Nothin’

 
image

Townes Van Zandt
The very best of Townes Van Zandt: the Texas troubadour
1968-1978

 

Tijd voor een overzicht van de in Honderd terechtgekomen country-artiesten die ’s nachts hun cowboyhoed ophouden. Op 19 staat ‘The very best of Townes Van Zandt’. Stop!

Eerst dit: in de wereld zoals hij was en is scheppen veel blanke muzikanten met een netje en een dollarcontract de zwarte visvijver leeg. ‘Can a white man sing the blues?’ is soms een terechte vraag. Aan de andere kant: Bill Callahan schreef voor zijn zeer blanke groep Smog in 2005 de moderne countrysong ‘I’m new here’. Gil Scott Heron, niet de minste der zwarte soul-, blues- en funkmannen – hij wordt zelfs volledig terecht een hiphoppionier genoemd – covert niet lang voor zijn dood die rare countrysong van Callahan. Als ik Scott Herons versie van ‘I’m new here’ hoor, denk ik: ’t is niet echt zijn zandbak. Scott Heron is vooral verwonderd en aandoenlijk verrast door de terloopse wijsheden van de song, en hij vat de afstandelijkheid en zelfspot tussen de arrogantie en onverschilligheid van Callahan wel, maar brengt ze niet laconiek genoeg. Conclusie: ‘Can a black man sing country?’ is soms een even terechte vraag.

Blijkbaar kunnen blanke Vlamingen perfect country zingen. ‘If I needed you’ bijvoorbeeld werd een hit dankzij ‘The Broken circle breakdown’. ‘If I needed you’ is een song van Townes Van Zandt.

De song staat op ‘The very best of Townes Van Zandt: the Texas troubadour’, maar eigenlijk staat die best of hier alleen omdat de titel goed klinkt. Ik mis op de verzamelaar bijvoorbeeld een paar essentiële Townessongs zoals ‘Marie’, ‘Tower song’ en ‘You are not needed now’.

image

Punt is: ik ken van Van Zandt (1944 – 1 januari 1997) een paar vrij goeie platen, maar ik ken er geen enkele écht goeie. Ik bedoel daarmee: als hij er wel een echt goeie had gemaakt, stond ze in mijn top 5. De man schreef in stabiele periodes redelijk wat songs, nam ze snel op, en besteedde ze steevast uit aan de eerste de beste rechterhand die hij tegen het lijf liep, en die er iets mee deed dat hem verder weinig interesseerde, bijvoorbeeld er te veel fluit aan toevoegen, of conga’s aan amateurhanden overlaten en drums als paardjehopcountry laten klinken. Er moet wel bij verteld worden: de Nashville Wall Of Sound die Jack Clement optrekt is bij momenten indrukwekkend. Van Zandt was ondertussen alweer op weg naar zijn volgende optreden, motel, bungalow, blondine, brunette, goktent of drank- en drugsmoment.
 

 
‘Live at the Old Quarter, Houston, Texas’ biedt het beste zicht op de ruwe diamanten die ’s mans songs zijn, stand and deliver-ed door Van Zandt, zijn gitaar en het rumoer van het publiek in de kleine club dat ook in de mix zit. Levert een 10 op voor authenticiteit, maar een 6 voor Van A Tot Z Boeiend.

Een vrij coherente plaat is ook ‘The Late Great Townes Van Zandt’. De titel is zelfspot: na een avondje comazuipen belandde hij echt in een coma en bubbelde hij een tijdlang aan de onderkant. De comeback bevat (net als de rest van de discografie) weinig echte lows, een paar highs en vooral veel in betweens.
 

 

Een goeie mop die de man live tussen de tristesse wurmde: ‘What’s white and crawls up your leg? Uncle Ben’s Perverted Rice’. Een mindere: als hij een auto koopt zonder motor is dat niet erg want hij rijdt in het leven toch alleen bergaf. Een ander soort humor zit in de song ‘Brand new companion’: ‘She fits just like my guitar / she’s near as tall as me’. Een gemener stuk tekst? ‘A yellow haired woman brings nothing but pain’.

Tal van songs honkytonken of kleuren anderszins binnen de countrylijnen: ‘I’ve been turnstyled and junkpiled and railroaded too’ wordt alleen gezongen om daarna eeuwige trouw te beloven, met parlando erbij. Als men deze trukendoos opdient, gebeurt bij mij vanbinnen altijd iets dat te maken heeft met de bedrading tussen traanklieren en hersenen: ik krijg foutmelding. Dit soort country belooft three chords and the truth, maar wordt op een halve leugen betrapt, of op aanzwellende violen en mariachigetoeter.

