Zorg dat je olifantenpijpen draagt

 
image
 
Nick Drake
(Bryter layter 1970)
Pink moon 1972

 

Kitsch!

Musicals zijn kitsch. Weekendfilms ook. En Jeff Koonskunst. Rococo niet vergeten. Grote, betraande manga-ogen. De oooh’s bij het zien van pas geboren poesjes. Homo’s in gesprek over ABBA. Koningshuizen.

Ik zou kunnen zeggen: ik haat kitsch. Maar wat is de youtubevideo hieronder anders dan pure, onversneden kitsch?
 

 

‘Northern sky’ dus. Voorlaatste song vanop ‘Bryter layter’, Nick Drakes tweede van drie platen.

Vandaag duurt het even voor ik mijn notities van twee jaar geleden bij ‘Bryter layter’ begrijp: ‘Londen. Irritante, soms haast ondraaglijke altsax.’

De tekst van opener ‘Hazey Jane II’ verklaart meteen Londen. Nick Drake (geboren in Rangoon, Birma in 1948 – gestorven in Tanworth-in-Arden in 1974) is naar de grote stad verhuisd na een jaar of twee op de universiteitscampus van het overzichtelijke Cambridge, waar zijn maten net als hij te veel joints roken, en in de muziekclub naar Edward Elgar en Fairport Convention luisteren.

Drakes debuut ‘Five leaves left’ is commercieel geflopt, en hij is nu Cambridge drop out en fulltime muzikant.

Primaire waarneming van Londen: haar bevolkingsdichtheid: ‘And what will happen in the morning when the world it gets so crowded that you can’t look out the window in the morning’. Zin 2 is een goeie, zelfrelativerende grap die terugkoppelt naar landelijker gebieden. Enfin, dat denk ik toch: ‘And what will happen in the evening in the forest with the weasel with the teeth that bite so sharp when you’re not looking in the evening’. ‘Hazey Jane II’ is naar Drakenormen uptempo, bijna-vrolijk.
 

 

Die ‘ondraaglijke’ sax dan. Mocht tijdreizen ooit iets saais worden en dus een discipline zijn waarin het meeste nuttige wereldoplapwerk al is gedaan – ik bedoel: Hitler en Stalin zijn omgebracht er er is zelfs naar het Tanworth-in-Arden van 24 november 1974 afgereisd om Nick Drakes noodlottige antidepressiva te jatten – dan pas mag u checken of er al naar 1970 en naar de Londense Sound Techniques-studio is geflitst om een handdoek te proppen in de irritante altsax van ‘Poor boy’. Zó dringend is het dus niet.

Aan de minkant van Drakes tweede plaat zitten ook een constant aanwezige piano, de quasi overal opgelegde jazzgezelligheid en drie instrumentalen die zich meer tot fingerpicking hadden mogen beperken.

Aan de pluskant torenen er zeven wereldsongs bovenuit, die in hun geheel genomen de zeven meest hoopvolle en positief denkende zijn uit de korte carrière van deze schuchtere, koppige, onnavolgbare bard. Na wat oefenen lukt het perfect de twee enige instrumenten van echt onschatbare waarde eruit te filteren: de gitaar van Nick Drake en de stem van Nick Drake.
 

 
Drakes afsluiter ‘Pink moon’ en de wondermooie demo’s die postuum zijn uitgebracht zijn veel meer herfstachtig verval, en veel minder lente-achtig herstel dan ‘Bryter layter’, en voelen comfortabeler aan in een verhaal waarvan je weet: komt geen happy end aan. ‘Bryter layter’ is eigenlijk ’s mans hardste plaat, ook omdat je dat optimisme hoort in de poging van de overijverige producer… tja, om er een succes van te maken, zeker. Wisten ze toen veel dat er alleen postuum roem te vergaren was.

Mijn favoriete tekstfragment van ‘Bryter layter’: ‘Things I say / may seem stranger than sunday / changing to monday’.

Het isolement bondig verbeeld: ‘Stay indoors / Beneath the floors / Talk with neighbours only’.

Moment dat illustreert hoe deze man buiten de reguliere tijd lijkt te leven: ‘Do you feel like a remnant / Of something that’s past? / Do you find things are moving / Just a little too fast?’

