Zeer geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer

 
image
 
Olivier Messiaen
Quatuor pour la fin du temps
1940

 
 

Op de cover van de Philips Digital Classics-uitgave van Arnold Schönbergs ‘Verklärte Nacht’ staat het schilderij ‘Umarmung’ van Egon Schiele. Geen kunstliefhebber die nog in de war raakt van Schieles rauwe naakten. Ze zijn al lang geen hier-en-nukunst meer, dit is erfgoed geworden moderne kunst, en ’t zou erg zijn als het anders was, want ‘Umarmung’ is bijna een eeuw oud.

‘Verklärte Nacht’ blaast – in de oorspronkelijke versie voor strijksextet – dit jaar 115 kaarsjes uit, is van voor Schönbergs atonale periode, is met orkest erbij bloedmooi, lijkt op iets ingehoudens van Weense tijdgenoten, ja zelfs van traditioneler voorgangers, is veel, veel braver dan Schieles naakten, en toch wil ik ze niet allemaal kost en inwoon geven, de mensen die rustig voor het werk van Anselm Kiefer en Jackson Pollock staan, zonder te verpinken naar rare films kijken, gamesbeelden over zich laten gaan, maar ongemakkelijk worden als ze in een zaal (zonder een film erbij) geconfronteerd worden met een kwantumbeetje onwelluidendheid. Klassieke concerten die de stilte opzoeken: gegarandeerd meer hoesters dan er op metaloptredens mensen pink en wijsvinger in de lucht gooien.

De kans is groot dat ik een hele tijd naar gehoest moet luisteren als ik ooit een uitvoering van ‘Quatuor pour la fin du temps’ van Olivier Messiaen bijwoon. In het geval van dit kwartet zijn er verzachtende omstandigheden. Hoesten op concerten komt voort uit onwennigheid, en dit stuk zit heel de tijd zéér ongemakkelijk.

De sfeer is religieus, maar heel anders religieus dan in de geheel toevallig binnengewandelde Ter Duinenkerk in Koksijde, dan op de schilderijen van Marc Chagall, en dan via de lichtinval in de film ‘The tree of life’ van Terrence Malick. ‘Quatuor pour la fin du temps’ is een verzameling zéér geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer. Dit is zware kost!

Vandaag staan stukken van ‘Quatuor pour la fin du temps’ gewoon op ‘A beginners’ guide to 20th century classical music’, maar ik leerde het lang geleden kennen via een lijstje geheimtips van Mauro Pawlowski in Humo. Het bracht mij serieus in verwarring. Het derde deel, de klarinetsolo die ‘De afgrond der vogels’ heet, legt al uit waarom. Het geruststellende deel ervan, het stuk dat het oor het best verwerkt, de trage melodie en de crescendo’s, dat is de afgrond, die van het tijdelijke leven. De chaos vol duisterder klanken komt van vogelgekwetter van hoog in de lucht. Die vogel, legt Messiaen uit, staat voor de eeuwigheid, eigenlijk het tegenovergestelde van Tijd, of het einde ervan.

Het kwartet begint acht minuten eerder, maar de ontstaansgeschiedenis – en wat voor één – begint bij deze zeven minuten klarinet, en alleen klarinet. De Afgrond Der Vogels is geschreven in de citadel van Verdun, waar Messiaen in het voorjaar van 1940 bij het Franse leger was ingelijfd en ’s ochtends moest wachtlopen. Bij zonsopgang luisterde hij naar het eerste getsjilp van de dag.

Het is dit omzeggens afgewerkte stuk dat Messiaen een tijd later laat inoefenen door bevriend klarinettist Henri Akoka, met wie hij zich in mei 1940 wekenlang op een met prikkeldraad afgespannen weide nabij Nancy bevindt. Ze slapen er onder de sterrenhemel. Ze zijn door de Duitsers gevangen genomen. Ze hebben al een hongermars achter de rug, waarbij ze constant onder schot werden gehouden. Het Franse leger is gevallen. Ook bevriend topcellist Etienne Pasquier is bij de ongelukkigen.

