115 – 111

 
image
 
Johann Sebastian Bach
Ich habe genug
1727

 

In een song over Vietnamsoldaten zong Lou Reed ooit ‘Christmas in february’, en dat is dé driewoordenrecensie die ik zoek. Vergezocht is die vergelijking alles behalve, want deze cantate is geschreven ter gelegenheid van Maria-Lichtmis, dat 40 dagen na Kerstmis valt. Bovenaan kon u al zien dat het jaar 1727 is en dat Johann met twee n-nen wordt geschreven. De stad heet Leipzig. Soms zet ik de cantate na zevenenhalve minuut af, soms draai ik de hele mini-lp. Stel: u weet van niks. Klik vooral dán op ‘Play’.
 

 
 

 

image

image
 
The Meters
‘The Meters’
1969

 

Wie naar een cd op zoek is die de fundamenten van de (micro)funk blootlegt, kan op veel slechter plaatsen beginnen graven dan op de uitstekende New Orleansklepper ‘The Meters’ van The Meters. Op de hoes meetinstrumenten, op de plaat een samenraapsel van heerlijke Orleansgrooves die ook in de singles van Eddie Bo en Betty Harris en Lee Dorsey en Vele Anderen zitten. ‘The Meters’ komt uit de categorie ‘Hoera, geen tekst!’
 
image

 

 
 
 
image
 
 
 
image
 
Sonic Youth
‘Daydream nation’
1988

 

Sonic Youths magistrale doorbraakplaat ‘Daydream nation’ is van 1988. De plaat verlegt steentjes in de rivier van de gitaarrock, maar is niet de ernstige aangelegenheid die er dikwijls van is gemaakt.

De groep zit bijvoorbeeld al grappend te bedenken wat er kan gebeuren als je J. Mascis van Dinosaur Jr. president maakt (ik denk tv-momenten nóg eigenaardiger dan die met Ronald Reagan).

Gitarist Lee Ranaldo perfectioneert zijn LSD meets science fiction-lyrics. Bassiste Kim Gordon hijgt en fluistert een paar songs vol, ze weet ondertussen precies waar ze ‘Fuck you’ moet zeggen; hier is dat na ‘Does this sound simple?’. Drummer Steve Shelley is altijd uitstekend.

Thurston Moores bijdragen zijn zoals steeds de beste. ‘It’s an anthem in a vacuum on a hyperstation / Daydreaming days in a daydream nation’, zingt Moore in afsluiter ‘New York Trilogy’. Hij benoemt de downtownstraten waarin hij ’s nachts slaapwandelt – Broome street, Green street, de Bowery: een vrij nauwkeurig zicht op de Lower East Side en Little Italy by night.

Hij heeft weer eens een versterker aan diggelen gespeeld, er is ingebroken in zijn appartement, kerels in basketbaltenue hebben hem om 3 uur ’s ochtends in mekaar geslagen (de kans dat nachtbasketballers minder in basket geïnteresseerd zijn dan dagbasketballers is inderdaad groot), en hij heeft zich ziek gemeld op het werk.

Zijn ambitie: een ‘volkslied’ schrijven in een ‘vacuüm’ vanuit een ‘hyperstation’ – ik denk 8 jaar Reagan wegdromen vanuit het progressieve eiland New York dat ook een ultra-uitkijkpost is. Licht depressief en dromerig rondlopen en dan op je smoel krijgen kan ook.

 

 
 
 
image
 
 
image
 
Igor Sravinsky
‘Le Sacre du Printemps’
1911-1913

 

Over Igor Stravinsky’s ‘Le Sacre du Printemps (Tableaux de la Russie païenne en deux parties)’ – zo u wil: ‘De Lentewijding (Beelden van het heidense Rusland in twee delen)’ – herinner ik me:
– dat Siouxsie and the Banshees er een stuk van gebruikten om een live-plaat in te leiden
– dat ik het in Brussel hoorde spelen door een groot orkest met veel blazers, maar vooral: dat de mensen van het Tanztheater Wuppertal toen in een zandbak stonden en zaten en lagen te dansen. Aan het eind zagen de dansers er zo uit:

image

– dat de legendarische schandaalpremière in het Parijse Théâtre des Champs-Elysées het startpunt is van de film ‘Coco Chanel & Igor Stravinsky’
– dat ik in een tweedehandszaak een paar cd’s heb verruild voor een Sacre-exemplaar van Deutsche Grammophon met The Cleveland Orchestra onder leiding van Pierre Boulez
– dat die cd veel heeft opgelegen.