Mag ik ook een humoristisch Grieks koor aanstippen dat boven het klagerige ‘Poor boy’ zingt: ‘A poor boy, so sorry for himself’. Of iets over de Londense modepolitie: ‘See your trousers don’t taper’, zorg dat je broekspijpen niet taps toelopen. Met andere woorden: draag olifantenpijpen zoals iedereen toen in Londen. Scoop: Nick Drake was een zichzelf relativerende, de samenleving ironisch in de tang nemende grapjas!

De plaat heet trouwens ‘Bryter layter’ omdat weermannen op tv het zo uitspraken.

 
image
 

Twee jaar na ‘Bryter layter’ komt ‘Pink moon’. Het is de plaat die de eindsprint inzet. ‘Pink moon’ wordt soms half gemurmeld. ‘Pink moon’ kan zichzelf verdedigen. Het is vooral ‘Pink moon’ dat op 29 staat. Wie in verband met ‘Pink moon’ van niks weet, … nee, dat kan en mag gewoon niet.

Een voorbeeld? Iets illustratiefs? Een lokkertje? Vooruit dan! Even onvatbaar als Drakes op deze plaat ronduit verbluffende gitaargetokkel is de tekst van ‘Know’: ‘You know that I love you / you know I don’t care / you know that I see you / you know I’m not there’.

‘Pink moon’ is het absolute tegendeel van kitsch.

 

 

Kutmuziek

 
image
 
Jaap Fischer
De liedjes van Jaap Fischer
1961-1963

 

Voor een korte bio van de Nederlandse troubadour Jaap Fischer (echte naam: Joop Visser) en voor iets over Vissers legendarische 2013-doortocht in een amusementsprogramma op tv is het langs hier.

Jaap Fischer had dus tussen 1961 en 1964 veel succes. En toen vond hij een onzichtbaarheidsmantel.

Wat nóg vertellen? Dat iemand me onlangs een filmpje doorstuurde, en dat filmpje gaat over Kutmuziek op Radio 1. Bedoeld wordt: kutmuziek op de Néderlandse Radio 1.
 

 
De Liedjes Van Jaap Fischer dateren van ruim 50 jaar voor ‘Kutmuziek’. OOR Popencyclopedie zegt: ‘De verzamelaar ‘De Liedjes Van Jaap Fischer’ wordt zeer tegen zijn zin in uitgebracht, maar staat in de zomer van 1997 hoog in de albumlijsten.’

Een geluk dat de zanger zijn zin niet heeft kunnen doordrijven, want mijn vader had een paar Fischerplaten, maar ik weet niet waar ze zijn, en ik heb via deze in 1997 uitgebrachte verzamel-cd (en in die dagen alléén via die cd) de Fischerliedjes uit de periode 1961-1963 kunnen herontdekken.

Een van de redenen voor die Fischerschaarste: voor zover ik er zicht op heb zijn ’s mans liedjes 17 vernieuwingsoperaties geleden al uit Radioland verbannen. In ruil hebben we af en toe iets deftigs gekregen, maar ook veel Kutmuziek.

schrijversinfo.nl zegt: ‘Joop Visser trad in zijn studententijd op onder zijn echte naam: Jaap Fischer.’ Hoezo? Nu ben ik echt in de war.

Stuk van de hoestekst van de EP ‘Monniken/De koning/Peer/Kater/Hutje/De laatste keer’: ‘De chansons van deze moderne Nederlandse troubadour worden gekenmerkt door een merkwaardig gevoel voor humor, gecombineerd met soms bijna macabere cynismen. De lach en de traan zijn beiden vertegenwoordigd in een omlijsting van melodieuze gitaarmuziek. Dat de Nederlandse taal ook in staat is om dergelijke, soms bijna Frans aandoende chansons te produceren, bewijst Jaap Fischer met een voorlopig ongeëvenaard meesterschap.’

1961-1963. Ik kan Fischers werk moeilijk vergelijken met de harde tijden die Bob Dylan in dezelfde jaren in New York doormaakte.

Zijn liedjes hebben ook weinig te maken met wat Serge Gainsbourg in die dagen vingerknippend deed voor een jukebox waar jazz, twist, chachacha en mambo uit kwam.