Soms heb je bij TVZ-songs, net als bij hiphop, ondertiteling en hypertext nodig: de Delta Mama uit ‘Delta Mama blues’ was geen moeder en ook geen echtgenote, maar wel een in de jaren 70 in Texas populaire, straffe, bij elke drogist legaal te kopen hoestsiroop.

Ik wil de vraag ‘Wie is Townes Van Zandt?’ beantwoorden met de vraag ‘Wie is Gram Parsons?’ Parsons rekt zijn klinkers soms zo hartverscheurend op dat niemand meer tearjerker kan zeggen. Mocht hij de persoonlijkheidstest Precies versus Slordig hebben ingevuld, hij had overal slordig getest, behalve in zijn muzikale delivery. Parsons’ muziek is een beetje psychedelisch. En hij is van goede komaf, maar leefde aan de zelfkant van countryland en proefde van alle verboden vruchten. Townes Van Zandt? Zeer slordig man, behalve als het gaat om songs schrijven en verhalen vertellen? Check. Kosmische hoogten verkennende country? U gaat nergens straffer vinden, maar hoed u nog meer voor zijn realistische verhalen. Van goede komaf? Townes is evenmin in een trailer park geboren. Hij is de zoon van een hoge pief uit de Texaanse olie-industrie. Hij heeft een bipolaire stoornis. Als tiener springt hij uit een raam op de vierde verdieping. Zijn ouders antwoorden met psychiatrie en elektroshocks. In zijn eerste universiteitsjaar kiest hij voor één vak: ‘Lightnin’ Hopkins beluisteren’. Hij ziet niet meer om. Hij schrijft veel songs. Hij weigert bijna nooit drugs. Hij ziet eruit als Phil IJzerdraad. De Schoppen Aas is zijn stamsaloon.

Van Zandts beste teksten zijn harde, glasheldere documentaires vol ellende, mét empathie voor de mensen aan de onderkant, maar van een afstand. De vertelling is altijd secuur en perfect. Het loopt dikwijls slecht af.
 

 
De zanger zelf eindigde in de buurt van de man die dakloos is in de song ‘Marie’, een schitterend kortverhaal: ‘Summer wasn’t bad below the bridge / A little short on food that’s all / Now I gotta get Marie some kind of coat / We’re headed down into fall’. Op een opname een paar jaar voor zijn dood hoor je een stembereik dat het einde aankondigt, maar ook een songschrijver die zich staande houdt for the sake of the song.

Van Zandts mooiste zin? ‘Days up and down they come / Like rain on a conga drum’.

De gedachte ‘Everything is not enough / And nothin’ is too much to bear’ past beter op zijn graf dan ‘To live is to fly’ dat er nu op staat.

Willie Nelson, een bewonderaar, heeft gezegd: ‘Zijn probleem was: hij was een engel die te laag vloog’.

Van Zandt heeft niet tot het einde gewacht om een man van de herfst te zijn. Zijn meest verloren klinkende songs, ‘Nothin’ en ‘Rake’, zijn geen eindeloopbaanproducten, ze dateren al van 1971.

‘Rake’ is een from riches to rags-verhaal waarin je geen personages meer hoort, je hoort alleen Van Zandt zelf die weet dat het verval eraan komt.
 

 
‘Nothin’ leeft bij 0 graden Fahrenheit: in Celsiusgraden is dat ook bar koud. De song eindigt met ‘Sorrow and solitude / These are the precious things / And the only words / That are worth rememberin’. Dit is geen country meer, dit is een paradox die luidt: ‘Je beluistert ‘Nothin’ best in stabiele periodes, maar je hoort het nog beter op labieler dagen.’

Townes Van Zandt! Bij songs als ‘Kathleen’ (snik), ‘Flyin’ shoes’ (snikker) en ‘Waitin’ around to die’ (snikst) stel ik me de vraag ‘Als het waar is dat trieste muziek empathieverhogend werkt, in wat voor een land leeft dan de mens die voor ons muziek opdiept die zo triest is als deze?’

