Dichtgetimmerde ramen, met spinrag overdekt

 
image
 
Bob Dylan
‘Oh mercy’
1989

 

De kunstenaar Bob Dylan breekt in de jaren 80 amper uit zichzelf. Het lijken 10 lange jaren van louter stagnatie.

Dylan zelf over die periode: ‘Altijd productief maar nooit precies, had ik mijn muzikale weg door te veel afleiding laten overwoekeren tot een jungle van wijnranken en klimplanten.’ Of nog: ‘De ramen zaten al jaren dichtgetimmerd, met spinrag overdekt, en ik maar doen alsof mijn neus bloedde.’ Ook treffend: ‘Waar ik ook kom, ik ben een troubadour van de sixties, een folkrockfossiel… Ik was wat ze noemen op m’n retour.’

Het zijn een paar zinnen uit de eerste bladzijden van hoofdstuk 4 van ‘Chronicles’, Dylans autobiografie in (lange) fragmenten. De man zit in de aanloop naar het verhaal van de opnamen van ‘Oh mercy’, een plaat uit 1989.

Dylan vindt een nieuwe techniek: ‘dynamische principes waarmee ik mijn optredens kon transformeren’. In het Zwitserse Locarno valt hij op een podium voor 30.000 mensen een ogenblik lang in een zwart gat, maar hij maakt zijn ‘eigen bezwering om de duivel uit te drijven’. Zijn hand ‘raakt onchristelijk gewond in een idiote samenloop van omstandigheden’. Hij schrijft een paar songs, maar de wil om eraan te werken ontbreekt.

De sfeer is die van totale ontreddering, weliswaar in het decor van zijn landgoed dat ’s avonds, als een vos of een coyote de paarden en honden onrustig maken, uitgeeft op een donker geuldal overwoekerd met struiken. De lichten van zijn grote huis blinken als het interieur van een casino, noteert hij ergens.

Bono komt langs met een kratje Guinness en praat hem producer Daniel Lanois aan. Dylan trekt in zijn eentje naar New Orleans; hij laat zelfs zijn gitaar thuis achter.

Als hij na opname van de eerste song van ‘Oh mercy’ de studio verlaat, funkt Lanois alles ongevraagd op: ‘Alles leek in te storten en we waren niet eens begonnen’.

In de eerste song die ‘deed wat-ie moest doen en niet alleen maar wat beloofde’ wil Lanois er koste wat het kost een cajunorkest bij. Dylan hoort Lanois’ toegevoegde lagen wel die de songs een soort karakter en doel geven, maar zijn buik gromt: naarmate songs die al van in het begin onaf lijken in de verkeerde richting evolueren, worden ze voor hem steeds onaffer.

Als Lanois het technisch niet goed vindt, geeft Dylan hem gelijk, maar houdt hij tegelijk vast aan ‘het gevoel van ontzag’ dat over de demo’s hangt.

Soms blijft een tekst vol mistige betekenissen zitten en wordt het niet het liedje dat zichzelf transformeert. Soms vindt hij geen definitieve melodie, alleen globale akkoorden. Soms loopt Dylan weg van het gedoe, om in New Orleans rond te dolen op kerkhoven, en tegelijk te beseffen dat het beste dat hem kán overkomen de ‘muziekdokter’ Daniel Lanois is, ‘die het intieme harmonische gevoel van een lied naar voren haalt’, een man die tegelijk van pure frustratie een metalen dobro aan diggelen zal slaan, en dat zonder iemand van de opnameploeg van Einstürzende Neubauten te verwittigen.
 

 

 

Een plek op Pukkelpop tussen zes tenten

 
image
 
Charles Ives
‘Central Park in the dark’
1906

 

Ik worstel met een hardnekkige oorwurm van 1899(!), een aanstekelijke monsterhit uit de tijd van toen zelfs wijlen de presentator van ‘De tijd van toen’ nog niet was geboren. De song heet ‘Hello Ma Baby’. Ze werd eerst via bladmuziek verkocht, en een paar jaar later via papierrollen met gaatjes voor in de pianola. De tekst van het refrein: Hello ma baby / hello ma honey / hello ma ragtime girl.
 

 

‘Hello Ma Baby’ is een van de vele coon songs die hits zijn geworden. Een coon song moest over negers gaan. Over negers die gokken, negers die liever stelen dan hun boterham verdienen, negers die geweld gebruiken (gelukkig vooral tegen andere negers), negers die er allemaal hetzelfde uitzien, negers die het enige ras zijn zonder vlag (‘Every race has a flag but the coon’), negers die door discipline, opleiding of geld proberen de status van blanken te bereiken, maar natuurlijk lukt dat alleen in hun dromen, wat had je gedacht, het zijn tenslotte negers.

‘Hello Ma Baby’ is een beschaafde coon song over negers die met elkaar telefoneren. Toen nog een nieuwigheid. Ik bedoel telefoneren in het algemeen.

Er is plaats noch tijd voor een pamflet over raciale vooroordelen van lang geleden. De waarheid is trouwens dat ook zwarten coon songs schreven en dat de populariteit van de ragtimeritmes de weg zou plaveien voor gitzwarte blues en jazz. Concreet: voor Bessie Smith en Louis Armstrong.

Nog één raadsel: coon is een afkorting van raccoon, maar geen enkele van mijn zwarte muzikale helden lijkt op de procyon lotor, de gewone wasbeer. Of zou het te maken hebben met eten uit de vuilbak stelen?

Genoeg. ‘Hello ma baby’ wordt hier vermeld omdat New Yorks componist Charles Ives het een dikke minuut lang citeert / vermaalt / samplet / covert / mash-upt in wat voluit ‘Contemplation of nothing serious or Central Park in the dark’ heet, een compositie van nog geen 10 minuten van begin vorige eeuw.

‘Central Park in the dark’ is een nocturne die begint met zachtmoedige strijkers, maar er ruist al wat in het struikgewas. Na vier minuten speelt een piano een ragtimedeuntje. Vanaf minuut 6 trekt zich een kakofonie van caféliederen op gang die over het park waaien en die Ives nergens met mekaar verkneedt, integendeel: ze blijven elkaar de boventoon betwisten tot er één wint en dat is ‘Hello ma baby’ – achtereenvolgens gespeeld op een piano en op een irritant hoge klarinet (een esklarinet!), waarna ook een fanfaretrommel invalt. Nogal bruusk verdwijnen al die waanzinnige uitgaansgeluiden – denk een plek op Pukkelpop precies tussen zes tenten – en blijven alleen de zachte strijkers over. De laatste nachtraven nemen de laatste paardenkoets naar huis. Central Park wordt opnieuw een minijungle van wormen en muizen en uilen.
 

 

Charles Ives’ vader was een bandleider die ooit twee fanfares langs elkaar heen liet marcheren om te horen hoe dat klonk. Zijn zoon speelde orgel in een kerk, en schreef in 1902 een cantate die lovende recensies kreeg, maar een week na de première gaf hij zijn muzikale carrière op (naar verluidt vond hij de klassieke muziekscene een bende sissies) om in zijn onderhoud te voorzien door levensverzekeringen te verkopen. Hij stippelde verkooptechnieken uit voor handelaars in polissen, en was daar zeer succesvol in. Hij leefde niet in een vochtige zolderkamer. Componeren deed hij in zijn vrije tijd.