Bang in Zweden

 

1964. Lou Reed maakt met The Primitives ‘The ostrich’, een zeer eh, primitieve danssong. Ik zou het een cynisch gestemde twist willen noemen. Luistert u even mee. Na een tijd is er Lou Reed-DNA te horen.

 

 

‘The ostrich’ klinkt alleen van ver even cool, geweldig en onnozel als The Sonics. Van dichterbij is het vooral onnozel.

Wat volgt? De bananenplaat met Nico en John Cale natuurlijk (waarover Brian Eno zei: ‘Without it, rock would never become what it is today’). Er is een belangrijke rol weggelegd voor communicatieadviseur Andy Warhol en zijn consultancybedrijfje The Factory. ‘White light / white heat’ verschijnt. Iedereen samen: ‘Without it, rock would never become what it is today – the sequel’.

Lou Reedplaten van daarna die ik zeer goed ken: ‘Transformer’, ‘New York’ en ‘Songs for Drella’. Op de vraag ‘Leg ik ze nog op?’, moet ik antwoorden: ‘Nooit meer’.

En sorry, ik ben ook niet wild van ‘Berlin’. Ik kan daar verder niks aan doen.

Geen idee ook of al dat steeds terugkerende Lou Reedgedoe aan hem alleen te wijten was, dan wel in hoeverre de framing van journalisten ermee te maken heeft. Op youtube staan alvast een paar momenten waarop de man attent, zeer logisch en waarheidsgetrouw klinkt, bijvoorbeeld als hij het over de dood van Jimi Hendrix heeft of over de Cowboy Junkies die hij goed vindt.

Het Lou Reed-licht schijnt voor mij sowieso te hard, en teveel op één plek, waar teveel mensen naar kijken. Het werkt niet meer in een wereld waarin het licht op meer plaatsen tegelijk aanwezig is, maar daardoor overal zwakker dan daarvoor. Gewoon omdat er vandaag natuurlijk niet meer licht is dan vroeger.

27 oktober 2013 is Lou Reeds sterfdag. Hoeveel keer heb ik niet naar zijn liedje geluisterd over sangria drinken in het park, de dieren eten geven in de zoo, en daarna een filmpje en naar huis, en ain’t that enough?

Er staat één Velvet Undergroundplaat in Honderd. Is er gewoon via mijn smaak, mijn opinie, mijn humeur in beland. Lou Reed komt dus nog aan bod.

Ik heb vijf in memoriams Lou Reed gelezen, en ik ben geen enkele keer de namen Paul Auster en Wayne Wang tegengekomen, mensen die Reed hebben gecast als de zeer grappige man with the unusual glasses in de film ‘Blue in the Face’. Da’s niet gewoon mijn smaak, mijn mening en mijn humeur. Da’s een vaststelling.

Ik denk dat ik ook weet hoe het komt. Framing rond Lou Reed = genie + lastpost + mysterie + wij hadden een exclusief gesprek met Zijne Heilige Norsheid.

Man die goeie grap vertelt is in die context ongepast. Hier niet: ‘Ik ben altijd en overal bang. Ik ben bang in mijn eigen appartement. Ik ben 24 uur per dag bang. Maar niet noodzakelijk in New York. Ik word bang… in pakweg Zweden. Het is er leeg. Ze zijn er allemaal dronken. Alles werkt. Als je voor een rood licht stopt en je zet de motor niet af, komen mensen daarover praten. Als je het medicijnkastje opent, lees je: ‘In geval van zelfmoord, bel…’ Zet je de tv aan, dan zie je een ooroperatie. Dáár word ik bang van. Maar van New York? Nee.’

Briljante troubadourgrap!
 

 

Nick Cavegrappen

 

Een paar Nick Cave-grappen op een rij:

1. Een tekstfragment uit ‘Good good day’: ‘See her breasts how they rise and fall / And she knows I’ve used that line before’. Dat laatste klopt: het was in de song ‘Hard on for love’.

 

 

2. In de totaal belachelijke videoclip voor ‘Heathen child’ van Grinderman, een groep waarin Cave en C° het reptielenbrein op 10 zetten, zien de heren eruit als Romeinse honderdmannen, maar eigenlijk stond er ‘Griekse Olympusgoden’ in het script. Communicatiefoutje met de kostuumafdeling. Resultaat: de verkeerde rokjes. In een Canvasprogramma vraagt iemand naar aanleiding van die clip aan Cave: ‘Where does all the mythology come from?’ Waarop de man: ‘From myths’.

 

 

3. De tekst van ‘God is in the house’ uit de plaat ‘No more shall we part’. Een radioman deed de song in 2001 af met ‘Cave heeft zich tot god bekeerd’, waardoor hij bewees meer een plugger dan een luisteraar te zijn. De stad in de song is klein, de kerk gezandstraald. Alles is ’s nachts verlicht zodat misdaad geen plek meer heeft om zich te verstoppen. Homo’s die straten afschuimen, homohaters met een autokrik in de hand, én – jawel – lesbische tegenaanvallen: kennen ze daar niet, da’s iets voor de grote stad. ‘t Wordt een gospel-in-crescendo: ‘Well-meaning little therapists / Goose-stepping twelve-stepping Te-to-ta-li-ta-ri-a-nists / The tipsy, the reeling and the drop down pissed / We got no time for that stuff here’. Nultolerantie. Overzichtelijkheid. Kerstmarkt. Een keten met gezonde voedingsproducten die eindelijk een filiaal in de winkelwandelstraat heeft. De blauwe zwaailichten ’s nachts die van het opnamedecor voor de gezellige misdaadserie zijn. De fluistertoon van ‘There’s no fear about / If we all hold hands and very quietly shout / Hallelujah’. Uit-mun-tend! En ook: de verdiende winnaar van de Comedy Casino-cup 2001!

 

 

 

‘Ahoo ahoo / Ai ni ki tchi’

 
Toen Talking Heads aan ‘Remain in light’ werkten, was David Byrne met Brian Eno ook aan het sleutelen aan ‘My life in the bush of ghosts’: rare vocale samples in een zelfverzonnen, futuristisch Afrika.

De rest van Talking Heads – in 1980 plots veel volk – bleek niet altijd even opgezet met het intellectuele sfeertje dat Byrne & Eno naar de studio meenamen: er slingerden overal boeken over Afrika rond, en het woord polyritmiek viel een keer te veel.

Chris Frantz (die op het geweldige ‘The Breaks’ van hiphop-pionier Kurtis Blow had meegedrumd) en bassiste Tina Weymouth antwoordden met Tom Tom Club. In de dagen voor de studio-opnamen van wat ‘Wordy rappinghood’ zou worden, was Weymouth zenuwachtig omdat ze haar eerste tekst ooit moest afleveren.

Haar zussen brachten betekenisloze liedjes uit de kindertijd in herinnering – Weymouth: ‘Dat komt óók uit Afrika’ – en het tekstidee rond woorden die vanalles konden betekenen (‘What are words worth?’) werd plots vervolledigd met ‘A Ram Sam Sam, A Ram Sam Sam. ’t Zou ook ‘Ron Son Son’ kunnen zijn.

Daarna wordt het nóg beter: ‘Kooli Kooli Kooli Kooli Ram Sam Sam, Ai kai yeah yeepee yai kai yeah, Ahoo ahoo Ai ni ki tchi’.

’t Is goed in ’t eigen hert te kijken en te beseffen: mijn favoriete Talking Heads-song is er eigenlijk één van Tom Tom Club.
 

 

Nu we toch bezig zijn: ‘The breaks’.