Zuigen aan de oortip van je bril

 
image
 
Bob Dylan
John Wesley Harding
1967

 

De Jack White van nummer 45 beweert drie vaders te hebben: zijn natuurlijke vader (hij was tiende kind en – nog belangrijker – zevende zoon), god (oké dan) en Bob Dylan.

Jack White is nog niet geboren als zijn derde vader midden jaren 60 elektrisch gaat en sommige folkliefhebbers hem hecklen met ‘Boeh!’ Eén man roept vanuit het donker ‘Judas’. Waarom eigenlijk? Welke Messias heeft Dylan verraden? Aan wie? En voor hoeveel zilverlingen?

Vanuit een bizar soort oog van de storm werkt Bob Dylan het ene schandaaloptreden na de andere persconferentie af, en via de films ‘Don’t look back’ en ‘No direction home’ kunnen wij meekijken.

Het is ’s mans bedoeling om voor en na de show uit te leggen dat hij zich geen embleem, symbool, spreekbuis of patroonheilige van een generatie voelt, maar wel een song and dance man.

Ook al wie in de decennia die volgen de man heeft voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur heeft toen niet goed opgelet. Terwijl het toén simpel was en vandaag simpel blijft: Dylan schrijft geen proza en geen poëzie, hij schrijft songs. Die kunnen ons hooguit bij de vraag brengen: op welke Dylansongs kán je eigenlijk dansen, hoé moet dat en kunnen we daarvoor niet beter de ughs van James Brown gebruiken?

Terug naar de persconferenties. Een journalist merkt op dat de song and dance man geen protestsongs meer schrijft. Dylan zegt dat al zijn songs protestsongs zijn. Iemand vraagt hoeveel protestzangers er zijn. ‘Ongeveer 136’, antwoordt Dylan. Een grap van het niveau van Lenny Bruce. Een enkeling die lacht. ‘Ongeveer 136 of exact 136?’, vraagt de reporter, ogenschijnlijk zonder ironie. ‘Ofwel 136, ofwel 142’, zegt Dylan.

‘Is het waar dat je songs een subtiele boodschap hebben?’, vraagt een vrouw. Dylan vraagt waar ze dat vandaan heeft. Antwoord: ‘Uit een filmtijdschrift’.

Andere vraag: ‘Vind je jezelf de ultieme beatnik?’ Tegenvraag: ‘Wat vind jij?’ Antwoord: ‘Daar kan ik niks over zeggen, want ik heb je muziek nooit gehoord.’

Vraag van een fotograaf: ‘Wil je eens zuigen aan een oortip van je bril?’

Aan het einde van de film ‘No direction home’ zien we een door drugs en fratsen van sixtiespaparazzi oververmoeide muzikant die z’n manager wanhopig om vakantie vraagt. Een paar maanden dáárna, zegt een slotmededeling op het scherm, heeft Dylan een motorongeval. Hij zal zeven jaar lang niet toeren.

Wat hij wel doet? Herstellen met Dafalgan forte. Daarna: met zijn begeleidingsgroep The Hawks, die plots The Band heet, in de kelder van een roze bungalow aan ‘The basement tapes’ werken. Die tapes nog niet uitbrengen. Zonder dat The Band van iets weet naar Nashville vliegen. Daar in minder dan 12 uur, enkel begeleid door een bassist en een drummer, 10 songs van ‘John Wesley Harding’ opnemen. Later teruggaan om er nóg twee – duidelijk vrolijker klinkende – op plaat te zetten, dit keer met een pedal steelgitarist erbij. Aan de platenfirma vragen amper publiciteit te maken en de plaat snel uit te brengen.

Muzikaal is het snerpende van de rockende Dylan eruit. De teksten zijn een dikke helft beknopter dan die van ‘Highway 61 revisited’ en ‘Blonde on blonde’. Dylans verteltrant is minder gehaast. Zinnen volgen logisch uit vorige zinnen. Zijn stem is anders.