Maar nu is er op Youtube Smalin, over wiens Music Animation Machine ik hier al berichtte. Laat ik me beperken tot wat ik echt begrijp. De houtblazers zijn sterren, de kopers rechthoeken, de strijkinstrumenten ruiten. Ellipsen verbeelden de fluiten, cymbalen en tamtams. Pauken en andere grote trommels krijgen een aura rond een rechthoek. Het duurt niet lang voor we in een wereldstad belanden, en in een upgrade van ‘Space invaders’.
 

 

 
 
image
 
 
image
 
Bob Dylan
‘Oh mercy’
1989

 
De kunstenaar Bob Dylan breekt in de jaren 80 amper uit zichzelf. Het lijken 10 lange jaren van louter stagnatie.

Dylan zelf over die periode: ‘Altijd productief maar nooit precies, had ik mijn muzikale weg door te veel afleiding laten overwoekeren tot een jungle van wijnranken en klimplanten.’ Of nog: ‘De ramen zaten al jaren dichtgetimmerd, met spinrag overdekt, en ik maar doen alsof mijn neus bloedde.’ Ook treffend: ‘Waar ik ook kom, ik ben een troubadour van de sixties, een folkrockfossiel… Ik was wat ze noemen op m’n retour.’

Het zijn een paar zinnen uit de eerste bladzijden van hoofdstuk 4 van ‘Chronicles’, Dylans autobiografie in (lange) fragmenten. De man zit in de aanloop naar het verhaal van de opnamen van ‘Oh mercy’, een plaat uit 1989.

Dylan vindt een nieuwe techniek: ‘dynamische principes waarmee ik mijn optredens kon transformeren’. In het Zwitserse Locarno valt hij op een podium voor 30.000 mensen een ogenblik lang in een zwart gat, maar hij maakt zijn ‘eigen bezwering om de duivel uit te drijven’. Zijn hand ‘raakt onchristelijk gewond in een idiote samenloop van omstandigheden’. Hij schrijft een paar songs, maar de wil om eraan te werken ontbreekt.

De sfeer is die van totale ontreddering, weliswaar in het decor van zijn landgoed dat ’s avonds, als een vos of een coyote de paarden en honden onrustig maken, uitgeeft op een donker geuldal overwoekerd met struiken. De lichten van zijn grote huis blinken als het interieur van een casino, noteert hij ergens.

Bono komt langs met een kratje Guinness en praat hem producer Daniel Lanois aan. Dylan trekt in zijn eentje naar New Orleans; hij laat zelfs zijn gitaar thuis achter.

Als hij na opname van de eerste song van ‘Oh mercy’ de studio verlaat, funkt Lanois alles ongevraagd op: ‘Alles leek in te storten en we waren niet eens begonnen’.

In de eerste song die ‘deed wat-ie moest doen en niet alleen maar wat beloofde’ wil Lanois er koste wat het kost een cajunorkest bij. Dylan hoort Lanois’ toegevoegde lagen wel die de songs een soort karakter en doel geven, maar zijn buik gromt: naarmate songs die al van in het begin onaf lijken in de verkeerde richting evolueren, worden ze voor hem steeds onaffer.

Als Lanois het technisch niet goed vindt, geeft Dylan hem gelijk, maar houdt hij tegelijk vast aan ‘het gevoel van ontzag’ dat over de demo’s hangt.

Soms blijft een tekst vol mistige betekenissen zitten en wordt het niet het liedje dat zichzelf transformeert. Soms vindt hij geen definitieve melodie, alleen globale akkoorden. Soms loopt Dylan weg van het gedoe, om in New Orleans rond te dolen op kerkhoven, en tegelijk te beseffen dat het beste dat hem kán overkomen de ‘muziekdokter’ Daniel Lanois is, ‘die het intieme harmonische gevoel van een lied naar voren haalt’, een man die tegelijk van pure frustratie een metalen dobro aan diggelen zal slaan, en dat zonder iemand van de opnameploeg van Einstürzende Neubauten te verwittigen.