De gevangenen worden na een paar weken naar Stalag VIII A in het Duitse (eigenlijk Silezische) Görlitz afgevoerd. Ze zullen er, samen met 30.000 anderen, een bikkelharde winter beleven. 400 gevangenen zullen ook de live-première van dit kwartet meemaken, een droefgeestige, complexe, intrieste aangelegenheid, met hier en daar een lichtflits die klinkt als een visioen van een wereld waarin tijd inderdaad is afgeschaft, mogelijk zoals in De Openbaring van Johannes, een inspiratiebron voor de componist.
 

 
Ter verduidelijking: Olivier Messiaen is een vogelliefhebber, maar niet één die zich in de duinen verstopt met een verrekijker en een veldgids. Hij luistert naar vogels en schrijft notenbalken vol met wat hij hoort. Zijn Parijse buren moeten na de oorlog een tijdlang naast een virtuele volière hebben gewoond.
 

 
Maar we waren in 1940 en in Stalag VIII A gebleven. Het is nog geen winter. Het kwik is nog niet naar -25°C(!) gezakt. Het roggebrood komt wel al in dun gesneden plakjes, en de soep is zeer waterig. De overal kleuren horende Olivier Messiaen gaat, net als alle andere gevangenen, met grote honger slapen, maar hij droomt in felle kleurenbeelden met grote pixeldichtheid.

De muzikanten hebben al bij al geluk. Ze hebben een plaats in de barakken kunnen bemachtigen. De cellist werkt zelfs in de keuken. Hij steelt al eens een restje dat hij deelt met zijn maten. Een van zijn keukencollega’s, die betrapt wordt tijdens het stelen van een paar aardappelen, wordt omgebracht.

Het trio krijgt er een vierde man bij. Jean Le Boulaire is violist. Ook hij kent Messiaen, van in zijn Parijse conservatoriumjaren voor de oorlog.

De muzikanten zijn een pak pragmatischer en wereldser ingesteld dan Olivier Messiaen. Als er niet lang na de gevangenname gevechten uitbreken bij een waterverdeling, blijkt de componist zich te hebben teruggetrokken: men vindt hem voorovergebogen boven zijn klarinetpartituur. Als de cellist later een ontsnapping tot in de puntjes heeft voorbereid, zegt Messiaen: ‘Ik blijf. Dit is waar god me wil hebben.’

Het krijgsgevangenkampverhaal dat volgt doet van heel ver aan ‘Schindler’s list’ denken. Van heel, heel ver dan toch. Een paar van de Duitsers in dit strafkamp zijn niet de naziste nazi’s. Een melomane kampcommandant herkent de beroemde cellist. De muzikanten krijgen meer te eten dan de anderen. Hun werktaken zijn lichter. De componist wordt zelfs een tijdlang van zijn kamptaken ontheven, krijgt potlood, gom en muziekpapier en wordt in een bewaakte(!) barak afgezonderd om te werken.

Messiaen herinnert zich in die barak twee composities die hij voor de oorlog heeft geschreven, knobbelt ook de klarinetsolo verder uit en schrijft vijf nieuwe delen voor cello, piano, viool en klarinet, stukken waarin die instrumenten lang niet altijd sámen kwartetten, maar alleen dáár invallen waar de componist ze nodig acht.

Een klarinet hebben ze al. Een goedkope viool kan geregeld worden. Voor Messiaen zelf is er een naar verluidt volstrekt kapotte piano voorhanden. Er wordt door de gevangenen geld ingezameld, en met de centen trekt de cellist, begeleid door twee gewapende bewakers, naar het centrum van Görlitz om er een beschadigde cello en een strijkstok te kopen. Als hij met het instrument terugkomt, wordt hij als een popster bestormd en moet hij de hele avond alle stukken spelen die hij kent.

