Gedropt in de vrijmetselaarsbibliotheek

 
image
 
Sun Ra
The singles
1954-1982

 

Het dunne, maar sublieme boekje ‘Novecento’ van Alessandro Baricco gaat over een pianist die bij geboorte op een oceaanlijner wordt achtergelaten en nooit aan wal gaat.

Het verhaal dat zich in Sun Ra’s verbeelding afspeelt is – zoals mensen vroeger zeiden – even more far out: tijdens een uit de hand gelopen meditatie werd de man naar Saturnus ontvoerd, en de boodschap ginder luidde: ‘Je bent geboren en getogen Saturniaan, en samen met je zwarte broeders en zusters verkeerdelijk in Amerikaanse getto’s beland. Teleporteer of transmoleculariseer hen terug naar hier, via je muziek.’

De stijl van de pianist op de transatlantische veerboot wordt door Baricco in één zin gevat: ‘Als hij zin heeft speelt hij jazz, maar als hij geen zin heeft speelt hij iets wat klinkt als 10 jazzen bij elkaar’. De beschrijving is volstrekt teleporteerbaar op Sun Ra (né: Herman Poole Blount, officiële documentennaam: Le Sony’r Ra), alleen gebruikte Ra niet altijd een gewone piano.

Worden op de dubbel-cd ‘The singles’ door hem bespeeld: Wurlister, Hammond, Gibson Kalamazoo Orgel, clavioline, Hohner clavinet, Mini-Moog, Rocksichord, synthesizer en het door hulpvaardige aliens op maat gemaakte Solar Sound Instrument.

Voor zover we weten heeft geen enkele van de daaruit voortkomende klanken ooit een mens naar Saturnus opgebeamd. Natuurlijk is Sun Ra keihard uitgelachen.

Herman Poole Blount speelt en componeert vanaf zijn 12e, is de slimste van de klas, wordt in een vrijmetselaarsbibliotheek gedropt, gaat daar met passer, liniaal, schietlood en winkelhaak de hele esoterische en apocriefe literatuur te lijf, zal er ook wel een boek hebben gelezen over tijd- en ruimteverkeer, speelt piano in stripclubs omdat er daar werk is, verdedigt tijdens wereldoorlog II zijn wens om gewetensbezwaarde te zijn met zoveel overtuiging dat hij een jaar in de gevangenis belandt, en begint in 1954 een doowopgroepje (de vroegste A- en B-kanten van deze verzamelaar hebben een hoog doodoodoo- en wopwopwopgehalte).
 

 

Vanaf 1956 zet zich de mogelijk meest spectaculaire koerswijziging in de muziekgeschiedenis in. Samen met tenor sax-sidekick John Gilmore vangt Ra zijn supersonische Saturnus- en free jazzreis aan, die zal leiden tot een discografie met zijn Arkestra zo groot als die van Frank Zappa en tot winstcijfers ter grootte van een bodemlaag kopermuntjes.
 

 

Sommige jazztracks zijn jazz zoals we jazz kennen. Zet de standard ‘My favorite things’ in de versie van John Coltrane op, vergelijk ‘em met die van de naast Ra toeterende John Gilmore, en u moet al van zeer goeie huize zijn om hier meteen zeven kwaliteitsverschillen in aan te kruisen. Een bewijs dat Sun Ra zijn Arkestra tot een uitmuntend niveau kon tillen door in een commune-omgeving werkelijk constant te repeteren, alcohol, drugs én seks te verbieden, en pas dáárna de wat rare fanfaresfeer, bizarre elektronica en Batman-, swing- en nieuwjaarssongs te introduceren.
 

 

Sun Ra is de grootste anything goes-muzikant die ik ken. Soms zitten we een decennium of langer te laat in rock’n’roll of blues, soms lopen ’s mans songs gelijke tred met die van de eveneens in rare kleren rondlopende straatmuzikant Moondog, soms is de uitstekende muziek vooral een vehikel voor Ra’s ‘Jongens & Pseudowetenschap’, wereld waarin amateurs naast professionals musiceren, gekleed in goudsnippers en sterrenstof; Ra zelf steevast met Saturnusbol van papier-maché boven zijn hoofd.
 

 

Op ‘The singles’ staan songs waarin een slang prachtig uit een mand wordt getoeterd naast houteriger improvisaties waarin Ra in een raket stapt in een Ed Wooddecor. Een tearjerker wordt onderbroken door een afstandelijke commentaarstem, een van de drie swingversies van ‘The sun one’ door een dronken indiaan (een andere door een misthoorn). In het wondermooie ‘Blues on planet Mars’ laat Ra een clavinet als een Marc Ribotgitaar klinken, ‘Saturn moon’ is uit dezelfde periode van de zeer goeie ‘Atlantis’-plaat en is melancholischer dan het beste uit Brazilië. De hardere geluiden van ‘The bridge’ zijn dan weer een planeet op zich.