 

A bigger room

 
image
 
image
 
The White Stripes
‘White blood cells’
2001

 
 
Jack Whites favoriete song is stokoud: ‘Grinnin’ in your face’ van Son House bevat alleen handclaps en zang: ‘You know your mother will talk about you / Your own sisters and your brothers too… Don’t you mind people grinnin’ in your face’.
 

 

De White Stripessong die volgens mij het best Whites carrière samenvat heet ‘Little room’ en duurt net geen minuut. In de tweede helft zingt White iets dat lijkt op Dada daa dadadaaah da…. Nana na nananaaah ya… Nana iiii nana naiee… dita yona anna dita andaah… Instrumenten zijn in ‘Little room’ bijna even schaars als in de Son Houseklassieker: Meg White imiteert een metronoom, Jack White doet alleen zijn eigen stotterpunkblues. Eerste van twee coupletten: ‘Well you’re in your little room / And you’re working on something good / But if it’s really good / You’re gonna need a bigger room’.

In 2001 maakte ik de in rood, wit en een mespuntje zwart gestoken Jack en Meg White mee in de AB-club. In die tijd dacht ik dat ze broer en zus waren; hún verwarringsstrategie. Hun kamer was nog vrij klein. In de jaren daarvoor was ze in de garagerocksien van Detroit nog veel kleiner geweest: ‘White blood cells’ was al hun derde plaat.

In de AB allemaal mensen die dachten: ’t is van Led Zeppelin geleden dat rock nog als zo’n rauwe blues klonk. Een paar jaar later doken massa’s voetballiefhebbers op die nog nooit van The White Stripes gehoord hadden, en die dachten: ’t is van ‘Olé! Olé! Olé! Oléee!’ geleden dat het stadion nog zo daverde.

Via het onwaarschijnlijke ‘Seven nation army’ waren The White Stripes inderdaad in a bigger room beland, maar de verplichte kleuren bleven rood, wit en zwart; liveopnamen op Youtube tonen hoe hard The White Stripes in alle details met die kleurbeperking bezig waren.

Jack White heeft ooit een lucratieve deal met een firma afgewezen omdat die hun label in een ándere kleur op de hoes wilden: ‘Als ze over zoiets niet toegeven, zullen ze ons nergens willen begrijpen’.

Toegeven is niet Whites sterkste punt, inbinden ook niet. Met ProTools kan en wil hij niet werken, zegt hij: ‘Mijn collega’s doen het, waarschijnlijk hoort geen hond het verschil, maar ik moet gewoon op mijn manier van a naar b. En als dat op een oude gitaar is die moeilijker te bespelen is, of zonder alles keurig bij te schaven, is dat maar zo.’

Het tweede couplet van ‘Little room’ gaat als volgt: ‘And when you’re in the bigger room / You might not know what to do / You might have to think of / How you got started / Sitting in your little room’. White is steenrijk, en wat doet hij? Hij koopt een gigantisch pand. Basisidee: vinyl bij persen en verkopen. Komen erbij: een platenlabel, een opnamestudio, een zaal voor optredens, een ruimte waar ter plekke vinyl geperst wordt van het liveoptreden dat je hebt meegemaakt. Dat alles – ruimte waarin je staat en plaat die je koopt – in een beperkt kleurenpalet.
 

 
image

Kleinburgerlijke verkramping

 
image
 
Dmtri Sjostakovitsj
5e symfonie
1937

 

Van de culturele Sovjetelite in de Leninjaren 1917-1924 kan je niet beweren dat ze een achterlijke, oubollige wereld creëerde: de Russische voorhoede kon zich meten met die uit Duitsland en Frankrijk. De muziek van de Sovjetheilstaat wil modern zijn. Wég verhaal en thematiek. Toonhoogtes en klankkleuren op zich worden belangrijk. Stravinsky, Schönberg en Bartók worden op de conservatoria en op café door de jeunesse dorée communiste bestudeerd, en de scene in Moskou en Leningrad bevat evenveel moderne gekken als die van Parijs en Berlijn.

Er zijn alleen the little differences: Alexander Mosolov maakt bijvoorbeeld in 1927 ‘De ijzergieterij’ tot een hooglied van de machine. De theorie luidt: het individu is niks meer waard in de raderen van het collectivisme.
 