Maar daar is de winter, daar zijn de pakken sneeuw. Mensen sterven bij bossen. De Duitsers blijven de muzikanten hout geven om te stoken. De klarinet smelt een keer bijna weg tegen een kachel. Het kwartet repeteert in de toiletten. Dit zijn geroutineerde muzikanten, maar ze beklagen zich alle drie bij Messiaen. Het stuk bevat onhaalbare passages, is te vrij, te onregelmatig, te kronkelend, te moeilijk. De componist begint over metrum verlaten, klank vergroten, noten aanhouden tot je niet meer kunt, vliegen, vrijheid. Hij zegt: doe het oneindig langzaam, oneindig zacht. Hij verlangt extase. Hij wil de engel uit de apocalyps leven inblazen.

En dan, uiteindelijk, verandert er iets bij deze mensen, hebben ze iets onder de knie dat ze een paar maanden eerder niet kenden, en krijgen de in het kamp in Art Nouveaustijl gemaakte programmaboekjes een datum. Op 15 januari 1941 vindt een van dé bizarre comes alive-momenten uit de 20e eeuw plaats:

image

Het stuk wordt dus in Stalag VIII A voor het eerst opgevoerd, in een primitief, onverwarmd kamptheater. Er komen mensen op af die zelfs nooit naar een klassiek klinkend klassiek concert zijn geweest, en dus zeker niet vertrouwd zijn met een modern, moeilijk ding als dit kwartet. Er zijn mannen bij die vanuit de ziekenbarak worden binnengedragen, en die niét hoesten omdat ze gewoon op hun ongemak zijn, maar eerder omdat ze niet lang meer zullen leven. De rest zit dicht tegen mekaar aan gedrukt op houten banken. De Duitse kampbewakers zitten op de eerste rij. Het is een verzameling mensen van allerlei nationaliteiten over wie de diepgelovige Messiaen later zal zeggen: ‘Nooit had ik een aandachtiger publiek’.

De vier muzikanten dragen houten klompen. Buiten ligt een halve meter sneeuw. Het is berekoud en het waait. Beginnen doet het Quatuor ook in deze theaterbarak met een liturgie van kristal: ‘L’oiseau fait un peu peur, la musique aussi en fait’ is een commentaar op Youtube dat niet alles zegt, want er zijn twee vogels te horen: een merel aan de klarinet, een nachtegaal aan de viool.
 

 
De vocalise voor de engel als brenger van de openbaring zit eerst vol opgewekter vogels, die verweer bieden tegen hard pianogehamer, tot er smeltwater uit de piano druppelt en de sfeer ingetogener wordt. Het zal in 1940 nog acht jaar duren voor John Cage de prepared piano uitvindt, een instrument met schroeven, moeren, papier en gommetjes tussen de snaren. Deze van de nazi’s gekregen piano klinkt ook al kaduk.

‘Intermède’ klinkt als vogels in gevecht met een tegendraadse folkdeun van Béla Bartók, en klinkt in de context van dit kwartet luchtig.

De twee ongelooflijk mooie huil-of-ik-schiet-momenten waarvoor je dit kwartet een kans moet geven zijn ‘Louange à l’éternité de Jésus’ voor piano en cello (hier zegt Messiaens aanduiding: eerst oneindig langzaam, dan extatisch spelen) en tweelingzus ‘Louange à l’immortalité de Jésus’ voor piano en viool dat van de componist extréém langzaam én teder moet gespeeld worden tot het ook richting extase gaat. Erg ingehouden extase, moet dat zijn. Aan het slot hoor ik een piano en een viool koorddansen zonder vangnet en zonder bestemming, de wolken happen beide instrumenten uiteindelijk op.
 

 

 
Tussen die twee stukken zit nog een eerst hoekige, robuuste, krachtige en granieterige brok emotie (Messiaen had het over paarse woede), maar ook die slaat de weg in van overpeinzingen zonder eind in een stuk met het woord ‘regenboog’ in de titel. Hier klinkt Messiaen naar mijn gevoel een beetje te veel als andere 20e eeuwers uit hetzelfde genre.