De Van Zandt die de ‘Nothin’-bergtop op gaat, die laat ik al eens passeren. Ik kijk ‘em dan zelfs niet na. Ik staar naar de avondschemering die van iedereen is en van niemand.
 

 

 

Het engelenhuis

 
image
 
Gustav Mahler
Kindertotenlieder
1901-1905

 

Gustav Mahlers beste single zou ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ kunnen zijn, uit een ep met vijf Rückertliederen. ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ gaat over iemand die al zó lang niks van zich laat horen dat de wereld zou kunnen denken: die man is uitgezongen, misschien zelfs gestorven. De wereld is natuurlijk het wereldse leven, voor toondichter Mahler een misleiding die moet worden overwonnen. Hij gebruikt een tekst van Friedrich Rückert, die pakweg een halve eeuw voor de componist op een gelijkaardige world shut your mouth-achtige wijze alleen leefde, in zíjn hemel, in zíjn liefde en in zíjn lied.
 

 
Mahlers mooiste verzameling songs heet ‘Kindertotenlieder’, liederen die in het prille begin van de 20e eeuw werden geschreven en dus alleen bij wijze van spreken een mini-lp van vijf stuks vormen. Alles opnieuw op tekst van Friedrich Rückert. Uit de ‘Kindertotenlieder’ mag je wel geen single trekken.

Kindertotenlieder! Denk ‘Atmosphere’ van Joy Division. Denk de meest donkere, deprimerende of melancholische film die u ooit zag. Neem een stuk tekst uit het ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’-lied in u op (bijvoorbeeld: ‘Ich bin gestorben dem Weltgetümmel / Und ruh’ in einem stillen Gebiet!’). Schuif er het via de film ‘Death in Venice’ zeer beroemd geworden adagietto uit Mahlers 5e symfonie onder, een compositie uit dezelfde periode waarvoor geldt: Mahler samplet Mahler. En hoe! Ook dit adagietto wil tot rust komen in een stil gebied. Bezoek nu op het kerkhof om de hoek de kleinste grafzerkjes. U bent mogelijk nog steeds niet klaar voor ‘Kindertotenlieder’, het strafste en schrijnendste mij bekende kunstwerk over wat sowieso de ergste vorm van rouw moet zijn: die na de dood van een eigen kind.

Heeft Mahler met de Kindertotenlieder de dood van zijn eigen dochter voorvoeld, vroegen mensen zich af, of nog erger: heeft hij die ellende over zich afgeroepen? Kom nu, zeg!

Tekstschrijver Friedrich Rückert (1788-1866) verloor eerst twee kinderen: in een tijdspanne van twee weken overleden ze allebei aan roodvonk. Meer dan 400 gedichten kwamen uit zijn pen, a rato van 2 à 3 per dag. Rückert heeft ze tijdens zijn leven nooit gepubliceeerd.

Toen Mahler in 1901 was ingestort van uitputting (en bijna was gestorven), lagen de Rückertgedichten op het nachttafeltje naast zijn herstelbed. Mahlers jeugd was de hele tijd een verlies van broers en zussen geweest: zeven van de dertien kinderen waren voor hun tweede verjaardag gestorven. Zijn lievelingsbroer overleed als jonge tiener. In 1902 moest Mahler ook de zelfmoord van een andere broer meemaken. De Rückertgedichten sneden door Mahlers merg en been. Liederen begonnen zich te vormen, drie werden in 1901 geschreven, twee verstopten zich in zijn hoofd en kwamen er in 1904 uit.

Eenmaal hersteld trouwde Mahler ondertussen met de piepjonge Alma Schindler. Ze kregen twee kinderen. Toen Mahler zich in 1904 opnieuw over de liederen boog, was zijn jonge vrouw geschokt door zoveel tarting van het noodlot. En ja, een dochter overleed. De feiten hebben dus hun rechten: Mahler was eerst lange tijd obsessief met deze liederen bezig, en na voltooiing stierf inderdaad een van zijn kinderen.

Zeer belangrijk detail: het rouwperspectief is in de orkestliederen dat van de vader. Wellicht wil ik daarom een man horen zingen. Mag Matthias Goerne zijn, Dietrich Fischer-Dieskau of Thomas Hampson… maakt me weinig uit.

