De hordenloper

 

De Utrechtenaar Jaap Fischer maakt in de periode 1960-1963 klatergouden kleinkunst. Vanaf 1961 heeft hij behoorlijk wat succes.

Hoestekst van zijn tweede ep, uitgebracht op Studenten Grammofoonplaten Industrie: ‘Sommige ouderwetsen meenden dat de tint van deze chansons soms ongezond was. Maar vrijwel iedereen was het erover eens dat Jaap Fischer het Nederlandse lied op een nieuwe manier benaderd heeft. De brieven die vertelden over het enthousiasme van de hoorders kwamen in groten getale binnen. Zij kwamen van teenagers en ouderen, zelfs van een ambassadeur.’
 

 

En nu het slechte nieuws. In 1964 al hangt Fischer zijn lier aan de wilgen en ‘verdwijnt van de aardbodem’, zij het niet op de wijze van Syd Barrett of Jozef van den Berg. Jaap Fischer wordt Joop Visser, gaat studeren, werkt vanuit Italië, Thailand en Egypte voor de landbouworganisatie van de Verenigde Naties, keert terug naar Nederland, promoveert tot doctor in de sociale wetenschappen op een proefschrift over betekenis en invloed van lokale kranten, werkt als leraar maatschappijleer, is actief in de coulissen van de politiek, schrijft een paar kinderboeken en een ‘gids voor jonge mensen die niet weten wat ze zullen gaan doen’.

Samen met Jessica van Noord brengt Visser zelfs cd’s uit in eigen beheer, en hij treedt op in binnen- en buitenland, maar in intieme sfeer en voor wie het wachtwoord kent. Het werk van Joop Visser zegt mij niet veel. Songs als ‘Heineken is een harddrugdealer’, ‘Ah je in Utrecht geboren ben, dan kèn je daar niks an doen’ en ‘De Volkskrant is een kutkrant’ zijn giftiger en bedoeleriger dan zijn vroege werk. Een song die ‘Huilversum’ heet wil ik zelfs niet horen.

Van subtielere schetsen als ‘Onze Jan is manager geworden’ (omdat hij nooit een vak heeft geleerd, natuurlijk) en ‘Embryoselectie is het goede’ begrijp en beaam ik de inhoud, maar de te nauw zittende predikantenjas stoort me. De hilarische liveversie van ‘Manager Jan’ is gezelliger vitriool, stel ik in 2014 vast in een Mechelse boekhandel, ter gelegenheid van de voorstelling van een stuk van de biografie van de dichter Herman de Coninck, een Fischerfan.

In de zomer van 2013 kondigen Visser en van Noord aan dat ze nog minder gaan optreden, en alleen op afspraak. Maar in november 2013 gebeurt er plots iets heel raars. ‘Bekend chansonnier Jaap Fischer was zaterdagavond te zien in Holland’s Got Talent’, lees ik, ‘maar werd niet herkend door de juryleden’.

Even inzoomen. We belanden meteen op het grote podium van deze talentenjacht. Van Noord: ‘Wij zingen een liedje van Joop. Het heet ‘De hordenloper’. Jurylid: ‘De hordenloper!’ Visser: ‘Ja, de hordenloper. ’t Gaat over een hordenloper’.

Een backstage-interview wordt ertussen gemonteerd. ‘Wij doen een liedje over ‘De hordenloper’, uit de musical ‘De hordenloper’. Interviewer: ‘De musical?’ Visser: ‘Ja, ‘De hordenloper’.

En we zijn vertrokken. ‘Hij was een hordenloper / hij liep alleen maar horden’. De stemmen van Visser en van Noord zijn respectievelijk schel en hoog, spelen café chantant en botsautootje tegelijk, en doen mij denken: ‘Hé, ander licht, andere lucht’. Ze zaaien instant verwarring bij de driekoppige jury.