Olivier Messiaen recenseerde zijn gevarieerde ‘Quatuor’ zelf: ‘Muziek die wiegt en zingt, nieuw bloed, een ontroerend gebaar, een onbekend parfum, een vogel die zonder slaap kan, muziek in glas-en-lood, een theologische regenboog, een tornooi van complementaire kleuren.’ Vooral dat laatste intrigeert: complementaire kleuren zijn ontdekt door de dichter Goethe, die in een herberg naar de rode jurk van een serveerster keek, en toen die wegliep in dezelfde richting naar een witte muur bleef staren, en exact dezelfde vorm in het groen zag verschijnen.

Ja, Messiaen hoorde in kleuren. Niet dat er bij zintuigmenging voor het publiek veel verklarends te rapen valt, want synesthesie leidt voor mensen die het hebben tot de allerindividueelste waarneming van de wereld. Concreet: ergens hoort Messiaen blauworanje lava stromen, maar hij zal wellicht de enige blijven die die blauworanje lava ooit in zijn compositie heeft gehoord.

‘Quatuor pour la fin du temps’ is diepreligieuze, maar alles behalve godvrezende muziek. Messiaen zou er achteraf over zeggen: ‘Wat ik ermee won, was dat ik tussen 30.000 gevangenen waarschijnlijk als enige geen gevangene was.’

Ik vond dit Quatuor al uitstekend lang voor ik er dankzij het boek ‘Orfeo’ van Richard Powers meer details over heb vernomen. Powers Quatuorpassage is lang en een van de hoogtepunten van het boek. Ik heb overigens geprobeerd uit die Powersvertelling niks over te schrijven, maar dat is eigenlijk eh… keihard mislukt.

Nog dit: de welwillende kampbewaker bezorgt – op gevaar voor eigen leven – de vier muzikanten papieren richting vrijheid. Cellist Etienne Pasquier verzorgt de première in Parijs, en draagt tot aan zijn dood in zijn portefeuille de programmakaart van de enige echte première van 15 januari 1941 in Stalag VIII A met zich mee. Ik zet Pasquiers Quatuorversie op Spotify, maar laat ‘em eerst horen in de kamer van een Brits grammofoonplatenverzamelaar:
 

 

 

Pinokkio en de krekel

 
image
 
Arvo Pärt
Tabula rasa
1984

 

Eerst een postduif naar de burgemeester van Antwerpen sturen: ‘Tabula rasa’ is niet ‘wit blad’, dat weet ik. Is ‘Schone lei’ een goeie vertaling?’ Antwoord: ‘Dat moet eigenlijk zijn: ‘Gladgestreken wastablet’.
 
image
 
Het is 1997 en de BBC pakt uit met ‘Modern Minimalists’: Björk praat met componisten van de 20e eeuw die op zoek zijn naar de essentie. We kijken naar kerktorens en waterspuwers terwijl we luisteren naar een fragment uit ‘Cantus in memory of Benjamin Britten’, een van de Arvo Pärtste werken van Arvo Pärt. Björk leidt haar bezoek aan de Estse toondichter als volgt in: ‘Arvo Pärt is een zogenaamd ernstige componist in wiens zeer gevoelige binnenste de hele strijd van de 20e eeuw woedt. Hij begon in wat we het 12-toonssysteem noemen, waarna hij een decennium lang bijna niets te zeggen had, om dáárna terug te komen met een compleet nieuwe stijl, die simpel was, en zuiver. Elke afzonderlijke noot werd belangrijk: je kon elke noot weelderig laten resoneren, je had dus geen 500 miljoen noten meer nodig. Je zou Pärts muziek minimalistisch kunnen noemen.’