Veel van de verzamelde singles zijn trouwens in eigen beheer uitgebracht en werden verkocht na optredens. De hoezen zijn meestal zelf geschilderd.

 

 

Carimcaskill op Youtube: ‘I’m still not sure if he was totally insane or ahead of the curve.’ De man heeft een ongelooflijk synthetisch vermogen om stijlen naar zijn hand te zetten; daarin was hij alvast ahead of the curve.

Er zit een scène in de bizarre, maar ook vrij goeie lowbudgetfilm ‘Space is the place’ die mij doet denken dat Ra alles behalve gek is. In Saturnuspak flitst hij een inner city-jeugdhonk in het Oakland van de seventies binnen, waar een Black Panther-gang aan het biljarten is. Een meisje vraagt: ‘Hoe weten we dat jij geen hippie bent? Hoe weten we eigenlijk dat jij echt bent?’ Waarop Ra: ‘Ik kom uit een droom. Ik ben niet echt. Maar jullie ook niet. Anders zouden jullie niet om gelijke rechten moeten vechten… You’re not real. If you were, you’d have some status amongst the nations of the world. So we’re both myths’. Zelfs wat hij daarna tegen de zwarte jeugd over ruimtereizen vertelt houdt – als metafoor – steek.

Ik dacht mij tegen Ra’s krankzinnigheden te verdedigen met de stelling dat ik de zijne niet moet aanvaarden, en ook niet verplicht ben er een alternatief tegen te verzinnen waar ook de nonsens van afdruipt, maar misschien is het Saturnus van Ra gewoon een betere plek dan die waar de stedelijke onderklasse vandaag in overleeft.
 

 

De treeplank van het Ed Woodruimteschip wordt uitgeklapt. Ik krijg voor ik van boord ga van de in plasticzakken gehulde stewardessen een lijst van passagiers met de meeste Sun Ra Space Miles. De golden card travellers die ik ken: Archie Shepp, Thelonious Monk, Wayne Kramer, Thurston Moore, John Coltrane, The Beastie Boys, Yo La Tengo.

In het Archestragastenboek schrijf ik: ‘Vrij naar die gesamplede vrouwenstem in ‘Dansplaat’ van Brainpower: ‘Oow, op deze plaatje kan ik de hele nacht wel zo zot als een achterdeur worden.’

 

 

De kleine schoorsteenveger

 
GetAttachment-2.aspx
 
Boudewijn de Groot
Hoe sterk is de eenzame fietser
1973

 

‘Hoe sterk is de eenzame fietser’. Geen vraagteken!

Opener ‘Terug van weggeweest’ is een midlife-lied. Het balanceert vandaag perfect tussen toen en nu: ‘Hou eindelijk eens op / te zeuren over vroeger / Degene die steeds omkijkt / die valt op zijn gezicht / Je bent alleen maar bang / voor wat er nog kan komen / Dat kan zoveel niet wezen / hou nou je mond eens dicht’. Ik heb hier ooit met kinderoren naar geluisterd en herinner me opnieuw waar de meubelen stonden. Maar: er zitten ook een tekst en een gitaarsolo uit 1973(!) in die ik vandaag goed vind. Faut le faire!

‘Eenzame fietser’ is ook als geheel terug van weggeweest. Ik vond de plaat fantastisch tot Urbanus kwam zeggen dat als moeder zong heel het huis in vreugde was (tot ze slagen kreeg van de kachelpook) en tot Raymond van het Groenewoud het had over een hondje dat kilo’s champignons at. ‘Constant degoutant’ van Kamagurka en De Vlaamse Primitieven was in die tijd ook in de buurt. Boudewijn de Groot werd een paar decennia lang weggezet als ‘iets voor kleffe bezinningsweekends’. Tot onlangs.

Feiten: deze plaat komt in de Groots carrière na de uitstekende onzinsingle ‘Strand’, na de sixtieshits waar ik niet meer warm voor loop, na de Dylan-, Kinks- en Aznavourcovers, na de picknick uit het psychedelische Tomorrowland van toen en na de heksensabbat vol zeikweer.

Net voor de oliecrisis belanden tekstschrijver Lennaert Nijgh en de Groot met de voetjes op de grond en schrijven ze nog snel een op de oude leest geschoeide succesplaat voor Rob De Nijs. Natuurlijk ken ik ze allemaal nog: ‘Malle Babbe’, ‘Jan Klaassen de trompetter’, ‘De avond’ (dat tot mijn verbazing vandaag in een nieuwe versie de Groots grootste hit ooit blijkt), ‘Dag zuster Ursula’ en ‘Leonardo’ met het geweldige ‘Vol van bijgeloof en inteelt / onder bruine vilten hoeden / kruipt het stadsvolk bij elkaar / Leonardo is een tovenaar’. Daarna is het tijd voor ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’.

