In living color

 

Iedereen distilleert zijn geheel eigen crossover door te wonen in ~, te luisteren naar ~, naar de ingang gebracht te worden van ~, discipline te ontwikkelen om ~ en bewust of onbewust heelder treinen te missen richting ~. Inderdaad, de grote motor blijft het strakke regime Toeval.

Mijn toevallige omstandigheden? Klassieke muziek was thuis en op de speelplaats geen hoofdrolspeler. Op kot was er soms de minimal music van Philip Glass, Steve Reich, Wim Mertens en Michael Nyman, die via film en via de Leuvense radio Scorpio binnenkwam. Wim Mertens’ werk is vooral bekend geworden via de begintune van het BRT-nachtprogramma en via reclame voor telefonie.

 

 

Omdat minimal music niet zó ver bij Erik Satie vandaan woonde, heb ik tegen Satie wel eens ‘Soyez le bienvenu’ gezegd.

 

 

Mijn eerste zéér ongemakkelijke zittende dissonantie kwam aankloppen via John Cales ‘Music for a new society’. Cale was op die demonenuitdrijving duidelijk alle ‘zo triest en zo mooi’-emoties kotsbeu. ‘New society’ bleek daarna een prima rode loper richting andere 20e eeuwse tegentonen.

Omdat ik nog later af en toe naar jazz luisterde, was ook Claude Debussy geen moeilijke noot om te kraken. Meer dan 23 miljoen keer bekeken, deze clip van ‘Clair de lune’!

 

 

En toen begon Radio Klara ook overdag op te staan. Op de klassieke zender heb ik het zo vaak gehoord in middagprogramma’s: eerst polyfonie, dan barok, dan klassiek op z’n Mozarts, en gelukkig maar: anders had ik nooit mijn weg gevonden. Omdat mij door 1001 kenners was verteld dat het bij Bach was begonnen, heb ik ‘Geboren in 1685 – Gestorven in 1750’ onthouden, ter oriëntatie.

 

 

Maar ik bleef vooral hangen in de romantiek van begin 19e eeuw.

 

 

De 2e helft van de 19e eeuw, die is voor mij heel lange tijd virtuoos maar onbestemd gebleven. Ik hoorde te vaak de esthetica van monocles, benefietgala’s, koekjesdozen en Koningin Elisabethwedstrijden. Ik kreeg te weinig momenten die me ondersteboven gooiden. Nuance was er natuurlijk ook: toen ik op de klassieke zender ’s middags na mekaar Johannes Brahms’ Variaties op een thema van Haydn, het eerste Pianotrio van Felix Mendelssohn en Peter Tsjaikovski’s vioolconcerto hoorde, dacht ik: die onbestemdheid is misschien ‘voorlopig’.

Vandaag komt er qua 2e helft van de 19e eeuw niet veel goeds bij, want ik zit een en ander op te zoeken over een liederencyclus van Robert Schumann uit 1840, een cyclus die in Honderd zal staan. De liederen zelf zijn natuurlijk prachtig. Laten we het werk late romantiek noemen. En laten we wel wezen: als Schumanns for piano only-werken ‘Kreisleriana’ en ‘Kinderszenen’ reeksen popsongs waren, er zouden er maar een paar op B-kantjes belanden. In zijn werk voor grotere bezetting meandert ergens een cello sierlijk tussen orkestklanken, elders weert een piano zich dapper tegen blaas- en strijkinstrumenten… natuurlijk hoor ik dat allemaal in Schumanns Verzameld Werk. Maar de romantiek blíjft krachtiger en duidelijker galmen in het Beethovenbegin en in het Schubertantwoord, en ik heb blijkbaar de heer Gustav Mahler als gids gekozen om me de 20e eeuw binnen te leiden – eeuw waarin de 19e eeuw door weer andere favorieten vakkundig in stukken wordt gekapt.

Waarom er trouwens qua 2e helft van de 19e eeuw vandaag niet veel goeds bijkomt? Ik heb net een draak van een film uit 1947 bekeken, één waarin Katharine Hepburn Schumanns echtgenote Clara speelt: een kleffe liefdesgeschiedenis die wordt verteld vanuit één Schumannstuk (‘Träumerei’), en waarin de kinderen van Robert en Clara Schumann even ergerlijk zijn als die van de familie Von Trapp. Die kinderen moeten tegen vriend-aan-huis Johannes Brahms ‘nonkel’ Brahms zeggen. Soit. Wat ik zal onthouden: Schumann en Brahms, er is een verband en een tijdsketting, maar veel muziek van beide meesters zindert opnieuw amper na, laat me integendeel wederom na elke luisterbeurt onmiddellijk met rust.

Nog een kleurplaat dan maar?

 

 

De man die verantwoordelijk is voor al dat moois op youtube is Stephen Malinovsky of Smalin. Als u in een mum van tijd wil weten hoe verdomd lang Smalin al met hart en ziel aan zijn Music Animation Machine werkt, klik dan hier. Als u een beetje langer in Smalins wereld duikt, zal u het vanzelf merken: de man is ondertussen de geestelijke vader van vele getalenteerde kinderen.

Smalins revolutionaire visualisering van klassieke muziek is voor mij overigens prima tweedekansonderwijs, want muziek lezen en schrijven ik niet kan, en het voordeel van deze muzieklessen is dat ze geen schriftelijke cursus zijn.

In de playlist hieronder een paar favorieten uit die ‘moeilijke’ 2e helft van de 19e eeuw: werk van César Franck, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski en Antonín Dvořák.

 

 

Tegentonen

 

Ik herinner me Henry Rollins op Pukkelpop in 1990 (Aantal podia: 1. Bezoekersaantal: 10.000! Topacts: Faith No More, Nick Cave And The Bad Seeds).

Rollins stond ervan versteld hoe braaf The Buzzcocks in die dagen klonken: ‘Zeker als je het vergelijkt met wat wij met Black Flag deden’, vond de man, en de man had overschot van gelijk. The Buzzcocks mikten even hard op de hitparades als The Who. Black Flag was rauwer en abstracter. Black Flag smaakt naar tomatenconcentraat.

Black Flag elitair? Da’s maar de helft van het verhaal. De evolutie van nieuw, swingend en fris naar moeilijk en tegendraads heeft een keer te veel plaatsgevonden, en in zowat alle mogelijke muziekgenres.

Hardrock trok van Black Sabbath richting Napalm Death. De reggae van The Wailers veranderde in de dub van Lee Scratch Perry. Van de droogleggingfeestjazz uit de serie ‘Boardwalk empire’ wandel je niet in 1-2-3 naar de waanzin van Ornette Coleman en John Zorn. Tussen vroege Detroit techno en ‘Drukqs’ van Aphex Twin lijkt een wereldoorlog te hebben plaatsgevonden, tussen Mozart en Schönberg ligt een eeuwigheid.

Namen al deze vernieuwers zichzelf te veel au sérieux? Zijn het stuk voor stuk elitaire, de wereld met hun eigen navel verwarrende plaaggeesten en blaaskaken die zich boven de massa verheven voelen? Werden al die jaren in het kunstschoolmilieu systematisch wedstrijden Om Ter Raarst Doen gehouden? Hadden sommigen van deze excentriekelingen te kampen met constipatie of breinletsel?

Wie alleen overdag naar Stubru of Klara luistert en ’s avonds verslaafd is aan talkshows op tv, zal misschien geneigd zijn een paar keer ‘Ja’ te antwoorden. Maar wie op de nationale zenders al eens ’s avonds inschakelt voor ‘Select’ en ‘Late night’ – volgend jaar heten die programma’s weer anders, maar the more things change, the more they remain the same – of via internet Antwerpse, Brusselse, Gentse, Leuvense, Vladivostokse ‘studentenradio’s’ weet te vinden, die zal onderkennen: voor veel muzikanten (en luisteraars) heeft het raam van de tegentonen gewoon onherroepelijk open gestaan, en is er geen weg terug.

Onlangs hoorde ik bijvoorbeeld voor het eerst iets van de componist Helmut Lachenmann. Eerste en enige reactie: ‘Wat is me dat weer?’
 

 

Voor alle in onderstaande Tegentonenplaylist opgenomen composities geldt wél: vind ik uitstekend.

De hoogtepunten komen uit de tweede helft:

– ‘Atlantis’ is de beste Sun Raplaat die ik ken.

– Moondog maakt een toccata voor een sleepboot.

– Als ‘Rae’ van Autechre 3’00” ver naar een lager toerental switcht, verzamelt zich bij mij altijd een beetje traanvocht dat eruit wil.

– The Haxan Cloak is een jonge Brit die zijn slagschaduw laat vallen op een verlaten dubstepdansvloer. De celesta is ‘The shining’ versie 2011.

– Arvo Pärts vroege werk ‘Credo’ (uit 1968) treedt redelijk spectaculair uit de oevers van een barokprelude om poldervelden van dolheid op te zoeken middels collectieve koor- en orkestchaos. Waarna je bijna 10 minuten ver de zaadjes kan horen kiemen van Pärts minder atonale, veel minimalere werk van later. Ik las ook ergens dat pianiste Hélène Grimaud een paar wolven persoonlijk kent.

– György Ligeti’s ‘Requiem’ is in 1965 af, maar eind jaren 60 levert Stanley Kubrick er beeld bij. Sindsdien ziet iedereen ze keurig op één rij staan: maan, zon en zwarte monoliet.
 
image
 

 

The year that Bill Callahan broke

 
Tijd voor een overzicht van een paar Bill Callahanmomenten die Honderd niet hebben gehaald.

1. ‘Bathysphere’ uit 1995. In ‘Ah! Ah! Ah! Ah!’ wordt onder denkbeeldig water naar adem gehapt. Iemand vraagt op z’n zevende aan zijn moeder om hem in een holle bol diep in zee te laten zakken, en, mocht de stalen kabel knakken, hem daar beneden met rust te laten. Maar dan zegt zijn vader iets… Werd ooit gecovered door Cat Power.
 

 

2. ‘River guard’ uit 1999. Als de verteller de gevangenen meeneemt om te zwemmen, denken ze altijd aan strafvermindering. De bewaker mijmert filosofisch terug: ‘We are constantly on trial / it’s a way to be free’.
 

 

3. De onvertaalbare mop die de man ergens op een concert vertelt: ‘What did the easter egg say to the pot of boiling water? It’s gonna take me a long time to get hard, I just got laid by some chick’. Akkoord, niet dé mop aller tijden, maar wie Callahan een beetje kent, weet ondertussen: elke kwartjoke die zich vertoont is welgekomen.

4. ‘Summer painter’ uit 2013, verrassenderwijs the year that Bill Callahan broke. Een man schildert een zomer lang namen op boten: Rich Man’s Folly en Poor Man’s Dream bijvoorbeeld. Rondom hem bouwen bevers hun dammen. In de herfst is hij weg. Een onweer wordt verbeeld op Gil Scott-Heronfluit en op een gitaar die vlekken maakt die eruit zien als grote plassen, afgeknakte bomen en grondverzakkingen. Na de ravage wordt de man verdacht van voorkennis, alsof al die tijd bij het water hem controle over de regen heeft gegeven. Mocht deze song een whodunnit zijn, de bevers zijn de hoofdverdachten. De sfeer na de storm, in Callahans beknopte stijl: ‘Then came a quiet / No one should know’.