Ik laat u in verband met het prachtige grafschrift voor Britten de keuze tussen een uitvoering die op de Proms standhoudt in een grote zaal en een studioversie met kennelijk verplichte zwartwitfoto’s van kerkhoven:
 

 

 

Toen Estland nog in de Sovjet-Unie lag, zocht Arvo Pärt naar een alternatief voor de hoekige, tegenstribbelende, soms atonale muziek die hij schreef. Ik ken niet veel werken van die voorgeschiedenis, maar ’s mans ‘Credo’ uit 1968 treedt redelijk spectaculair uit de oevers van een Bachprelude om poldervelden van waanzin op te zoeken middels collectieve koor- en orkestchaos. Na dat ‘Credo’ is het voor Pärt wél geweest met 20e-eeuwse vernieuwing. Dit eerste Credodeel moet u trouwens zien! Aan het eind speelt het orkest doodleuk ondersteboven:
 

 

Onder de indruk van Gregoriaanse gezangen en met een schrijfkramp in de leden, vraagt Pärt een orthodoxe priester om raad. De priester weet geen oplossing. Hij schrijft ook gebeden, zegt Pärt. ‘Kan dat misschien helpen?’ ‘Nee’, zegt de priester. ‘Alle gebeden zijn al geschreven. Je moet niks meer schrijven. Alles is al voorbereid. Je moet alleen nog jezelf voorbereiden.’

Pärt zal vele van die al geschreven gebeden lezen, en simpele, mysterieuze muziek maken. Die muziek klinkt als gebeden. Ze is niet meer atonaal. Ze lijkt buiten het tijdsgewricht te staan. De composities ‘Cantus in memory of Benjamin Britten’, ‘Tabula rasa’ en de twee versies van ‘Fratres’ (in totaal verschillende arrangementen) die op de 1984-cd van het ECM-label staan raken een snaar.
 
image
 

Tintinnabuli heet de stijl, en dat betekent letterlijk: genitief van tintinnabulum, van een kleine klok. Tintinnabuli technisch: twee stemmen, één in drieklanken, één niet. Pärt over linker- en rechterhand: ‘Als twee mensen wier paden lijken te kruisen, en dan toch niet’.

Nog volgens de componist: ‘Tintinnabuli is een domein dat ik in ging als ik naar antwoorden zocht – in leven, muziek en werk. Soms was het alsof alleen dáár betekenis te vinden was. Alles wat complex en veelfacettig was verwarde me. Toen ontdekte ik dat de drie noten van een drieklank als kleine klokken klonken.’

En ook: ‘Ik moest me gewoon op elk geluid concentreren. ik wilde elke grasspriet even belangrijk maken als een bloem’.
 
image
 
Sinds hij kleine klokjes hoort, is het gedaan met stilte en writer’s block. Tal van prachtcomposities zoals ‘Für Alina’, ‘Sarah was ninety years old’, ‘Arbos’, ‘Spiegel im Spiegel’ (op zondag 23 november 2014 in Klara’s Top 100 gestegen naar nummer 4), ‘An den Wassern zu Babel saßen wir und weinten’ en ‘Summa’ komen hem in de jaren 1976-1978 aanwaaien.

In een miniqueeste naar het waarom van de populariteit van Pärts muziek, blijf ik aan een detail plakken: omdat ik niet goed kan tegen de theorie dat mensen plots collectief hun ziel of spiritualiteit kwijtspelen, sta ik ook een beetje sceptisch tegenover de theorie die samengevat zegt dat Pärt ons die eindelijk teruggeeft. Zou hij ons niet gewoon een echo van klokken teruggeven, die vroeger in allerlei variaties (doodsklokken, noodklokken, tijd voor de mis, speciale feestdag, …) meldden wat er gebeurde, en nu bijna niet meer?

Björk is ondertussen in Pärts woonkamer beland. Ze heeft gelijk als ze zegt dat Pärts muziek vol ruimte zit: je kan erin binnen gaan, en er leven, je moet niet gewoon zitten luisteren. Björk krijgt overschot van gelijk van de componist als ze in zijn muziek Pinokkio én de kleine krekel hoort: ‘Er is een simpele en een minder simpele laag, zonde én knagend geweten zijn samen onderweg, dat is mijn muziek’, zal de componist zeggen. Alsook: ‘I’m very happy you talk about Pinocchio and the cricket’. Je ziet hem denken: door die zottin met die twee totskes op haar kop wil ik elke dag geïnterviewd worden.

