldn’t know me from your pa / or Adam / or Allah / but I haven’t changed’.

Nog een laatste! In ‘I’m new here’ ontmoet de verteller een vrouw in een bar. Hij: ‘Het is moeilijk om mij te leren kennen, en bijna onmogelijk om mij te vergeten’. Zij: ‘Er hangt een ego over je ter grootte van de staat Texas’. Hij weer: ‘Ik ben nieuw hier, en ik vergeet wel eens: betekent dat groot of klein?’ Beste zin: ‘And it may be crazy / but I’m the closest thing I have / To a voice of reason’. Dit is hier trouwens de laatste song omdat ik van afsluiter ‘Let me see the colts’ voorlopig volstrekt niets begrijp.
 

 

‘A River’ is een kale, uitgebeende Smog. Eén met droge, wrange kwartgrappen. Smog is een hoop platen met briljante invallen naast niemendalletjes, en ‘A River’ is van voor tot achter uitstekend. Vandaag voor het eerst de meest voorkomende woorden geteld: ‘rivier’ en ‘bramen’. Vandaag mijn luisterhoofd een beetje voelen bonzen van de niet altijd even deugddoende inzichten. Dit is Bill Callahans wereld: doorgaans een rimpelblauw oppervlak, soms ook een zeer gevaarlijke onderstroom.

Na deze plaat zit het erop voor Smog. Bill Callahan denkt: ik heb mijn eigen stem gevonden, en vanaf nu heet ik gewoon Bill Callahan.
 

Zee(zoog)dieren groot en klein

 
image
 
Robert Wyatt
Rock bottom
1974

 

Internetboodschap in verband met de artiest die op 50 is beland: ‘Kunden, die Titel von Henryk Mikolaj Górecki (1933-2010) gekauft haben, haben auch Titel von diesen Künstlern gekauft: Castelnuovo-Tedesco, Mario (1895-1968), Lopes-Graca, Fernando (1908-1993), Schwarz-Schilling, Reinhard (1904-1985), Maxwell Davies, Peter (geb. 1934).’ Kan evengoed een grap zijn, want nooit, maar dan ook nooit von diesen Künstlern gehört. Van ene Wyatt, Robert (geb. 1945) daarentegen! Hij staat op 49 met zijn tweede soloplaat ‘Rock bottom’.

Bizarro mundo, dit plaatje!

Ik moet altijd opnieuw denken aan de kleurenblinde kunstenaar uit Oliver Sacks’ boek ‘An anthropologist on Mars’. Een abstract schilder gespecialiseerd in kleuren (een man die kleuren natuurlijk ook tot in de kleinste details kan ordenen) wordt na een auto-ongeval zo kleurenblind dat hij de hele wereld in zwart-wit ziet. Op zich al een zeer zeldzame aandoening, maar meestal heb je ze van bij geboorte; ’t is ook geen netvlies- maar een hersenkwestie. Dat deze plotse verandering een met kleuren jonglerende professional moet overkomen is van een verbijsterende toevalligheid. Na een zeer moeilijke periode – op een dag ziet de kunstenaar een gitzwarte zon opkomen, de fruitschaal die hij maakt om te laten zien hoe hij fruit ziet wil je niet eens bekijken, de man walgt als hij in de spiegel kijkt, ziet ook andere mensen als – jawel – ratkleurig, en gaat alleen ’s nachts de wereld in omdat hij daar alles veel beter ziet – na dié hel vindt hij uiteindelijk een schilderstijl die hem meer voldoening geeft dan ooit tevoren, én meer succes. Als een specialist hem vertelt dat het theoretisch mogelijk is om hem zijn kleurenzicht terug te geven, en of hij zou overwegen om… krijgt hij zijn zin niet afgemaakt, want de schilder zegt: ‘No way!’
 
image
 
Wat dat met the making of van ‘Rock bottom’ te maken heeft? Iets! Robert Wyatt valt op een feest van drie hoog uit een badkamerraam en raakt tot zijn midden verlamd, and hits rock bottom! Schetsen van songs zijn al af, maar hij droomt ze tot een veel completere wereld bijeen in het ziekenhuis, periode die door de man als ‘rustig en productief’ wordt omschreven. Hij heeft tijd nu. Hij was zanger en drummer, maar die combinatie zal nooit meer lukken. Zingen van achter keyboards wél. Wyatts neurologische en psychologische machinerie blaken in 1974 ondertussen van gezondheid en maken ‘Rock bottom’ tot de meest coherente plaat uit zijn carrière.