De tekst is goed: ‘Een vrouw kon hij niet krijgen / Geen vrouw die om hem gaf / Aan mijn lijf geen hordenloper / Blijf van me af’. De tekst wordt vintage Fischer: ‘Ze zeiden dat het kwam / omdat z’n ouders waren gescheiden / Wat een onzin / Dat zegt natuurlijk niets / Kinderen genoeg van gescheiden ouders / die er niet aan denken horden te gaan lopen’.

Eén jurylid heeft hen al weggegongd, een ander staarde van bij zin 1 naar het plafond, nummer 3 zegt: ‘Schiet me dood’.

Het eindoordeel: ‘De tekst vind ik nog wel redelijk leuk verzonnen, maar eh, ik vind het afbreuk doen aan elkaar. De stemmen zijn vreselijk, het klinkt niet lekker om naar te luisteren.’ Van Noord hoort het met een gespeeld verbouwereerde ‘O’ aan, Visser met een bevestigend ‘Ja, dat is wel zo.’ De vrouwelijke touch kan in een jury-oordeel dezer dagen niet ontbreken: ‘Volgens mij hebben jullie heel veel plezier samen, stiekem’. Uiteraard zit ook een internationale stem in het panel: ‘Was this supposed to be funny?’ – ‘Hahaha-funny?’

Visser blijft kalm: ‘Ik ben het ermee eens’. Wat een old school-hart onder de riem voor de ontevredenen! Wat een sneer naar de bezadigden! Wat een weerstandsboodschap van Algemeen Nut! En dáár inbreken, zeg, op die plek!

Eén klein minpunt aan deze lange uitleg: ik kan het hele fragment gewoon via youtube tonen en nu heb ik alles al verklapt. Toch maar aanklikken en bijvoorbeeld letten op de juryleden, mediamensen die mij doen overwegen toch eens naar ‘Huilversum’ te luisteren.
 

 

Bang in Zweden

 

1964. Lou Reed maakt met The Primitives ‘The ostrich’, een zeer eh, primitieve danssong. Ik zou het een cynisch gestemde twist willen noemen. Luistert u even mee. Na een tijd is er Lou Reed-DNA te horen.

 

 

‘The ostrich’ klinkt alleen van ver even cool, geweldig en onnozel als The Sonics. Van dichterbij is het vooral onnozel.

Wat volgt? De bananenplaat met Nico en John Cale natuurlijk (waarover Brian Eno zei: ‘Without it, rock would never become what it is today’). Er is een belangrijke rol weggelegd voor communicatieadviseur Andy Warhol en zijn consultancybedrijfje The Factory. ‘White light / white heat’ verschijnt. Iedereen samen: ‘Without it, rock would never become what it is today – the sequel’.

Lou Reedplaten van daarna die ik zeer goed ken: ‘Transformer’, ‘New York’ en ‘Songs for Drella’. Op de vraag ‘Leg ik ze nog op?’, moet ik antwoorden: ‘Nooit meer’.

En sorry, ik ben ook niet wild van ‘Berlin’. Ik kan daar verder niks aan doen.

Geen idee ook of al dat steeds terugkerende Lou Reedgedoe aan hem alleen te wijten was, dan wel in hoeverre de framing van journalisten ermee te maken heeft. Op youtube staan alvast een paar momenten waarop de man attent, zeer logisch en waarheidsgetrouw klinkt, bijvoorbeeld als hij het over de dood van Jimi Hendrix heeft of over de Cowboy Junkies die hij goed vindt.

Het Lou Reed-licht schijnt voor mij sowieso te hard, en teveel op één plek, waar teveel mensen naar kijken. Het werkt niet meer in een wereld waarin het licht op meer plaatsen tegelijk aanwezig is, maar daardoor overal zwakker dan daarvoor. Gewoon omdat er vandaag natuurlijk niet meer licht is dan vroeger.

27 oktober 2013 is Lou Reeds sterfdag. Hoeveel keer heb ik niet naar zijn liedje geluisterd over sangria drinken in het park, de dieren eten geven in de zoo, en daarna een filmpje en naar huis, en ain’t that enough?

Er staat één Velvet Undergroundplaat in Honderd. Is er gewoon via mijn smaak, mijn opinie, mijn humeur in beland. Lou Reed komt dus nog aan bod.

Ik heb vijf in memoriams Lou Reed gelezen, en ik ben geen enkele keer de namen Paul Auster en Wayne Wang tegengekomen, mensen die Reed hebben gecast als de zeer grappige man with the unusual glasses in de film ‘Blue in the Face’. Da’s niet gewoon mijn smaak, mijn mening en mijn humeur. Da’s een vaststelling.

Ik denk dat ik ook weet hoe het komt. Framing rond Lou Reed = genie + lastpost + mysterie + wij hadden een exclusief gesprek met Zijne Heilige Norsheid.

Man die goeie grap vertelt is in die context ongepast. Hier niet: ‘Ik ben altijd en overal bang. Ik ben bang in mijn eigen appartement. Ik ben 24 uur per dag bang. Maar niet noodzakelijk in New York. Ik word bang… in pakweg Zweden. Het is er leeg. Ze zijn er allemaal dronken. Alles werkt. Als je voor een rood licht stopt en je zet de motor niet af, komen mensen daarover praten. Als je het medicijnkastje opent, lees je: ‘In geval van zelfmoord, bel…’ Zet je de tv aan, dan zie je een ooroperatie. Dáár word ik bang van. Maar van New York? Nee.’

Briljante troubadourgrap!
 

 

Brahms en whosampled.com

 
Natuurlijk kent u Johannes Brahms. Noot: als u ’s mans oeuvre écht kent, voel u eventjes niet aangesproken.

Opnieuw. Natuurlijk kent u Johannes Brahms. U kent zijn Hongaarse dans nummer 5 via Charlie Chaplin. Die plakt in ‘The great dictator’ twee keer zijn tandenborstelsnor op: voor zijn rol van dictator Hynkel, maar ook voor die van een joodse barbier die een klant inzeept en scheert op het ritme van deze wonderlijke, naar het schijnt onbewust van ene Béla Kéler gestolen dans; Brahms dacht dat hij gewoon een traditional plunderde.

Wie weet staat u wel eens te hupsen op de lichtste toets van het Werchterpakket of op Tomorrowland-dj’s van eigen bodem? Dan bestaat de kans dat u ‘Phat Brahms’ van (Steve Aoki), Dimitri Vegas & Like Mike kent. (Aoki), Vegas en Mike maken Botsautookesbrahms, die alvast eerlijk is in de bronvermelding.

Bent u vertrouwd met ‘Baby alone in Babylone’ van Jane Birkin? Serge Gainsbourg stal voor haar het Poco Alegretto uit Brahms’ 3e symfonie. Mooi stuk, trouwens.

Nu we toch bezig zijn: wat jatte Gainsbourg in ‘Initials B.B.’? Inderdaad, de symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ van Antonín Dvořák. Ik snuister gewoon wat rond op whosampled.com. Stuk dat Gainsbourg gebruikte begint op 1’59”, staat er bij de Nieuwe Wereld. Maar na 1 minuut, als de symfonie bescheiden losbarst, denk ik: waar ken ik dit van? Antwoord: ‘Same old thing’ van The Streets.

http://www.whosampled.com/sample/26080/Serge-Gainsbourg-Initials-B.B.-Anton%C3%ADn-Dvořák-Symphony-No.-9,-From-the-New-World,-1st-Movement-(Adagio,-Allegro-Molto)/

Rechts onderaan op mijn scherm, ondertussen, in het ‘U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd’-deel: Henry Purcells ‘Music for the funeral of Queen Mary’, zoals gesampled door Woodkid. De hele song leunt op die sample. Maar waar ken ik die begrafenismars van Purcell vooral van? Juist, van de begingeneriek van de Kubrickfilm ‘A clockwork orange’.

Ik kan uren in zo’n sampleketting verdwalen. Een der leukste encyclopedieën op internet, dat whosampled.com. De conclusie is saai maar waar: we kennen meer klassieke muziek dan we denken dankzij stelende popmuzikanten en filmsoundtracks.