Echo’s in de gewone wereld. Pärt zit te pas en te onpas overal: in series, in documentaires. Er is ook namaak-Pärt, zoals de begintune van ‘Six feet under’, die zéér schatplichtig is aan ‘Fratres’. In de video mooie meisjes, water, kaarsen en een spirituele meditatietrip in dat stuk van de bergen waar zich snel ronddraaiende camera’s ophouden. Natuurlijk is ook in de wereld van de klassieke muziek self-fashioning en vogue. Ach wat!
 

 

Pärt staat ook keurig alfabetisch gerangschikt tussen Pachelbel en Purcell in de lijst ‘Mogelijke Begrafenismuziek’. De jeugd, die het ABC steeds minder goed op orde kan leggen, kan hem, als een dierbare sterft (of als het langer dan gewoonlijk blijft winteren), ook gewoon googelen, ja zelfs spotify’en. Leve de vooruitgang!
 
 

Witvlakken en weggegomde lettergrepen

 
image
 
Yabby You
Jesus Dread (1972-1977)
1972-1977

 

Van reggae naar dubreggae. Van dubreggae terug naar reggae. Verloren lopen in dat oneindige tussenland is onvermijdelijk.

Komt daarbij: ik ken niet vanaf seconde 3 al mijn Congos uit mijn Abyssinians (en m’n Soul Syndicates nog minder uit m’n Studio One dj’s), maar ik weet wel: dé must is de ‘Arkology’-verzamelaar van Lee Scratch Perry.

Laten we eerst een halve minuut doorheen de Spotifyplaylist van Lee Scratch Perry scrollen en veelzeggende songtitels sprokkelen. Super Ape. Excaliburman. ExPerryments (sic) In The Black Ark. The Upsetter. Panic In A Babylon. Judgement In A Babylon. Secret Laboratory. Ape-ology. Bionic Rats. Free Up The Prisoners. Free Up The Weed. I am a psychiatrist. I Am A Madman. Wat die laatste song betreft: het spreekt voor zich dat de Madman Dubwise-remix nóg beter is.

Terug naar Lee Scratch Perry’s ‘Arkology’-driedubbelaar. Hoe daarop de theorie wordt geïllustreerd van dat enorm hete punt waaruit het dubheelal big banggewijs is ontstaan!

Hoe Perry the upsetter, of the shepherd, of the organiser heel gemeen eerst kleine woorden weggomt, en er dan nóg een lettergreep uithaalt: ‘Onward, forward, don’t step backward… Onward forward… On… O… Yeah…’

In de grumblin’ dub van ‘Police and thieves’ bijvoorbeeld blijft alleen ‘Pol-olol…………………….Oh yeah… Poli…………….. Oh yeah’ over. Het geheugen puzzelt de rest soms bij, soms niet. Ook in de muziek zitten witvlakken: een komen en gaan van maximaal vier sporen klank, maar wat een toverbol!
 

 

Ik, hier voor de goede orde gewoon een ik zoals alle andere ikken, vind Yabby You de beste van de reggaeklas, en zet You’s héél gevarieerde ‘Jesus Dread 1972-1977’-verzamelaar op 32.
 
image
 
Een controversiële voorkeur kan je Yabby You op het eerste gezicht niet noemen, want in reggaeland doet iedereen het met iedereen: King Tubby en Tommy McCook zijn op ‘Jesus Dread’ de vier meesterhanden, en Lee Scratch Perry en Augustus Pablo komen een keer langs.

Dat van die grote variatie is nergens overdreven. ‘Conquering lion’ en ‘God is watching you’ zijn welwillender dan het nogal dreigende ‘Jah Vengeance’. ‘Warn the nation’ is van het niveau van het beste van Bob Marley; de ‘Honey dub’ ervan is briljante tekstboekdub.