Het enige dat in die jaren niet verandert is het gewauwel van Dylanologen. John Wesley Harding is afgekort JWH, en dat zijn ook de initialen van Jahweh. Op de hoesfoto zitten The Beatles achter een boom verstopt. Dat gaat maar door.

image

Mijn favorieten van ‘Harding’ zijn ook gecovered door andere favorieten: ‘All along the watchtower’ door Jimi Hendrix, ‘I am a lonesome hobo’ door The Triffids, ‘I pity the poor immigrant’ hoorde ik live brengen door Angels Of Light (de noiseloze groep van Michael Gira van Swans) en aan de ingetogen versie van ‘I dreamed I saw Saint Augustine’ van Dirty Projectors ben ik op Youtube blijven plakken. Soms lijkt trouwens 3/4 van het oeuvre van Jan De Wilde een variatie op deze plaat.

‘JWH’ begint met het verhaal van een desperado die nooit een eerlijk man kwaad heeft gedaan en blijft ook in de negen songs die volgen een nachtelijke meditatie waarin Tom Paine en Sint-Augustinus en Priester Judas en de zwerver en de immigrant en de huisbaas en de grapjas en de dief (en zelfs schuld en boete) langskomen.

Als ik er niets van begrijp, begrijp ik er niets van en stoort het niet, en wat ik wel denk te begrijpen lijkt eerst gewoon over een huisjesmelker te gaan, of over een zwerver die aan gevangenschap ontsnapt door een blikseminslag, en doet zich niet in de eerste plaats voor als een subtiele metafoor voor iets anders. Maar daarna wordt al het niet-letterlijke plots wel de essentie. Bijzondere plaat, die alles behalve in de sixties van de vorige eeuw lijkt te leven.

Er moet ook enorm veel zijn weggegomd. En het moest snel gaan. Wie via deze plaat aan Dylan wil beginnen gaat een weg op die ik niet ken, want ik ben bij zowat al de rest begonnen.

‘Down along the cove’ en ‘I’ll be your baby tonight’ zijn de twee lichtvoetige pedal steelsongs die ‘JWH’ afsluiten. Op de eerste zou je kunnen dansen, de tweede hangt in de zetel, voeten op het salontafeltje. Dylan: ‘Ik had graag overal wat pedal steel gehad, maar ja, hoe gaat dat!’

Na ‘John Wesley Harding’ schreef de man een paar fantastische pop- en countrydingen (‘Lay lady lay’, ‘I threw it all away’, ‘If not for you’, …) en terwijl iedereen de mond vol had van revolutie werd hij een familieman op de vlucht voor opdringerige fans.

Als we de autobiografie ‘Kronieken’ mogen geloven, ging het niet goed: ‘Alles wat ik bedenken kon, kwakte ik tegen de muur en wat bleef plakken, bracht ik uit en toen keek ik nog een keer en alles wat niet was blijven plakken, schepte ik op en dat bracht ik ook uit. Woodstock liep ik mis – ik was er gewoon niet. Altamont – sympathy for the devil – miste ik ook. Tenslotte zou ik een hele lp uitbrengen die gebaseerd was op korte verhalen van Tsjechov – de critici dachten dat het autobiografisch was – goed zo.’

Ooit vroeg ik aan de kern van Mercury Rev wie hun favoriete stand up comedian was. Alle twee tegelijk: ‘Bob Dylan’. Genoteerd, pal naast de vaststelling dat Dylan in ‘Kronieken’ met zekerheid over één ding liegt: lang niet alles wat wel of niet was blijven plakken bracht hij in die jaren uit. Ten bewijze het pas in 2013 opgedoken ‘Another Self Portait’, vol met demo’s van het jaar 1970 en omstreken. In theorie allemaal mogelijke Tsjechovbewerkingen.

 

 

Het winterspek der mogelijkheden

 
image
 
Einstürzende Neubauten
Alles wieder offen
2007

 

Die Achtziger Jahre. In het Londense Institute of Contemporary Arts met pneumatische boor een gat in het podium drillen terwijl flessen in een betonmixer worden gegooid – tot de organisatoren niks anders rest dan de stekker eruit te trekken? Einstürzende Neubauten kan het aanvinken op de been there, done that-lijst.

Met een uit roestig schroot en industrieel afval opgetrokken instrumentarium afbraakwerken organiseren – ja, zelfs een put graven – op een verlaten stuk Autobahn van Berlijn? Staat óók op hun cv.

In de jaren 90 worden de Neubauten beginnende onthaasters: ze maken in die dagen geluid door een zak zand uit te storten, een buis vol olie te laten leegdruppen en een biefstuk twee weken lang in de studio te laten rotten met een hooggevoelige microfoon in de buurt (‘Tabula rasa’).

In 2000 steekt Blixa Bargeld een sigaret op na een halve minuut stilte (‘Silence is sexy, but your silence is not sexy at all’). In 2005 zijn het gedroogde lindenbladeren die ritselen in ‘Ein leichtes leises Säuseln’ van de cd ‘Perpetuum mobile’, een studie in luchtcompressie.

In de AB zie ik hen in 2010, ter gelegenheid van hun 30e verjaardag, op een snelbinder trommelen. Hun buisklokken (zo u wil: tubular bells) zijn van PVC, hun wielvelgen klinken als een beiaard. Er wordt met een schuurmachine zachtjes over een hamsterkooi geaaid. Als uit een Inox-grootkeukenbak metalen staafjes naar beneden kantelen, gebeurt dat geleidelijk en volgens plan; het overstemt nergens de andere geluiden. Blixa Bargeld maakt zelfs ergens een heus plofgeluid, hand tegen loshangende wang.

Sinds F.M. Einheit ontslag nam – Einheit kon twee stenen doen vechten, maar plakte ze altijd eerst een microfoon op – is al wie de confrontatie blijft nodig hebben eraan voor de moeite. De Neubauten zijn stilletjes aan het verdwijnen in de nevelen van het ouder worden. We moeten genoegen nemen met een uitstekende groep die vandaag vooral métier in huis heeft. Er zijn erger dingen.

‘Alles wieder offen’ opent met ‘Die Wellen’. De song heeft de sfeer van een stemmend orkest, met daarboven Bargeld die staat te oreren tegen golven die komen en gaan, die steentjes zo fijn malen als nodig voor zandlopers, die nooit slapen, die – hoewel kleurloos – blauw lijken bij goed weer, moment waarop ze ook een ideaal parcours zijn voor de zoon van de timmerman, het ‘wandelbaarste’ element. Maar als bij slechter weer de golven breken, breken 1000 stemmen, de zijne, die van gisteren, stemmen die hij niet kende, die voordien nog fluisterden, en alle andere ook, en midden daarin die van de Nazareeër, altijd opnieuw met die fameuze vijf laatste woorden: ‘Waarom hebt u mij verlaten?’ De muziek zwelt aan en aan en aan tot Bargeld naar de golven roept: ‘Bleibt du jetzt hier, oder was?’, en alles abrupt eindigt.
 

 
‘Nagorny-Karabach’ is zachter: de bas van Alexander Hacke in de voorgrond, een sample van een barokorgel, de kleinste percussiestaafjes uit de gereedschapskist van N.U. Unruh. De tekst gaat over een zelf gekozen enclave op een berg boven de mist. Er is een bijrol voor een kopergele zon en voor twee grote zwarte raven die de pruimen uit de boom eten. Nagorny-Karabach is een woord dat ook Stijn Meuris zou kunnen zingen.
 

 
‘Weilweilweil’ poetst de oude staalplaten weer op en heeft als goeie raad: ‘Aanvaard geen raad van al wie het winterspek der mogelijkheden lang heeft verbrand’.

‘Let’s do it a dada’ knalt alsof het opnieuw 1985 wil worden en introduceert de woorden Propagandada, Zentrodada en Das Oberdada. Blixa meldt dat hij met Wieland boel heeft, maar niet met John, met Anna én met Hannah heeft gespeeld, nog geschaakt heeft met Lenin en samen met de oertekst zelf in bad heeft gezeten; dat laatste spaart water. Er wordt in de break op rare fluitjes geblazen en iemand zet een dadaïstische muts op. In mijn herinnering probeerden tijdens het AB-concert van 2010 een paar mensen in het publiek zich als schaar, als vis met snor en als kat met vliegeniersbril te verkleden, maar ze werden opgeslokt in een collage van krantenkoppen.
 

 
Tijd, ruimte, boek, oorlog, brieven, dak, kanaal, ambassade, ze zijn allemaal ‘wieder offen’ in de titeltrack.

In ‘Unvolständichkeit’ is de reiziger Bargeld zijn koffer kwijt. Hij vraagt zich af: ‘Ben ik nog compleet genoeg?’, en checkt of hij bril, pen, notitieboekje, tickets, geld, paspoort en sleutel op zak heeft, waarna de omgeving helemaal verneubaut. ’t Is trouwens hier, vanaf de zesde minuut, dat metalen staafjes ook op de plaat in rijtjes van drie naar beneden vallen.

‘Ich hatte ein Wort’ is omzeggens kleinkunst, en het woord is achtereenvolgens zelf getimmerd als een gleuf, rond als een appelsien en vreemd en zeer ‘wederstrevig’. Bargeld vindt het woord na lang zoeken terug, maar wij zullen het nooit kennen: ‘Ich gebs nimmermehr preis’.

‘Susej’ is jesus achterstevoren, dus wordt ook Haleluja hier Ajulelah.

‘Von Wegen’ begint onder water, de break is de herhaling van Wegen, Wegen, Wegen, Wegen, …, waarna de zware metaalnijverheid opnieuw op halve toeren draait. Er wordt met een oude song (‘Halber Mensch’) begonnen en met een oude beginselverklaring afgesloten: ‘Sehnsucht ist die einzige Energie’.
 

 
In ‘Ich warte’ wacht Bargeld op van alles: op zwarte gaten en op schoteltjes die door de nazi’s in de Andes zijn verstopt. Hij schreeuwt nog eens zijn hoge Blechtrommelschreeuw; vandaag nog steeds een zéér indrukwekkende fluitketel. Mooiste wachtkamerzin: ‘Ich warte durch die ganze Zeitung bis es Zeit ist für die Welt’.

In 1985 fluisterde Bargeld: ‘Alle Idolen mussen sterben’. Sommige idolen sterven gewoon onnoemelijk veel trager dan andere.
 

‘If there’s hell below, we’re all going to go’

 
image
 
Curtis Mayfield
Curtis
1970

 

Curtis Mayfield is in de tweede helft van de jaren 60 een zwarte popster met een bril die close harmony zingt bij The Impressions.

We bevinden ons in Chicago, in de slechte buurt, in een eenoudergezin, on the other side of the tracks. Mayfield schrijft de meeste hits van The Impressions zelf. Die songs zeggen in de loop der jaren steeds minder ‘It’s all right / have a good time’, ze beloven steeds meer ‘Power to the people’. Op de radio wil men van dat engagement niks weten: te subversief.

Er gebeurt nog iets: Mayfield, die een indrukwekkende falsetto heeft, gitaar heeft leren spelen van een linkshandige en naar verluidt zijn instrument gelijkstemde op de hoge toetsen van zijn piano, krijgt er met de beste wil van de wereld geen drieminutendoowop en -gospel meer uit. Hij gaat solo, en wil moddervette funk laten horen, maar ook tussen blazers en strijkers een harp opstellen. Het leidt tot briljante orkestraties op zijn debuut ‘Curtis’, plaat die hij min of meer zelf producet en op zijn eigen label uitbrengt. In 1970 nog wel! Een jaar voor ‘What’s going on’ van Marvin Gaye. Drie jaar voor ‘Innervisions’ van Stevie Wonder.

De Mayfieldteksten scanderen soms ‘Move on up’ en ‘Keep on pushin’. Meestal zijn ze harder. Mooiste omschrijving van de gettowanhoop: ‘We the people who are darker than blue’. In die song valt halfweg een ritme binnen waarin stoot- en trekblazers een belangrijke bijrol spelen (en het niveau van een Fela Kutiplaat halen). Dat ritme wordt daarna opgehapt door een harp en door een tekst die in die jaren al waarschuwt voor brothers die mekaar naar het leven staan: ‘When the time comes and we are really free / There’ll be no brothers left you see’.
 

 
Op ‘Curtis’ staat ook een treffende, realistische omschrijving van de andere kant van de stad, waar het moeilijk is om nog iets goeds voor mekaar te krijgen: ‘I’m from the other side of town / I never learned to share or how to care / I never had no teachings about being fair / Depression is part of my mind / The sun never shines / On the other side of town’. Ook ervaringsdeskundig waargenomen: ‘The need here is always for more / There’s nothing good in store’. Mayfield zingt het met die prachtige hoge stem van ‘em. De muziek kruipt vanuit een sprookjesharp en een donderregen naar boven, waar een soulmuziekje van strijkers geweldige tegenritmes krijgt. Daarna blazers. Conga’s alweer. Mijn favoriet!
 

 
‘Move on up’ is het funky dansbeest van de plaat en zit vol Gotta keep on pushin’-hoop. Mayfield is als zeer geëngageerde mens altijd aan de gematigde kant van Martin Luther King en Black Power blijven staan en nooit overgezwommen naar de radicale oever van Malcolm X en de Black Panthers. Dat hoefde ook niet, want hij wás al z’n eigen losgeslagen projectiel! De man bracht bijvoorbeeld opener ‘(Don’t worry) If there’s hell below, we’re all going to go’ als single uit: een van de donkerste funksongs ooit. In de intro zegt een depressieve vrouw dat ze heeft zitten lezen in ‘De openbaring van Johannes’, en de muziek klinkt de hele tijd als de stem die ons in die apocalyps toespreekt met de kracht van een bazuin. De overbekende intro luidt: ‘Sisters, niggas, whities, jews, crackers! / Don’t worry, if there’s hell below, we’re all going to go!’
 

 
Mayfield is enorm veel door hiphoppers gesampled, lees ik ergens, maar na wat opzoekwerk blijkt helaas dat de meesten hem een keer te veel op dezelfde plaats bestelen, en slechts één seconde lang. Ultramagnetic MC’s, N.W.A., Tupac, Nas, Kanye West, The Notorious B.I.G., Jay-Z, Del Tha Funky Homosapien: allemaal samplen ze ‘Don’t worry’ op seconde 37, maar alleen om dat woordje ‘niggas’ te jatten. Beetje triest. De Mayfieldcovers van Bran Van 3000, Lauryn Hill, zelfs die van The Jam en Mark Eitzel, ze steken bij mij nergens het licht aan. En wat maken Angélique Kidjo, Bono en John Legend eigenlijk van ‘Move on up’? Om nog te zwijgen van die all over the place-sample van ‘The makings of you’ in een song van Kanye West en Jay-Z.

Ik begin dus stilletjes aan te denken dat echt niemand in de buurt komt van Curtis ter hoogte van ‘Curtis’. Maar dan kom ik bij ‘Pusherman’ uit, een song die Mayfield in 1972 voor de film ‘Super Fly’ maakte. Hij had de rushes van de film al bekeken en vond dat gangsters en pooiers er te nadrukkelijk in verheerlijkt werden, dus gaf hij tegengas in harde lyrics die iedereen op z’n verantwoordelijheid wijzen, ook de potentiële drugsklant: ‘I’m your momma, I’m your daddy / I’m that nigga in the alley / I’m your doctor when in need / Want some coke? Have some weed / You know me, I’m your friend / Your main boy, thick and thin / I’m your pusherman’.

Het beste eresaluut aan de man komt van – of all people – Eminem, die in ‘I’m Shady’ rapt: ‘I got mushrooms, I got acid, I got tabs and aspirin tablets / I’m your brother when you need, some good weed to set you free / You know me, I’m your friend, when you need a minithin / I’m Shady’. Minithin blijkt een in die tijd populair vitaminepreparaat dat overal te krijgen was en dat deed wat die andere drugs ook deden. Hoe verdomd goed was die Eminem, zeg, van aan zíjn andere kant van de sporen, in het blanke trailerpark waar veel mensen op hun eigen manier darker than blue waren!

Eminem wist wellicht ook: áls er al een hel bestaat, dan gaan we er met z’n allen naartoe, so don’t worry! En ondertussen: keep it gangsta!