 

De briljante componist Dmtri Sjostakovitsj leert als bioscooppianist wat montagetechniek is, hoe hij straatgeluiden en marsmuziek in een filmbegeleiding verwerkt, maar zijn improvisaties verwijderen zich ver van de norm, en hij blinkt niet uit door voor het publiek toegankelijke, verbindende muzikale motieven. De directie dreigt met ontslag.
 
image
 
Nog voor hij 20 is, wordt zijn 1e symfonie een succes. Veel van zijn werk heeft een sarcastische en stekelige tegenklank. Sjostakovitsj’ aanslag is ook nogal droog. Zijn opera ‘Lady Macbeth uit het district Mtsensk’ kent zoveel bijval dat men in fabrieken een piano aanrolt en stukken uit de grote, proletarische productie opvoert. Het Lady Mtsensk-verhaal is makkelijker te volgen dan de rare Duitse opera’s van die tijd, en bevat zeker evenveel explicit lyrics: Lady Macbeth doet alleen even alsof ze aan de frigide kant is, en moord en verraad spelen de hoofdrollen.
 

 

Stalin is ondertussen sinds midden jaren 20 aan de macht, maar als hij in de Trofee Gevaarlijkste Gek Van De 20e Eeuw op het erepodium belandt, ligt dat aan de dolle fratsen die pas in de jaren 30 beginnen, moment waarop Stalin zijn (potentiële) tegenstanders begint weg te zuiveren.

Net als een paar miljoen landgenoten mag Dmtri Sjostakovitsj een nachtelijke klop op de deur verwachten, en bij hem kunnen we de dag prikken waarop hij mag beginnen met beven: 28 januari 1936. Die ochtend bloklettert de Pravda, na een bezoek aan Sjostakovitsj’ Macbeth-opera van hun belangrijkste culturele freelancer Jozef Stalin, onder de titel ‘Chaos in plaats van muziek’: ‘Fragmenten van een melodie en kiemen van muzikale frases gaan op in het tumult, geknarsetand en gekrijs… Het is moeilijk deze ‘muziek’ te volgen, het is onmogelijk om ze te onthouden… We hebben hier te maken met ‘linkse’ warhoofdigheid, en niet met natuurlijke, menselijke muziek… Dit is spelen met duistere dingen, dat kan heel slecht aflopen.’

Gevolg: geen opvoeringen meer van Sjostakovitsj’ werk. Plus: de man blijft kettingroker, maar bijt nu ook zijn vingernagels eraf.

Sjostakovitsj redt het hachje door de springerige 4e symfonie (die volledig klaar is) in de lade op te bergen. ’s Mans vrienden en beschermers worden ondertussen naar strafkamp of executieterrein afgevoerd. In 1937 wordt hij verplicht een lijst van namen te geven van samenzweerders. Een hele dag wacht hij in de gang op zijn ondervrager. ’s Avonds zegt iemand dat die ondervrager zelf is gearresteerd, en wenst hem een mooie avond.

Sjostakovitsj leest in ‘Stalin voor beginners’ dat Sociaal Realisme een kunststroming is die drie bevelen geeft: 1. Al die experimenten die zo populair waren in het Rusland van kort vóór en kort ná de revolutie: weg ermee 2. Vanaf nu alleen begrijpelijke, realistische, vitale en monumentale kunst voor het proletariaat. 3. Zuiver de wereld in één klap via zware inspanning van de roest en schimmels van het pessimisme. De componist dekt zich in via zijn 5e symfonie. Ondertitel: ‘Het Creatieve Antwoord van een Sovjetartiest op Terechte Kritiek’. Het einde is weekendfilmhappy, de apotheose waarlijk optimistisch, de apparatsjikovatie staand en oorverdovend.
 

 

Wat jammer dat de hardleerse componist in 1939 opnieuw ontgoochelt met de 6e symfonie. Kan hij het niet, of wil hij het niet?, vraagt de Bond der Sovjetcomponisten zich af: ‘De massa zal niet worden meegesleurd door deze kleinburgerlijke verkramping om volgens de methodes van de geforceerde vernieuwing originaliteit voor te wenden’.

En dan moet het waanzinnige Sjostakovitsjverhaal nog beginnen.