Kom ook niet met pianobegeleiding alleen langs. Ik wil opener ‘Nun will die Sonn’ so Hell aufgehen’ aftastend horen beginnen via hobo en hoorn, ik wil blazers en strijkers horen afwisselen, samenvallen, uiteengaan en verdwalen, ik moet om de twee lang uitgerekte versregels de subtiele horror van die paar tikjes op het glockenspiel horen, mogelijk de nagalm van een engeltje.

De tekst van ‘Nun will’ is er één van vier keer hellig licht naast vier keer aardedonker: 1. De zon schijnt ’s ochtends voor iedereen, als was er ’s nachts geen ongeluk gebeurd. 2. Het ongeluk is particulier, de zon niet. 3. ‘Je moet de nacht niet in jezelf opsluiten, maar haar integendeel in eeuwig licht onderdompelen’. 4. ‘Een lampje ging uit in mijn tent. Blijft over: het vreugdelicht van de wereld.’

Tot daar de tekst. Een eigenaardig contrast: in het begin is de zanger het wanhopigst in het lichtgedeelte. Na strofe 2 wordt duidelijk: tekst en muziek verwijderen zich van mekaar, zijn mekaars schaduwen, tegengestelden, ja zelfs vijanden. De dood belooft licht omdat het leven al donker is. Na strofe 3 neemt het orkest over omdat de ontreddering zo beter wordt uitgedrukt. Het slot van ‘Nun wil’ vat ik het liefst via één zin uit het in 2014 verschenen prachtboek ‘Orfeo’ van Richard Powers: ‘Als het instrumentale tussenspel de derde keer terugkomt, raakt het lied de weg kwijt en begint de 20e eeuw.’
 

 
Na die korte Ausbrechung lijkt de eerste rok van de ui der aanvaarding afgepeld. Maar dat lijkt alleen zo. ‘Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen’ zit vol herinneringen aan donkere vlammen van nog levende kinderogen, die toen al een verhaal wilden vertellen. Klinkt vrij traag, vrij schrijnend, vrij moedeloos, lijkt een beetje op het beroemde, slepende Mahleradagietto. Maar wat moet je anders met zo’n noodlotonderwerp? De in gedachten verzonken vader allerlei kanten opsturen?
 

 
‘Wenn dein Mütterlein’ is trouwens een andere kant. ‘Als je moeder in de deuropening staat’, gaat de tekst, ‘en ik mijn hoofd draai om haar te bekijken, gaat mijn eerste blik niet naar haar gezicht, maar naar de drempel, waar altijd jouw lief klein gezichtje verscheen.’ De muziek? Een hobo maakt Bachkringetjes, andere blazers vallen in, strijkers worden pizzicato gespeeld, pas aan het eind komt alles een beetje samen, maar alleen in de lage registers.
 

 
In Lied 4 spelen zoeter klinkende strijkers een hoofdrol. Een walsje is niet veraf. De tekst is er één van totale ontkenning: ‘Oft denk’ ich sie sind nur ausgegangen / Bald werden sie wieder nach Hause gelangen / Der Tag ist schön! O, sei nicht bang / Sie machen nur einen weiten gang’. De muziek gaat enthousiast door. De vader is een beetje gek aan het worden via zijn visioen van een mooie dag en via zijn ‘slechts een wandelingetje makende’ kinderen. Hij lijkt ver verwijderd van een begin van aanvaarding.
 

 
En dat terwijl we in tijdnood raken, want ‘In diesem Wetter, in diesem Braus’ is de afsluiter. Een minikakofonie verbeeldt een storm, die niet meer af en toe door een paar blazers en hier en daar antwoordende strijkers wordt getoonzet, maar waarin voor het eerst een heel symfonie-orkest de borstkas ophoogt: ‘Bij zulk een weer, bij zulk een storm / zou ik de kinderen nooit naar buiten hebben gestuurd’, zingt de bariton, ook op dreef. Dit is bijna een Wagner-Walkürenrit, één waarin de zanger plots ontdekt dat hij zich om deze storm en om de eventueel erin verzeild geraakte kinderen geen zorgen meer hoeft te maken. Want! Ze! Zijn! Gewoon! Dood!! De storm gaat nu liggen, het spooky glockenspiel van het Lied 1 is terug van weggeweest, bastonen nemen over boven een godgezonden tekst: ‘Von keinem Sturm erschrecket / Von Gottes Hand bedecket / Sie ruh’n, sie ruh’n / Wie als in der Mutter Haus’. Een hoorn brengt nog een laatste groet, een cello steelt een liefdesboodschap uit de finale van Mahlers eigen 3e symfonie, en zelfs de fade out is indrukwekkend.
 