Bij song 14 van de 40 aangekomen weet ik: er kan nog een orgel, een saxofoon, een trompet of een trombone langskomen, die even later mogelijk in een dubgat verdwijnen. Er komt nog muziek die heel hard op die van The Congos lijkt, én muziek die daar niks mee te maken heeft. Dillinger en Trinity toasten alsof hun leven ervan af hangt. Waarna de storm opnieuw gaat liggen, en er een deuntje bij is waarmee Sesamstraat zou kunnen beginnen.

Ter hoogte van nummer 106 in ‘Honderd’ (Augustus Pablo’s ‘King Tubby Meets Rockers Uptown’) opperde ik: ‘Reggaeteksten = oud testament + een Messias die niet aan het kruis stierf.’

Yabby You heet Vivian Jackson en is de uitzondering op de rastaregel. Zijn tweede bijnaam: Jesus Dread. De man is een christenrasta. Ik geloof sowieso geen snars van al dat ge-Rastafari, en natuurlijk sta ik even skepptisch tegenover een rasta die in de zoon van de timmerman gelooft. En hoe! Jackson had zelf een vader die timmerman was. Op z’n 12e (!) verliet hij zelfs het ouderlijke huis in een getto van Kingston om een discussie op te starten met de plaatselijke schriftgeleerden (‘Me hold on to my opinion, an’ dem hold on to dem opinion, till it become boring’).

Jackson maakte een storm mee die hem engelen stuurde die zongen: ‘Be You .. Yabby, Yabby You’. Hij veranderde van naam, en lulde zich een studio in. De enige zekerheid die wij vandaag hebben: een uitstekend refrein viel toen uit de lucht.

Ik geniet in rastaland van het Yabby Youvoordeel van de verandering: bij hem niet om de drie regels ‘Haile Selassie, een keizer ja dat was-ie’. Integendeel, in ‘Walls of Jerusalem’ gaat het echt over Jezus van Nazareth: ‘Upon that hill, they crucified our God’. Maar niet altijd: Marcus Garvey, de voorspeller van de messias Selassie, krijgt ook op deze plaat zijn standbeeld. You en z’n posse hebben het niet de hele tijd over Babylon, maar omdat het christendom het Oud Testament niet heeft weggegooid zit ook bij hen tussen kick en snare de belofte om dat Bijbelse oord van ballingschap te ontvluchten, mogelijk zelfs te vernietigen.

Als ik goed kan volgen zeggen sommige rasta’s: Jezus en Haile, één strijd. Anderen beweren dat het twee verschillende geloofsopvattingen zijn. En de rest gaat naar Reggae Geel voor het bier.

Ik schrap in mijn hoofd al de ‘Conquering lion’-teksten over de 72 verschillende naties die buigen voor de glorie van Jah. Het zal mij worst wezen wie de Koning der Koningen en de Heer der Heren en de overwinnende Leeuw van Juda zijn, dus die lyrics schilder ik ook weg.

Ik hou een ge-wel-dig ritme over waarboven de in 2010 overleden Vivian Jackson, hier op zijn eerste single geholpen door King Tubby en met aan zijn zijde bassist Aston ‘Family Man’ Barrett, drummer Leroy ‘Horsemouth’ Wallace en gitarist Earl ‘Chinna’ Smith, komt zingen: ‘Be You .. Yabby, Yabby You … La la la la la, la la la la la…’.
 

 

Ik neem een koud biertje uit de koelkast. Buiten is het aanzienlijk fris. Doet me eraan denken: voor de nummers 31, 30, 29 en 28 zal ik sjaal, muts en handschoenen nodig hebben. Eén enkele keer omdat het kwik serieus onder nul duikt en er geen kruimel brood meer in huis is, in de drie andere gevallen omdat de artiesten de duistere diamant hebben gekregen.

Dus! Nog even in de laatste avondzon van mijn allerfavorietste dubtrack gaan staan, één uit de ‘Hoera geen tekst’-categorie: