Youtube is een zegen waar ik vandaag de vloek niet van zie, want ik amuseer me te pletter met opnamen uit de hoogdagen van het New Yorkse CBGB’s, tot nader order dé grotten van Lascaux van de punkrockgraffiti. Eerst ‘Sonic reducer’ van The Dead Boys uit Cleveland, Ohio, die in 1977 in downtown Manhattan zijn geland. Ze worden niet aangekondigd maar ingeschreeuwd als incredible en phenomenal. En inderdaad, zeg!
Daarna beleef ik een volledig(!) concert van Bad Brains uit 1982. Een on-waar-schijn-lijk goeie hinkstapsprong van punk over reggae naar de toekomst van metal, met een publiek van zwarte én blanke punks die zijn opgedaagd om samen ‘La guerre du feu’ na te spelen; er vielen net geen slachtoffers. Bad Brains, verdomme! De eerste keer dat ik écht denk: fuck, ik heb een groepje overgeslagen. Te laat.
De Utrechtenaar Jaap Fischer maakt in de periode 1960-1963 klatergouden kleinkunst. Vanaf 1961 heeft hij behoorlijk wat succes.
Hoestekst van zijn tweede ep, uitgebracht op Studenten Grammofoonplaten Industrie: ‘Sommige ouderwetsen meenden dat de tint van deze chansons soms ongezond was. Maar vrijwel iedereen was het erover eens dat Jaap Fischer het Nederlandse lied op een nieuwe manier benaderd heeft. De brieven die vertelden over het enthousiasme van de hoorders kwamen in groten getale binnen. Zij kwamen van teenagers en ouderen, zelfs van een ambassadeur.’
En nu het slechte nieuws. In 1964 al hangt Fischer zijn lier aan de wilgen en ‘verdwijnt van de aardbodem’, zij het niet op de wijze van Syd Barrett of Jozef van den Berg. Jaap Fischer wordt Joop Visser, gaat studeren, werkt vanuit Italië, Thailand en Egypte voor de landbouworganisatie van de Verenigde Naties, keert terug naar Nederland, promoveert tot doctor in de sociale wetenschappen op een proefschrift over betekenis en invloed van lokale kranten, werkt als leraar maatschappijleer, is actief in de coulissen van de politiek, schrijft een paar kinderboeken en een ‘gids voor jonge mensen die niet weten wat ze zullen gaan doen’.
Samen met Jessica van Noord brengt Visser zelfs cd’s uit in eigen beheer, en hij treedt op in binnen- en buitenland, maar in intieme sfeer en voor wie het wachtwoord kent. Het werk van Joop Visser zegt mij niet veel. Songs als ‘Heineken is een harddrugdealer’, ‘Ah je in Utrecht geboren ben, dan kèn je daar niks an doen’ en ‘De Volkskrant is een kutkrant’ zijn giftiger en bedoeleriger dan zijn vroege werk. Een song die ‘Huilversum’ heet wil ik zelfs niet horen.
Van subtielere schetsen als ‘Onze Jan is manager geworden’ (omdat hij nooit een vak heeft geleerd, natuurlijk) en ‘Embryoselectie is het goede’ begrijp en beaam ik de inhoud, maar de te nauw zittende predikantenjas stoort me. De hilarische liveversie van ‘Manager Jan’ is gezelliger vitriool, stel ik in 2014 vast in een Mechelse boekhandel, ter gelegenheid van de voorstelling van een stuk van de biografie van de dichter Herman de Coninck, een Fischerfan.
In de zomer van 2013 kondigen Visser en van Noord aan dat ze nog minder gaan optreden, en alleen op afspraak. Maar in november 2013 gebeurt er plots iets heel raars. ‘Bekend chansonnier Jaap Fischer was zaterdagavond te zien in Holland’s Got Talent’, lees ik, ‘maar werd niet herkend door de juryleden’.
Even inzoomen. We belanden meteen op het grote podium van deze talentenjacht. Van Noord: ‘Wij zingen een liedje van Joop. Het heet ‘De hordenloper’. Jurylid: ‘De hordenloper!’ Visser: ‘Ja, de hordenloper. ’t Gaat over een hordenloper’.
Een backstage-interview wordt ertussen gemonteerd. ‘Wij doen een liedje over ‘De hordenloper’, uit de musical ‘De hordenloper’. Interviewer: ‘De musical?’ Visser: ‘Ja, ‘De hordenloper’.
En we zijn vertrokken. ‘Hij was een hordenloper / hij liep alleen maar horden’. De stemmen van Visser en van Noord zijn respectievelijk schel en hoog, spelen café chantant en botsautootje tegelijk, en doen mij denken: ‘Hé, ander licht, andere lucht’. Ze zaaien instant verwarring bij de driekoppige jury.
De tekst is goed: ‘Een vrouw kon hij niet krijgen / Geen vrouw die om hem gaf / Aan mijn lijf geen hordenloper / Blijf van me af’. De tekst wordt vintage Fischer: ‘Ze zeiden dat het kwam / omdat z’n ouders waren gescheiden / Wat een onzin / Dat zegt natuurlijk niets / Kinderen genoeg van gescheiden ouders / die er niet aan denken horden te gaan lopen’.
Eén jurylid heeft hen al weggegongd, een ander staarde van bij zin 1 naar het plafond, nummer 3 zegt: ‘Schiet me dood’.
Het eindoordeel: ‘De tekst vind ik nog wel redelijk leuk verzonnen, maar eh, ik vind het afbreuk doen aan elkaar. De stemmen zijn vreselijk, het klinkt niet lekker om naar te luisteren.’ Van Noord hoort het met een gespeeld verbouwereerde ‘O’ aan, Visser met een bevestigend ‘Ja, dat is wel zo.’ De vrouwelijke touch kan in een jury-oordeel dezer dagen niet ontbreken: ‘Volgens mij hebben jullie heel veel plezier samen, stiekem’. Uiteraard zit ook een internationale stem in het panel: ‘Was this supposed to be funny?’ – ‘Hahaha-funny?’
Visser blijft kalm: ‘Ik ben het ermee eens’. Wat een old school-hart onder de riem voor de ontevredenen! Wat een sneer naar de bezadigden! Wat een weerstandsboodschap van Algemeen Nut! En dáár inbreken, zeg, op die plek!
Eén klein minpunt aan deze lange uitleg: ik kan het hele fragment gewoon via youtube tonen en nu heb ik alles al verklapt. Toch maar aanklikken en bijvoorbeeld letten op de juryleden, mediamensen die mij doen overwegen toch eens naar ‘Huilversum’ te luisteren.
Hyde Park, Londen. 5 juli 1969. The Rolling Stones.
Beetje chaos. Minstens 250.000 mensen zijn opgedaagd. De Hells Angels doen de security. Het is juli, en heet.
Later dat jaar, in december in het Amerikaanse Altamont, zullen er doden vallen op een Stonesconcert. Hier, in Londen, zijn de sixties nog niet voorbij.
De Stones zijn wel hun gitarist Brian Jones kwijt. Hij is twee dagen voor het concert gestorven. Als de groep op moet, zegt Mick Jagger: ‘Als het van jullie mag, ga ik eerst iets doen voor Brian’.
Jagger trotseert een opgewonden menigte, vraagt twee keer of de mensen zich asjeblief willen gedragen, en leest een stuk voor uit een gedicht van Shelley, ooit geschreven voor zijn overleden vriend Keats: ‘Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep / He hath awakened from the dream of life / ‘Tis we, who lost in stormy visions, keep / With phantoms an unprofitable strife / And in mad trance, strike with our spirit’s knife / Invulnerable nothings.’
Het is een modern gebed dat niet in eerste instantie de gestorvene helpt de verlossing te bereiken, want: niet de overledenen hebben hulp en troost nodig, maar de nabestaanden. Ik denk dat Mick Jagger en Perce Bysshe – dat moest ik even gaan opzoeken – Shelley gelijk hebben. Als we van iemand afscheid nemen, zijn wij het, de nabestaanden. ‘Tis we.
De Stones laten in Hyde Park vlinders los en introduceren Mick Taylor (die zijn eerste show speelt voor het grootste publiek denkbaar).
Mick Jagger wordt tijdens afsluiter ‘Sympathy for the devil’ nog niet bijna beschoten (en op de valreep door een Hells Angel gered, zo zal blijken uit de beelden) zoals later dat jaar in Altamont.