De zanger begint opener ‘Sea song’ met: ‘Je ziet er elke keer anders uit als je uit die schuimgekuifde zoute brij komt’. Hij ziet zijn speelkameraad de zee ’s nachts graag, als ze gedronken heeft en deels vis, deels bruinvis is; hij moet zelfs aan een babypotvis denken. Haar huid weerkaatst zachtjes in het maanlicht, haar waanzin past als gegoten bij die van hem. Maar ’s morgens, als het weer tijd wordt om even mens te worden, is ze veranderd en verstaat hij haar niet meer. Daarboven een keyboardcontinuum dat weerwerk krijgt van ingetogen percussie en niet al te opdringerig pianogehamer: ‘You’ll be different in the spring, I know / You’re a seasonal beast / like the starfish that drift in with the tide’. Van hier af zingt Wyatt in afbrokkelende lettergrepen, zoals andere jazzcats een saxofoon kort knippen; alsof hij een wahwahpedaal in zijn mond heeft mag ook.
 

 

Aan het begin van song 2 een woonkamer waarin zeewier is aangespoeld, aan het eind een piano die ongemerkt verdwijnt, zoals een vloedlijn zich terugtrekt.

In ‘Little red riding hood hit the road’ vindt een zeer onrustige trompet ternauwernood aansluiting bij de melodie. Die wónderlijke Wyattstem, ook: ‘Oh dear me, heavens above, what in heaven’s name, oh blimey’. Wat de korte beschouwing van ene Ivor Cutler hier doet – ’t gaat over een egel die aan de kant van de weg de hele dag autobanden doet springen, heavens above en oh blimey nog aan toe: geen flauw idee. Waarom Roodkapje erbij betrokken wordt evenmin. En worden hier nu opnamebanden achteruitgespoeld, of heeft Wyatt echt zo’n free jazzstem? De song eindigt op z’n space odyssey’s.
 

 

Het mooiste liedje is ‘Alifib’. Voor zijn vrouw die de hoezen maakt en de yogithee zet. ‘Not nit not nit no not / Nit nit folly bololey / Alifi my larder’ wordt gedragen door zeer vrije maar zeer melancholische klanken. Ik denk dat ‘larder’ iets tussen ‘lover’ en een stuk spek is. Koosnaampjes van dieren en een minibelediging tussen de complimenten: neigt allemaal naar vaste relatiehumor. Ook ‘I can’t forsake you or forsqueak you’ is om te lachen, maar dan in de bloedgroep Lewis Carroll. Heel ‘Rock bottom’ krioelt trouwens van de dieren groot en klein, maar Burlybunch, The Water Mole, Hellyplop and Fingerhole uit ‘Alifib’ staan niet allemaal in de dierenencyclopedie. Instrumenten (‘Pip, pip, pip’) en tekst (‘Pip pippy pippy pip pip’) denken in dezelfde richting: één die via saaie, volstrekt begrijpelijke feitenrelazen en rechtlijnigheid nergens de liefde in de weg zal staan.
 

 

 

Song 5 heet ‘Alife’ en is een donkere lachspiegel van ‘Alifib’. Gary Windo doet eerst een basklarinet als kleine knaagdiertjes klinken, en daarna een tenorsax op ganzen lijken die op zeer spectaculaire wijze kwaad worden. Waarna ‘Alifib’ of ‘Alife’ – of hoe de eeuwige verloofde ook heet – mag antwoorden: ‘I’m not your larder / I’m Alife your guarder’. De waanzin van Alife (eigenlijk Wyatts vrouw Alfreda Benge) past inderdaad, net als die van de zee, wondermooi bij die van Wyatt.
 

 

Maar was de vraag niet wat dat verhaal over die kleurenblind geworden schilder met een verlamd geraakte drummer te maken heeft? Het publiek vond de in zwart-wit gemaakte kunstwerken beter dan de werken van de kleurenschilder, en ik vind de Wyatt van na de groep Soft Machine en het ongeval veel, veel beter dan die van ervoor; ik ben niet de enige.

Kan ook verder doen nadenken over de plek waar een kunstenaar een gebrek, een gemis of een halve ramp tot een voordeel en een Copernicaanse kans kan draaien, wellicht omdat hij al meer weerstand en focus heeft opgebouwd dan de meesten van ons. Al is dat zeer relatief, en kunnen ook wij, gewone stervelingen, tegen een weerbots.

Een sterke, toegewijde liefde in de buurt is daarbij altijd goed: in het geval van Wyatt is dat zijn vrouw die beroepshalve kinderboeken en platenhoezen tekent en schildert. Voor ‘Rock bottom’ maakte ze twee covers, één in 1974, één bij een reissue van 1998. Die van ’74 speelt zich half boven en half onder water af en is in zwart-wit; voor mij veruit de mooiste.

 
image
 
image
 
image
 
image
 
image
 
image
 

 

‘I want love to murder my own mother’

 
image
 
Jack White
Blunderbuss
2012

 

Op nummer 110 had ik het in verband met The White Stripes (aan de drums: Meg White, aan de gitaar: Jack White) over een beperkt roodwit-kleurenpalet, over een kleine kamer (waarin ze in Detroit hun eerste platen maakten) en over een grotere kamer (die diende om hun ‘Seven nation army’-achtigen te schrijven).