 
Dus het inzicht komt plots, een soort van eeuwig leven is de troostbrenger, het verdriet neemt af, het engelenhuis is op de valreep gebouwd en de wereld vergaat een beetje minder dan drie minuten ervoor. De vraag is niet: ‘Kunnen we dit leed vandaag nog op deze manier verwerken?’ De vraag is: ‘Hoé anders?’

Er zijn mensen die beweren dat deze muziek afkomstig is van een kamerorkest, en inderdaad: het grote, volle geluid van de symfonie is hier amper te horen. Symfonie, roepen anderen, als wilden ze een tegensprekelijk debat organiseren, en dat klopt ook, want de ontreddering en de aanvaarding aan het eind van Lied 1 duiken pas aan het eind weer op als thema, het moment ook van de terugkeer van de glockenspiel, hier scherp als een naald geschikt voor beenmergpunctie. Requiem, wordt ook in de groep gegooid, en spreek dát eens tegen.

‘Kindertotenlieder’ is dus een drielandenpunt. Voor mij staan er in dat grensgebied ook wegwijzers naar symfonieën van Mahler van later; de 9e is hier tegenwoordig de meest gedraaide. Ik neem aan dat het verkeer ook vlot verloopt naar de periode voor deze Lieder, want ook daar moet ik een en ander inhalen.

Ook het samen met de 9e in Mahlers laatste levensjaren gecomponeerde ‘Das Lied von der Erde’ staat in de verte te glimmen. Kwam na de dood van Mahlers kind, na een hartaanval, na een confrontatie met het grote niets. ‘Das Lied’ is een meditatie die wijdlopig ingaat op allerlei in Azië bijeengesprokkelde details: geplukte Lotusbloemen, een aap die danst op een graf, de als jadepoeder uitgestrooide rijp op de grassprieten, de naar het paviljoen leidende boogbrug die na een paar bekers wijn omgekeerd in het water begint te staan. Bij het afscheid legt de hoofdpersoon zich neer bij de eeuwige wederkeer der dingen.

‘Das Lied’ is veel ineens: een verslag van de laatste winter voor de dood, een trip doorheen symboliek van een ander continent, een fragment binnen de grote geschiedenis van de filosofie en een rode loper richting veel meer 20e-eeuwse toontaal.

Ik ben, maar dat vermoedde u al, een Gustav Mahlerliefhebber in opbouw.
 

 

De steen opnieuw naar beneden zien rollen

 
image
 
Nick Drake
Five leaves left
1969

 
 

Nick Drake is een man die tijdens zijn korte leven niet veel applaus krijgt. Hij trekt op een heel andere manier een wissel op de eeuwigheid.

Na een korte, totaal mislukte muzikantencarrière gaat de ontgoochelde artiest opnieuw bij zijn ouders wonen, en sterft hij in Tanworth-in-Arden na inname van te veel antidepressiva. Hoe we ons die ouderlijke villa in het kader van de niet ver van de boom vallende appel moeten voorstellen? Als moeder Molly Drake van achter de piano zong, was heel het huis vol weemoed.

Een gedicht van haar heet ‘The shell’, naar de schelp (eierdop is nog beter) waarbinnen de gezapigen ijsberen, hun benepen vreugdemomenten beleven en de donkere buitenkant ontkennen. ‘Some break the shell / … / and make a hole / and through that cruel slit / stare out across the cinders of the world / … / They look both in and out knowing themselves / and too much else beside.’
 

 

Tot waar zou Nick Drake trouwens hebben gelezen in Albert Camus’ zelfmoordessay ‘De mythe van Sisyphus’, dat aan het eind van zijn leven op zijn nachtkastje lag? Ik mag hopen verder dan de beginzin: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord’. Waarschijnlijk tot bij het al vroeg opduikende onderscheid tussen het leven dat niet de moeite loont om geleefd te worden en het leven dat geen zin heeft. Kort door de bocht samengevat: ’t is niet omdat het leven geen zin heeft dat het niet de moeite loont! Enfin, volgens Camus toch.