Er duikt op ‘Eenzame fietser’ een reiziger op die zegt: ‘Ik ben veranderd / Ik ben hier niet meer thuis / Maar laat de kinderen komen / De kinderen van dit huis’.

Er staan nog twee paar schoenen in Madrid. Een zak met wasgoed is in Parijs gebleven.

‘Tante Julia’ kent u van borsten en schouders, en van de klank van een radio van lang geleden. Er is blijkbaar een carnavalsversie die ik nooit heb gehoord. Of vakkundig heb verdrongen; nog beter.

Er wordt ook nagedacht over de toekomst van de kleine ‘Jimmy’ die in een stoeltje vooraan op de fiets zit. Als hij maar geen halfdood geschopte voetballer wordt, of een bord van de zakenman voor zijn kop krijgt. Maar vooral: wat een akoestische gitaaraandrijving! De hele plaat is van kop tot teen groots geproducet en fijn afgewerkt tegelijk. Als een vleugje country nodig is, weet iemand het op te roepen. Als een half orkest invalt zit het niet meteen tegen de traanklieren aan te beuken.

Ruud Engelander vertaalt twee William Blakegedichten. Fragment uit het eerste: ‘Then come home, my children, the sun is gone down/ And the dews of night arise / Your spring and your day are wasted in play /And your winter and night in disguise’. Dat wordt hier: ‘Kom nu naar huis, mijn kinderen / het is al veel te laat / De klok van de toren slaat 11 / Je lente, je daglicht verspil je met spelen / En je winter, je nacht, als een ander dan jezelf’. Een bijzondere vertaling. Ook voor de song geldt: horen is geloven.

Ook ‘The chimney sweeper’ wordt uit Blakes songs of experience gelicht: ‘Omdat ik best tevreden was / al hadden we het niet rijk / en ijzige kou me niet kon deren / kleedden ze me in zwarte dodenkleren / en leerden ze me het lied van ongelijk.’

William Blake stierf in 1827. Hij schreef songs of innocence en songs of experience. Denk een lam en een tijger. Denk een moeilijk huwelijk tussen hemel en hel, goed en kwaad, energie en rede. De verbeelding staat bij William Blake boven de zintuiglijke waarneming, de natuurlijke orde boven de vroege industriële revolutie, de gekleurde ets op een koperen plaat boven de drukpers met z’n massaproductie.

‘The doors of perception’ is van Blake. De tekst van het gedicht ‘And did those feet in ancient time’ schopte het als ‘Jerusalem’ bîjna tot Brits volkslied, en is een essential op de Britse Proms. Het begin ervan – ‘And did those feet in ancient time / Walk upon England’s mountains green? / And was the holy Lamb of God / On England’s pleasant pastures seen?’ – heeft met het gerucht te maken dat de jonge Jezus ooit Glastonbury zou bezocht hebben.

De Britse en bij uitbreiding Amerikaanse muziekgeschiedenis zit vol grote en minder grote wegwijzers naar Blakes werk. De playlist hieronder is als een eenzame fietser zo sterk, maar is ook zéér onvolledig.
 
image
 
image
 

 

 

Samenzwerende getallen

 
image

Johann Sebastian Bach
Goldbergvariaties
Glenn Gould
1955 & 1981

 
 

Popmuziek is er sinds mijn melktanden, en die stonden er dik 40 jaar geleden allemaal chirpy chirpy cheep cheep-keurig in, klaar om ze om te ruilen voor sterkere exemplaren – ‘Regatta da blanc’ van The Police is een uitstekend voorbeeld. Occasioneel Radio Klaraluisteraar ben ik een dikke 10 jaar. Er staan klassieke platen in Honderd. We vallen meer dan eens door een gat in de tijd.

Klassieke muziek was, in de periode voor ik meerderjarig was, een afwezige. Hoewel: de ‘Bolero’ zat ergens in een ultra-softpornofilm.
 

 

De muziek van Beethoven kreeg een onheilspellend aura aangemeten in Stanley Kubricks ‘A clockwork orange’. De crimineel Alex gebruikt Ludwig Van vooral om te fantaseren over a bit of the old ultraviolence.
 

 

Er was Wagners ‘Walkürenritt’, dat in ‘Apocalypse Now’ van Francis Ford Coppola in verband wordt gebracht met verregaande waanzin en barbaarsheid. Uit speakers onderaan de helikopters die een Vietnambombardement uitvoeren knalt ‘Tata da daaaa da / Tata da daaaa da / Tata da daaaaaaa’. Ondertussen ontwaart luitenant-kolonel William Kilgore een perfecte branding om te surfen.
 