Kleinkunst is het. Kleinkunst die niet zóveel verschilt van die van Kor van der Goten, een uit iets zuidelijker gelegen lowlands afkomstige zanger. In timbre en cadans legt van der Goten veel meer dan Fischer een carbonnetje onder Georges Brassens, dat wel: ‘Wij bestelden een thee / in een stemmig café / en het ene bracht / ja, ook het andere mee’.

Nog een voorbeeld:
 

 
Klinkt als:

 
Ik heb eigenlijk geen voorbeeldartiest gevonden naast wie Jaap Fischer is gaan lopen. De man is een universum op zich. De studentenstad Leiden dient hem tot achtergrond. Hij fietst er soms dronken in rond, en bezingt in de minst goeie songs zijn katers en de meisjes die hij al dan niet ‘heeft gehad’. Een woordje Latijn binnensmokkelen was toen ook een goeie grap. Er wordt gelukkig nergens een codex opengeslagen op bladzijde 223. Het haar is tot over de oren kort geknipt.

Without furher ado: mijn Jaap Fischer-Top 5! Het allerbeste uit 1961-1963!

5. ‘Jan Soldaat’. Geschreven uit sympathie voor de wanhopige loner. ‘Jan was een vrolijke soldaat / Hij gooide alleen z’n handgranaat / Voor vrouw en kind en vaderland / En hij gooide ‘m alleen van hogerhand’. Mensen spogen voor hem op de stoep. Kinderen riepen pies, poep en vuile, vuile moordenaar. In het hele land was immers geen één militair meer. Alleen Jan bleef over. Maar dan belt de koning: ‘De vijand staat al voor Maastricht / Pak je kanon en doe je plicht’. Verloopt voorts weemoedig, alsook absurd.

4. ‘Tem me dan’. Aan het begin Spaanse gitaar: ‘We zijn bevriende mogendheden / En als je straks wordt overreden / Meld ik me als de dader aan / Zoiets had iedereen gedaan’. Wat volgt munt evenmin uit in rozengeur en maneschijn: ‘Als ik ooit terugkom / Weet dan goed waarom / Niet omdat je mooi bent want dat ben je niet / Niet omdat je slim bent want dat ben je niet / Niet omdat je koken kan, dat kan je niet / Maar alleen omdat ik geen ander weet’. Alles ontaardt in een nog grotere scheldpartij en in de ‘macabere cynismen’ van de hoestekst van hierboven! Ik heb ‘Tem me dan’ ooit horen brengen door een akoestische Daan, in een klein zaaltje van de Brusselse Botanique, voor een voornamelijk Franstalig publiek. Which was nice!
 

 
3. ‘Monniken’: ‘Daar woonden twee monniken Hans en Joop in een klooster op een heuvel / ze sleten hun tijd, en dat was een hoop, met sigaren, wijn en gekeuvel’. Overal de sfeer van afwezige jodelecho’s. Een meisje trekt bij Hans en Joop in, en dat leidt tot een zeugma: ‘In het klooster ging de wijnfles rond / in het dorp de roddelverhalen’. Stichting Okapi/Stichting Jan Rot bekroonde een tijdlang elk jaar ‘jaloersmakende eigenzinnigheid’, en de 2007-versie van ‘Monniken’, die op een in eigen beheer uitgebrachte cd van Joop Visser en zijn vrouw Jessica van Noord staat, kreeg dat jaar die okapi. Jan Rot is een eenmansjury en tevens voorzitter van de Stichting (en in zijn eigen woorden: ook boeker, ontwerper, webmaster en meisje van de publiciteit in één) die een liedkunstenaar bekroont ‘zonder aanziens des persoons, los van commerciële waarde, status of verkrijgbaarheid van het werk’. Visser is niet alleen dé ideale winnaar, hij won in 2007 al zijn tweede okapi. Hij had zich opnieuw ingeschreven met de mededeling: ‘Twee okapi’s is zoveel gezelliger’. Met dit soort onzin kleur ik graag mijn dag.

2. ‘Sprookje’. Een huwbare prinses krijgt drie mannen aan de kasteelpoort die over de liefde komen vertellen: een geleerde, een vreemde snoeshaan en Hans. Natuurlijk wint Hans. Maar hoé? Zoekplaatje met datingtip!
 

 

1. ‘Het ei’: ‘Ik kocht een ei / De melkboer zei / ’t Komt zo onder de kip vandaan / ‘k Ben nog te laat van huis gegaan om ’t mee te kunnen nemen / Hier heeft u een jong leven, voor 16 cent of meer / En namens de ouders smakelijk eten meneer’. Toendertijd schreef men over songs als deze: ‘De lach en de traan zijn beiden vertegenwoordigd in een omlijsting van melodieuze gitaarmuziek.’ In de clichés van onze tijden besluit ik – als betrof het een reactie op een Youtubepost – met ‘Beste. Nederlandstalige. Song. Ooit!’. Maar ik meen het wel.
 

 
Dit zijn ze allemaal:
 

 
Dit is wat op Spotify staat:
 

 

Zuigen aan de oortip van je bril

 
image
 
Bob Dylan
John Wesley Harding
1967

 

De Jack White van nummer 45 beweert drie vaders te hebben: zijn natuurlijke vader (hij was tiende kind en – nog belangrijker – zevende zoon), god (oké dan) en Bob Dylan.

Jack White is nog niet geboren als zijn derde vader midden jaren 60 elektrisch gaat en sommige folkliefhebbers hem hecklen met ‘Boeh!’ Eén man roept vanuit het donker ‘Judas’. Waarom eigenlijk? Welke Messias heeft Dylan verraden? Aan wie? En voor hoeveel zilverlingen?

Vanuit een bizar soort oog van de storm werkt Bob Dylan het ene schandaaloptreden na de andere persconferentie af, en via de films ‘Don’t look back’ en ‘No direction home’ kunnen wij meekijken.

Het is ’s mans bedoeling om voor en na de show uit te leggen dat hij zich geen embleem, symbool, spreekbuis of patroonheilige van een generatie voelt, maar wel een song and dance man.

Ook al wie in de decennia die volgen de man heeft voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur heeft toen niet goed opgelet. Terwijl het toén simpel was en vandaag simpel blijft: Dylan schrijft geen proza en geen poëzie, hij schrijft songs. Die kunnen ons hooguit bij de vraag brengen: op welke Dylansongs kán je eigenlijk dansen, hoé moet dat en kunnen we daarvoor niet beter de ughs van James Brown gebruiken?

Terug naar de persconferenties. Een journalist merkt op dat de song and dance man geen protestsongs meer schrijft. Dylan zegt dat al zijn songs protestsongs zijn. Iemand vraagt hoeveel protestzangers er zijn. ‘Ongeveer 136’, antwoordt Dylan. Een grap van het niveau van Lenny Bruce. Een enkeling die lacht. ‘Ongeveer 136 of exact 136?’, vraagt de reporter, ogenschijnlijk zonder ironie. ‘Ofwel 136, ofwel 142’, zegt Dylan.

‘Is het waar dat je songs een subtiele boodschap hebben?’, vraagt een vrouw. Dylan vraagt waar ze dat vandaan heeft. Antwoord: ‘Uit een filmtijdschrift’.

Andere vraag: ‘Vind je jezelf de ultieme beatnik?’ Tegenvraag: ‘Wat vind jij?’ Antwoord: ‘Daar kan ik niks over zeggen, want ik heb je muziek nooit gehoord.’

Vraag van een fotograaf: ‘Wil je eens zuigen aan een oortip van je bril?’

Aan het einde van de film ‘No direction home’ zien we een door drugs en fratsen van sixtiespaparazzi oververmoeide muzikant die z’n manager wanhopig om vakantie vraagt. Een paar maanden dáárna, zegt een slotmededeling op het scherm, heeft Dylan een motorongeval. Hij zal zeven jaar lang niet toeren.

Wat hij wel doet? Herstellen met Dafalgan forte. Daarna: met zijn begeleidingsgroep The Hawks, die plots The Band heet, in de kelder van een roze bungalow aan ‘The basement tapes’ werken. Die tapes nog niet uitbrengen. Zonder dat The Band van iets weet naar Nashville vliegen. Daar in minder dan 12 uur, enkel begeleid door een bassist en een drummer, 10 songs van ‘John Wesley Harding’ opnemen. Later teruggaan om er nóg twee – duidelijk vrolijker klinkende – op plaat te zetten, dit keer met een pedal steelgitarist erbij. Aan de platenfirma vragen amper publiciteit te maken en de plaat snel uit te brengen.

Muzikaal is het snerpende van de rockende Dylan eruit. De teksten zijn een dikke helft beknopter dan die van ‘Highway 61 revisited’ en ‘Blonde on blonde’. Dylans verteltrant is minder gehaast. Zinnen volgen logisch uit vorige zinnen. Zijn stem is anders.

Het enige dat in die jaren niet verandert is het gewauwel van Dylanologen. John Wesley Harding is afgekort JWH, en dat zijn ook de initialen van Jahweh. Op de hoesfoto zitten The Beatles achter een boom verstopt. Dat gaat maar door.

image

Mijn favorieten van ‘Harding’ zijn ook gecovered door andere favorieten: ‘All along the watchtower’ door Jimi Hendrix, ‘I am a lonesome hobo’ door The Triffids, ‘I pity the poor immigrant’ hoorde ik live brengen door Angels Of Light (de noiseloze groep van Michael Gira van Swans) en aan de ingetogen versie van ‘I dreamed I saw Saint Augustine’ van Dirty Projectors ben ik op Youtube blijven plakken. Soms lijkt trouwens 3/4 van het oeuvre van Jan De Wilde een variatie op deze plaat.

‘JWH’ begint met het verhaal van een desperado die nooit een eerlijk man kwaad heeft gedaan en blijft ook in de negen songs die volgen een nachtelijke meditatie waarin Tom Paine en Sint-Augustinus en Priester Judas en de zwerver en de immigrant en de huisbaas en de grapjas en de dief (en zelfs schuld en boete) langskomen.

Als ik er niets van begrijp, begrijp ik er niets van en stoort het niet, en wat ik wel denk te begrijpen lijkt eerst gewoon over een huisjesmelker te gaan, of over een zwerver die aan gevangenschap ontsnapt door een blikseminslag, en doet zich niet in de eerste plaats voor als een subtiele metafoor voor iets anders. Maar daarna wordt al het niet-letterlijke plots wel de essentie. Bijzondere plaat, die alles behalve in de sixties van de vorige eeuw lijkt te leven.

Er moet ook enorm veel zijn weggegomd. En het moest snel gaan. Wie via deze plaat aan Dylan wil beginnen gaat een weg op die ik niet ken, want ik ben bij zowat al de rest begonnen.

‘Down along the cove’ en ‘I’ll be your baby tonight’ zijn de twee lichtvoetige pedal steelsongs die ‘JWH’ afsluiten. Op de eerste zou je kunnen dansen, de tweede hangt in de zetel, voeten op het salontafeltje. Dylan: ‘Ik had graag overal wat pedal steel gehad, maar ja, hoe gaat dat!’

Na ‘John Wesley Harding’ schreef de man een paar fantastische pop- en countrydingen (‘Lay lady lay’, ‘I threw it all away’, ‘If not for you’, …) en terwijl iedereen de mond vol had van revolutie werd hij een familieman op de vlucht voor opdringerige fans.

Als we de autobiografie ‘Kronieken’ mogen geloven, ging het niet goed: ‘Alles wat ik bedenken kon, kwakte ik tegen de muur en wat bleef plakken, bracht ik uit en toen keek ik nog een keer en alles wat niet was blijven plakken, schepte ik op en dat bracht ik ook uit. Woodstock liep ik mis – ik was er gewoon niet. Altamont – sympathy for the devil – miste ik ook. Tenslotte zou ik een hele lp uitbrengen die gebaseerd was op korte verhalen van Tsjechov – de critici dachten dat het autobiografisch was – goed zo.’

Ooit vroeg ik aan de kern van Mercury Rev wie hun favoriete stand up comedian was. Alle twee tegelijk: ‘Bob Dylan’. Genoteerd, pal naast de vaststelling dat Dylan in ‘Kronieken’ met zekerheid over één ding liegt: lang niet alles wat wel of niet was blijven plakken bracht hij in die jaren uit. Ten bewijze het pas in 2013 opgedoken ‘Another Self Portait’, vol met demo’s van het jaar 1970 en omstreken. In theorie allemaal mogelijke Tsjechovbewerkingen.