Heeft een van mijn favoriete akoestische gitaarmannen liggen lezen tot aan de ervaring van het absurde, die ons zomaar kan komen aanwaaien, ‘bijvoorbeeld in de draaideur van een restaurant’? Opnieuw kort door de bocht: de mens vraagt, de wereld zwijgt, en dat is het absurde. Doet me aan de Drakesong ‘Time of no reply’ denken, een outtake van de debuutplaat ‘Five leaves left’, een plaat die op 11 belandt. De wereld zwijgt in die song als vermoord: ‘The sun went down and the crowd went home / I was left by the roadside all alone / I turned to speak as they went by / But this was the time of no reply’. De filosoof Camus aanvaardt dat absurde, maar dan om vanop die plek vrij, hartstochtelijk, bewust en intens te leven en in opstand te komen.
 

 

Maar tot waar heeft Nick Drake gelezen, vroeg ik me af. Misschien tot bij Sisyphus, een koppige sterveling die wordt veroordeeld tot een oneindige straf: almaar een rotsblok de helling op duwen en de steen er opnieuw zien af rollen; hij vindt zijn last onderaan de berg altijd terug. Telkens als Sisyphus naar beneden wandelt, wordt hij zich bewust van het absurde van zijn situatie. Hij overwint het noodlot door verachting. Zijn noodlot hoort hem op de duur toe.

Laatste Camuszinnen: ‘De strijd op zichzelf is voldoende om het hart van de mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

image

Ik weet niet op welke plek Drake het boek weglegde, maar het zou kunnen dat sommige mensen het wel weten, want wat een hoop details kennen we ondertussen niet over Drakes leven, zeg: dat hij die noodlottige nacht van 24 november 1974, voor hij die overdosis antidepressiva nam, is opgestaan om cornflakes te eten, bijvoorbeeld. Het staat allemaal in de Nick Drakekrant.

De vraag is: hoeveel van die details blijven er bijkomen? X aantal jaren geleden kende ik al zijn Vier letzte Lieder van februari 1974, en dus van ná de derde plaat ‘Pink moon’. De twee meest schrijnende van die hekkensluiters zijn ‘Hanging On A Star’, mogelijk een bitter commentaar op de onderwaardering voor zijn werk (‘Why leave me hanging on a star / When you deem me so high?’) en ‘Black Eyed Dog’, over een zwartogige hond die Drake als een duivel uit een hasjdroom achtervolgt, een spookverschijning met een blaf als een gong, een dier dat hem in de laatste ronde van zijn leven bij de voornaam kende.
 

 

Wat blijkt nu? In het nieuwe millennium is ook een vijfde lied opgedoken, een ‘allerlaatste’ opname van juli 1974. Als om het raadsel nog groter te maken, is dat ‘Tow the line’ een positief verhaal en een uitstekende, evenwichtige song. Ben ik blij om. Ik bedoel: blij dat het raadsel onder de microscoop van deze tijd hier en daar onopgelost blijft.

In 2007 verscheen ook ‘Family tree’, een goudmijn van demo’s waarop vroege invloeden bijna periodiek worden gerangschikt. Een paar traditionals leveren talkin’ blues op in een Engelse villawijkvariant. Er zijn songs bij van Jackson C. Frank, wiens fingerpicking in de buurt komt van die van Drake. Een enkele keer worden Bert Jansch en Bob Dylan gecovered. Eerst Dave Van Ronks ‘If you leave me’ horen en dan Nick Drakes versie is een glimp opvangen van de grandeur die gaat komen. Drakes stem is zeer verwant aan die van moeder Molly Drake, aan wie ik u al heb voorgesteld.

‘Been smoking too long’ is van Robin Frederick, die met Drake in het zuiden van Frankrijk une belle histoire had toen ze allebei 18 waren. Zelfs de tekst ‘Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard / Elle descendait dans le midi’ uit het lied van Michel Fugain zou in hun geval op een rare manier kunnen kloppen. Frederick geeft tegenwoordig muziekles en heeft laag na laag van het Drake-universum afgepeld: ‘Hij ontdekte een nieuwe manier om akkoordprogressie met melodie te verknopen, zoals Brian Wilson ons akkoorden als pretzels leerde rollen.’ Ze redeneert mooi tot het einde door: ‘Zeggen dat het bij Nick Drake vooral om donkere romantiek gaat, is als zeggen dat het bij Brian Wilson om surfen te doen is.’ Hé, da’s eens wat anders dan Drakes graf bezoeken! Om daarna in het bos een onschuldig hertenjong te willen tegenkomen!
 