 

Een veel ingrijpender cinema-ervaring – en een textbook case van too much too young – was ‘Jaws’.

image

Ik zat op m’n 11e echt niet uit te vissen in hoeverre componist John Williams de twee alternerende noten van zijn hoofdthema van Stravinsky (‘Le sacre’) of van Dvořák (‘De nieuwe wereld’) had afgekeken.

http://www.whosampled.com/sample/107696/John-Williams-Main-Title-(Theme-From-Jaws)-Anton%C3%ADn-Dvořák-Symphony-No.-9,-From-the-New-World,-4th-Movement-(Allegro-Con-Fuoco)/

Het antwoord is dus: van allebei een beetje gestolen.

In Debussy’s ‘La mer’ (waarmee ik tien jaar geleden pas kennismaakte) hoor ik tot vandaag een grote witte haai gele tonnen vol lucht naar het diepe trekken. Het zou ook fantoomklank kunnen zijn.
 

 

De man die de eerste klassieke muziek maakte die ik echt als klassieke muziek herkende heet Glenn Gould. Zijn piano-uitvoeringen van 1955 en 1981 van de Goldbergvariaties van Bach (die in de 18e eeuw voor clavecimbel zijn geschreven) zijn ook de eerste klassieke muziek die ik in huis wilde hebben.

Naar verluidt werden de Goldbergvariaties gecomponeerd voor een graaf die, als hij niet kon slapen, de clavecinist Gottlieb Goldberg opdroeg de openende aria en een aantal variaties te spelen. Naar verluidt kunnen we in verband met deze anekdote niet correct antwoorden op de vraag ‘Waar of niet waar?’.

De twee Naar verluidts in de vorige alinea mag u trouwens vervangen door ‘Volgens Wikipedia’. U mag bij de Goldbergvariaties ook BWV (Bach-Werke-Verzeichnis) 988 zetten: gewoon een ordeningssysteem, een afspraak, niks belangrijks. ’t Gaat me veel minder om Bach dan om Gould, een opname-perfectionist (zeg maar: fetisjist) die tegelijk al van in de aria hoorbaar mee neuriet; in sommige variaties doet hij daarna iets dat in de buurt komt van badkamerzingen.

Over de immer boven het klavier gekromde, vanop een oude stoel zonder zitting opvallend laag over zijn instrument scherende Gould is een documentaire gemaakt die ‘Thirty Two Short Films About Glenn Gould’ heet. In korte fragmenten – variaties, zo u wil – wordt een portret getekend van deze geniale excentriekeling die niet graag over muziek praatte (maar wel over interplanetair ruimtereizen), die aan een soort smetvrees leed (bij 30 graden liep hij nog met een lange overjas en handschoenen rond) en die na een tijd niet meer wilde optreden (omdat het te luid klonk of omdat iemand in het publiek achter een pilaar niet goed kon zien).

Het schrijnendste verhaal is dat over zijn idool Arnold Schönberg die geobsedeerd was door numerologie in het algemeen en door het ongeluksgetal 13 in het bijzonder.

Toen Schönberg 65 werd, was hij bang dat hij ging sterven omdat 65 deelbaar is door 13. Een bevriend astroloog vertelde hem eerst dat hij zou blijven leven tot de cijfers een volgende keer tegen hem samenspanden. De componist dacht dat hij 78 zou worden en was gerustgesteld. Tot de astroloog hem twee jaar later liet weten dat niet alleen getallen deelbaar door 13 gevaarlijk zijn, maar ook die waarvan de cijfers opgeteld 13 vormen. Toen hij 67 werd raakte de man in paniek. Hij stierf drie maand later, op een 13e juli.
 
image
 
Vanaf de dag dat Glenn Gould 49 (4+9) jaar oud werd, sprak de dode Schönberg elke dag tot hem. Gould was niet in staat toevalligheden te aanvaarden en maakte duidelijk ook te veel overuren van bewondering voor zijn idool. Gould zou trouwens niet op z’n 49e, maar wel op z’n 50e sterven.

Op deze razend populaire muziek zijn boeken geschreven, gebouwen ontworpen en appeltaarten gebakken. Mijn favoriet Glenn Gouldmoment speelt zich af op een familiefeest midden jaren 80. Ik zeg tegen x dat ik veel naar Glenn Gould luister. ‘Een Bachverkrachter’, vindt hij. Aan het eind van het feest komt x opgewonden met de wagen voorgereden, de ramen open, op een cassette loeihard de Bach van koren, orgels, toeters, bellen en bazuinen. ‘Dát is Bach’, zegt x, en hij rijdt weg, uiteráárd met gierende banden.

Hieronder de opnamen van 1981. Op Goulds rider stond: ‘Binnentemperatuur van 30 °C’