‘Blunderbuss’, Jack Whites solodebuut, klinkt als een break up-plaat. White heeft een balzaal van een kamer nodig om die te maken, want hij vliegt twéé keer buiten: hij scheidt van zijn vrouw (ze hielden een scheidingsfeest, maar hij houdt wel het huis), én van drumster en ex-vrouw Meg White (The White Stripes stoppen op initiatief van Meg, maar hij behoudt haar achternaam).

In de teksten weet je niet altijd over welke breuk hij het precies heeft, en evenmin in welke mate hij ervan kapot is. Ergens komen ook één of twee nieuwe vlammen in beeld: één keer doén ze het samen en zijn ze zich bewust van de gevolgen, één keer wordt White als voetveeg behandeld en zucht hij dat 21e-eeuwse vrouwen amoreel zijn geworden achter hun iTools. Het kan natuurlijk ook best zijn dat Jack White achter zijn analoge instrumenten helemaal niet autobiografisch is.

De muziek wil bij momenten nog striemender zijn dan The White Stripes, om daarna in het zachte deel van de witte Beatles een gezellig hol in te richten. Eén keer hoor ik zelfs Paul McCartney’s Wings als invloed.

Countryblues staat op ‘Blunderbuss’ tussen rockabilly en een folkballade. White daarover: ‘If you just write songs and don’t tell them what to be – don’t tell the song to be a country song or a rock’n’roll song – then it becomes what it needs to be in the end.’

White is erin geslaagd tussen Coldplay en Duck Sauce een tekst op de radio te krijgen met ‘I want love to / murder my own mother and / Take her off to somewhere / like hell or up above’. Een ouwe retorische truc, stijl ‘Vraag desnoods een man wiens huis in brand staat dat hij gematigd alarm slaat, vraag een moeder dat ze haar kind niet met volle overtuiging uit de handen van een verkrachter redt, maar vraag mij niet in te binden en een gematigd standpunt in te nemen over…’ … eh, over eender wat dus. Op die manier is de te vermoorden moeder voor White contrastvloeistof voor wat hij van de liefde absoluut niet meer wil: dat ze hem verstoort, corrumpeert of onderbreekt.
 

 

Het taaltje op ‘Blunderbuss’ is soms even oud en raar als dat van ’s mans lookalike Johnny Depp in Tim Burtonfilms. Whites piano dateert ook van voor de drooglegging. En wie gaat er nu met een staande bas en een lap steel optreden op grote rockfestivals? Wie laat twee groepen (een vrouwelijke en een mannelijke) afzonderlijk van mekaar repeteren, om daarna avond aan avond te kunnen kiezen wie het best past? En vooral: wie verplicht iedereen in zijn groep in het wit en het blauw op te treden (ik denk dat er stond: alleen wit-en-blauwe kledij van voor 1930)?
 

 

Het kleurenpalet is prachtig: van helwit naar leigrijs, van lichtturkoois naar diephemelsblauw. White zelf staat er darker than blue tussen; hij zou verkleed als Edward Scissorhands komen opdagen als hij met die haagschaarhanden zou kunnen soleren.

De rood-wit-zwartgimmick is ooit ontstaan omdat White wilde zeggen: natuurlijk spelen we onze versie van authentieke, oude muziek, maar als je vindt dat we alleen authentiek zijn in jeans en basketschoenen, ga dan elders. Misschien zegt hij ter hoogte van ‘Blunderbuss’ in dat blauwe decor: natuurlijk ben ik door die scheidingen een appendix, al mijn vingernagels, een paar liter bloed en ontelbaar veel illusies kwijtgeraakt, maar als je dat niet door dit decor heen kan horen, jammer dan. Jack White is wellicht ook een ordinaire fetisjist.

Mijn ‘Blunderbuss’-favorieten:

1. De beginzin van opener ‘Missing pieces’: ‘I was in the shower so I could not tell my nose was bleeding’.

2. Aan het eind van ‘Missing pieces’ – een fantasie over vrouwen die weggaan en écht lichaamsdelen van je meenemen – valt de muziek weg en zingt White: ‘And they’ll stand above you and walk away / That’s right and take a part of you with them’. Op dat moment verlang je naar een trek van een Stripesriff zonder filter, en tweede song ‘Sixteen saltlines’ stelt niet teleur.

3. ‘I guess I should go to sleep’, omdat je er heel goed in hoort dat White op dezelfde manier als Bob Dylan songs demonteert, er de mechaniek van wil kennen, in dit geval alleen het geraamte van de lullaby ‘Goodnight Irene’ overhoudt, en van daaruit een heel mooie song schrijft.

4. De cover van ‘I’m Shakin’, waarin White in drie lettergrepen uitlegt hoe nerveus hij is: I’m noivous.

Ik vind ‘Blunderbuss’ uitstekend, maar af en toe mis ik klungelgenie Meg White.