 

Eén heel belangrijke invloed vind je niet terug op de ‘Family tree’-demo’s: de song ‘Who knows where the time goes?’ van Fairport Convention. Eenzelfde zachtheid die een beetje ongerust maakt, gemaakt in hetzelfde jaar, en qua sfeer en arrangement bijna een kopie van wat eigenlijk dé Drakegeboortekaart is: de opener van dit debuut die begint met ‘Time has told me / You’re a rare, rare find’. ‘Time has told me’ is een deelverzameling vol folk, country, blues en fietsen op de heide.

De gelijkenis met de Fairportsong is er niet zonder reden: producer Joe Boyd is dezelfde, Fairports Richard Thompson speelt in de song gitaar en bassist Danny Thompson (geen familie van Richard), kwam van bij Pentangle (muzikaal wél dezelfde folkfamilie). Drake komt dus via de grote poort binnen en weet in de studio heel goed wat hij wil, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat zijn studiemakker Robert Kirby de strijkers mag arrangeren. Een van de hoogtepunten is ‘Way to blue’, alléén stem en strijkers.

Mijmering. Als Drakes debuut tijdens zijn leven half het succes was geweest van wat het postuum is geworden, had hij bij het maken van opvolger ‘Bryter layter’ veel meer zeggenschap gekregen en waren die parels soberder uitgevoerd, en als daar ook applaus en geld bij gehoord had, was de derde plaat vanzelf minder somber geworden. Denk ik weer maar eens. Ik weet dat het wishful thinking is, en dus bullshit, en toch blijf ik het denken.

Dat wil zeggen: tot ik ‘Day is done’ en ‘Three hours’ en ‘River man’ en de congas van ‘Cello song’ hoor, want dan is zelfmoordland plots weg, en zie ik een rijzige jonge man die van de campus in Cambridge naar het station stapt en die er minder als een hippie uit ziet dan de andere studenten.

Hij is op weg naar een studio in Londen en loopt over van de ambitie. Hij zal een plaat maken die zo weergaloos tijdloos is dat ze vandaag precies zo zou kunnen verschijnen. Ze zou alleen anders heten, want in pakjes Rizla zit geen geel sigarettenvloeitje meer met daarop in rode waarschuwingsletters ‘Only five leaves left’. Vandaag is het ’10 papers left’ geworden.

image

Aan de tekstkant is de song ‘Fruit tree’, waarin wordt nagedacht over beroemdheid, uitgelegd als een profetie, alsof de zanger wist dat hij tijdens zijn leven slechts een voetnoot bij een voetnoot zou blijven. De tekst is evengoed een genre waarin jonge dichters overdrijven – pakweg over het relatieve van roem – zeker als ze zich al van jongs af door de Engelse romantici laten kneden.

Aan de muziekkant blijft bij Drake de uitstraling over van iemand bij wie de hele fuckin’ wereld als water door de vingers lijkt te glijden, behalve als hij zich over zijn gitaar buigt, instrument waarover hij meer meester was dan vijf Elliott Smiths samen, en die Elliott Smith was evenmin een krabber.

Mijmering. In de Drakedocumentaire ‘A skin too few’ worden een paar mensen die Drake gekend hebben, maar mekaar niet (de enen waren zijn studiemakkers, de anderen zijn platenfirmacontacten) bij een goed glas wijn samengebracht. Ze discussiëren over de waarde van Drakes muziek. Een vriend ziet in hem een tragisch miskend genie, en een briljant tekstschrijver. De platenfirmaman relativeert met de stelling dat Drakes probleem erin bestond dat hij niet wilde optreden, omdat hij een keer het geroezemoes en het glazengerinkel – een enkele keer zelfs de dronken zeemansstemming – niet had kunnen overstemmen.

In het pluche van de grote zalen, in het voorprogramma van de folkadel van die tijd, lukte het nog, maar in de kroegen trok Drake naar het schijnt bleek weg. ‘In die tijd’, zegt de firmaman, ‘was er voor slaapkamerartiesten met ernstige podiumvrees veel minder plaats dan vandaag.’ Is genoteerd, en is waarschijnlijk waar.

Lichtpuntje: heel wat muziekhelden zijn op hun 27ste gestorven. Nick Drake is 26 geworden en is dus geen lid van de 27-club.

Zo. Nog 10 platen te gaan in Honderd. In zekere zin ’10 papers left’.
 
image